A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
KAA
KAB
KAL
KAS
KE
KER
KI
KLA
KLI
KN
KO
KOM
KOO
KRA
KRO
KW
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

kabardoesjke

zn (e), =verklw, mv: kabardoesjkes

1. Herberg van verdacht allooi. Hiervan wordt vermoed dat er publieke dames zitten. [>Nl. kabberdoes = gemene kroeg]

Diëj zit altij in kabardoesjkes bij vrëmde vraave. = Hij zit altijd in bars maar bij vreemde vrouwen.

 

kabas

zn (ne), mv: kabasse - verklw: kabaske (e)

1. Boekentas, boodschappentas. [>Fr. cabas = boodschappenmandje] [>Nl. kabas = reismandje, armkorf]

Më zene kabas nââ 't school gâân. = Met zijn boekentas naar school gaan.

Veü zen kommunne[n] eïjt'em ne nieve kabas gevrââgd oem tenoste jââr nââ de grooëte school te gâân. = Als geschenk ter gelegenheid van zijn plechtige communie, heeft hij een nieuwe boekentas gevraagd om naar de middelbare school te gaan.

Vergët aava kabas ni as ge nââ de Sarremaa gââ. = Vergeet niet om een boodschappentas mee te nemen als je naar het grootwarenhuis gaag (Sarma).

 

kabasse

ww, verv: kabas - kabaste - gekabast

1. Arm in arm lopen.

Vraave kabasse miëjr as vënte. = Vrouwen lopen vaker arm in arm dan mannen.

 

kabbejon

zn (ne), mv: kabbejons - verklw: kabbejonneke (e)

1. Kamion, vrachtwagen. [>Fr. camion]

Den biersteeker rèt më ne nieve kabbejon. = De drankhandelaar heeft een nieuwe vrachtwagen.

 

kabbejonët

zn (ne), mv: kabbejonëtte - verklw: kabbejonëtsje (e)

1. Kleine vrachtwagen, bestelwagen. [>Fr. camionnette]

Mââ de mëllekboer rèt më[j] e kabbejonëtsje. = Maar de melkboer heeft een bestelwagen.

 

 

kabbele

onpers ww, verv: kabbelt - kabbelde - gekabbeld

1. Schiften. [>gewestelijk Nl. karrelen]

Nen tijt geleej aa'k rooëm gekocht. Vandeweïjk waa'k em gebroïjke, mââ[r] e was gekabbeld. = Een tijdje geleden had ik verse room gekocht. Deze week wou ik de room gebruiken, maar hij was geschift.

 

kabbernaa

zn (de), verzamelnaam

1. Karbonade, stoofschotel, stuk klein vlees van de rug, schouder, rib of haas van een kalf, lam, schaap of varken, dat meestal als stoverij wordt verwerkt. Meer algemeen bedoelt men hiermee stoofkarbonade of stoofvlees.

Ôô! Mââ da rikt ie goe! Wa[d] eete me vandenââvet? - Kabbernaa, manneke! Ik weet da gij da geïjre[n] ët. = Nou zeg, het ruikt hier lekker! Wat schaft de pot vanavond? - Stoofkarbonade, man! Ik weet dat je dat graag lust.

 

kabbestang

zn (ne), mv: kabbestange - verklw: kabbestangske (e)

1. Kaapstander, windas. [>nl. kaapstander]

 

kaboo

zn (ne), mv: kaboos - verklw: kabooke (e)

1. Regenjas met kap. [>Fr. capote]

Doed aave kaboo mââr âân, want 't ës âân 't giete. = Doe je regenjas (met kap) maar aan, want het regent hard.

 

 

kadee

zn (ne), mv: kadees/kadeeje - verklw: kadeeke (e)

1. Kerel, rakker, deugniet. Wordt zowel in positieve als in negatieve zin gebruikt, maar heeft toch altijd een goedschikse ondertoon. [>Fr. cadet]

Gij zè nogal ne kadee, zënne! = Jij bent me er eentje.

Oe[w] ëst më[j] aa kadeeje? = Hoe gaat het met jouw kinderen?

 

kaderemènt

zn (e), mv: kaderemènte - verklw: kaderemèntsje (e)

1. Houten latwerk, raamwerk in hout. [>Fr. cadrement]

Naa ëmme z'aat teege da kaderemènt gezët. = Nu heeft men houten panelen op het raamwerk geschroefd.

 

kaduk

bijv nw, tvgl: -

1. Stuk, kapot, verouderd, afgedaan. [>Nl. kaduuk] [>Fr. caduc]

't Ës kaduk! = Het is stuk, het is naar de vaantjes!

Diëj rèt më ne kadukke veloo. = Hij rijdt met een fiets die stuk is.

 

kadul

bijw

1. Van de wijs, van de slag, ongewoon, niet normaal functionerend.

Dië[j] orlozje slââgt kadul. = Het slagwerk van die klok loopt niet juist.

A g'et mij vrââgt, dèn slââgt diëj kèèrel toch wël een bëtsje kadul, zënne. = Als je me om mijn mening vraagt, dan denk ik wel dat die kerel zich hoogst ongewoon gedraagt.

 

 

kaffee

zn (ne), mv: - verklw: kaffeeke (e)

1. Koffie. [>Dts. Kaffee]

A'k s'morreges wakker weür, ëm ek toch iëjst e pââr zjatte kaffee nooëdeg veu da'k weet wââ da'k stâân. = Als ik 's ochtends opsta, heb ik nood aan enkele koppen koffie voordat ik volledig wakker ben.

Gelolde kaffee = koffie die eerder werd gezet, en nu terug warm gemaakt wordt / aan de kook wordt gebracht.

 

zn (ne), mv: kaffees- verklw: kaffeeke (e)

2. Drankgelegenheid, herberg, taverne.

In Willebroek wââre de' r vruuger miëjr kaffees in ëlleke strâât, as dat'er vingers âân aa[j] ant zèn. = Vroeger waren in elke straat in Willebroek meer herbergen, dan dat er vingers aan een hand zijn.

 

kaffeebeüs

zn (een), mv: kaffeebeüzze - verklw: kaffeebeüzzeke (e)

1. Koffiefilter, filter waarin de droge koffie en evt. cichorei wordt gedaan, en waarop dan heet water wordt gegoten om op die manier koffie te bereiden.

Me kaffeemasjiem ës kapot. Al een sjans da'k in de kas nog nen aave kaffeepot ëm stâân, më[j] een gewooën kaffeeneüs. = Mijn koffiezetapparaat is stuk. Gelukkig heb ik in de kast nog een oude koffiepot staan, met een klassieke koffiefilter.

 

kaffeedrasj

zn (den), geen mv.

1. Koffiedik, wat overblijft na het zetten van koffie. Vroeger vond men dit in de tas na het drinken van de koffie. Toen werd er ook gesproken van "koffiedik kijken". Nu is het meestal wat overblijft in de filter van het koffiezetapparaat.

Va mij meegde gij de kaffeedrasj gerist oep de mëssink smijte. = Als het van mij afhangt, mag je het koffiedik zeker op de composthoop gooien.

 

2. Koffiedrab, het bezinksel dat soms achterblijft in een tas koffie, als de filter niet naar behoren heeft gefunctioneerd.

Mijn zjat leïj vol kaffeedrasj! Ma'k een ander zjat ëmme? = Mijn tas ligt vol koffiedrab! Mag ik een zuiver tas nemen?

 

 

kaffeeklasj

zn (ne), mv: - verklw: kaffeeklasjke (e)

1. Koffie- of theekransje. Bijeenkomst van vrouwen - met koffie en meestal gebakjes - waar meestal veel geroddeld wordt.

Alle goensjtââge[n] ës't 's achternoens kaffeeklasj in de Flierbooëm. = Alle woensdagen is er 's namiddags een koffiekransje in herberg de Vlierboom.

 

kaffeeklasje

ww, verv: kaffeeklasj - kaffeeklasjte - gekaffeeklasjt

1. Een koffie- of theekransjehouden.

Gââde wëral kaffeeklasje? = Ga je weer naar jouw koffiekransje? (Meestal met de bedoeling om over anderen te roddelen).

 

kaffeemasjiem / kaffeemasjien

zn (e), mv: kaffeemasjiem/ne - verklw: kaffeemasjiem/neke / kaffeemasjinstsje (e)

1. Koffiezetautomaat.

Da's toch e gemak, zooë kaffeemasjiem. Vruuger was da nogal e gesoekel më de kaffeepot èn de kaffeebeüs èn de mooëre. = Toch wel makkelijk, zo een koffiezetautomaat. Vroeger was het toch wel omslachtig met een koffiekan, een koffiefilter en een warmwaterketel.

 

kajee

zn (ne), mv: kajees

1. Schrift, schrijfboek. [>Fr. cahier]

Van't jââr moete me vë reïjkene drij kajees kooëpe! = Dit schooljaar moeten we voor de wiskundeles drie schriften kopen!

 

 

kajeedebroejôôn

zn (ne), mv: kajeedebroejôôns

1. Kladschrift, gebruikt in het lager onderwijs om taken voor te bereiden of om oefeningen te maken. [>Fr. cahier de brouillon]

Aale kajeedebroejôôn ... moete diëj[n] ooëk kafte? = Moet je je kladschrift ook van een kaft voorzien?

't Ës naa ni oemda't aave kajeedebroejôôn ës, da ge zooë mââ plèkke meugt mââke! = Het is niet omdat dit je kladschrift is, dat je minder verzorgd moet werken!

 

 

kajiete

ww, verv: kajiet - kajitte - gekajiet

1. Huilen. Wordt in de eerste plaats gebruikt om huilende dieren aan te geven.

Diëj[n] ont eïj[j] iëjl de nachtlank stâân kajiete[n] âân de veurdeur. In pleüts da ze da biëjst binnepakke! = Die hond heeft heel de nacht voor de deur staan huilen. Men had hem toch beter binnen gelaten.

 

2. Huilen bij mensen, hard roepen, meestal vanwege pijn maar ook wel om aandacht te trekken. In dit laatste geval heeft het woord ook de bijbetekenis, dat er een zeker ongemak is verbonden aan het moeten aanhoren van dit lawaai.

A ge naa ni stopt më kajiete, dèn zal'ek aa sebiet ës een rammeling geeve! Dèn wëtte iniëjns wââroem da'che blèt! = Als je niet onmiddellijk stopt met huilen, zal ik je een pak slaag geven! Dan heb je tenminste een reden om te huilen!

 

kajotter

zn (ne), mv: kajotters - verklw: kajotterke (e)

1. Iemand die bij de KAJ is (de Katholieke Arbeidersjeugd).

Die gâân alle zondââge nââ de kajotters. = Ze komen alle zondagen bijeen met de KAJ-ers.

 

kajotterkliëjd

zn (e), mv: kajotterkliëjre - verklw: kajotterkliëjke (e)

1. Overgooikleedje, tuniek, kleedje dat men over andere kleren aantrekt.

'k Sal agaa e kajotterkliëjke[n] ooverslââge. = Ik ga vlug een tuniek aantrekken.

 

 

kak

zn (de/ne), mv: - verklw: kakske (e)

1. Uitwerpsel, drol, uitscheiding.

Dââ leïj ne kak oep't strâât. Da zal wee van nen ont zijn... = Er ligt een drol op het trottoir. Dat zal weeral van een hond zijn...

 

2. Ook figuurlijk.

Zene kak inaave. = Zich inhouden, iets niet uitvoeren (op het laatste moment) wat oorspronkelijk toch gepland en afgesproken was.

Da's giëjne kak! = Dat is niet min! Dat moet je niet onderschatten! Dat krijg je niet zonder moeite!

 

kakkedoo / kakkedooris

zn (ne), mv: kakkedoos / kakkedorisse - verklw: kakkedooke (e)

1. Kinderstoeltje met een (WC-)potje in. [>Nl. kakkedoris, kakadoris = iemand die diarree heeft, maar ook een kwakzalver]

Ge moet aave kleïne zooë rap meegelek liëjre[n] oep ne kakkedo te gâân. = Het is best jouw baby zo vlug mogelijk te leren zijn behoefte te doen op en potje.

 

2. Nachtstoel met een (WC)-pot in.

In een aat gastoïjs stâât er wël ne kakkedoris oep de kââmer. = In een verouderd hospitaal staat er meestal een nachtstoel op de kamer.

Zie ook: kakstoel.

 

kakke(le)foe

zn (ne), mv: kakke(le)foes

1. Hondenuitwerpsel, hondedrol, keutel.

't Strâât leïj[d] iëjlemââ vol kakkelefoes - Vies, ë! = Er liggen veel (honden-)keutels op straat - Vies!.

 

kakkejoo

zn (de), geen mv.

1. Cacaodrank, drank van cacaopoeder en water of melk. [>Nl. cacao]

Nââ de turrenlës ëmme'kik altij goesjting veü een zjat kakkejoo. = Na de les lichamelijke opvoeding heb ik altijd trek in een glas cacaomelk.

Opmerking: niet verwarren met kakkezjoo!

Zie ook: sjokkelattekaffee.

 

 

kakkenësje

zn (e), =verklw, mv: kakkenësjes

1. Benjamin, jongste van het gezin. Waarschijnlijk zo genoemd omdat dit de laatste persoon was in het gezin die zindelijk geworden is. [>Ndl. kakkenestje]

't Ës na ni oemda ge't kakkenësje zè, da ge van ons moet proffeteere! = Het is niet omdat je de jongste bent, dat je van ons misbruik moet maken.

 

kakkentist

zn (ne), mv: kakkentiste - verklw: kakkentisje (e)

1. Scheldnaam voor iemand die vlug bang is en eigenlijk niet veel durft; meestal goed bedoeld.

Gââ'me diëj kakkentist in de ploeg zëtte? Dââ paas ekik naa toch wël 't mijn oover, së! = Gaan we die bangerik echt in de ploeg opstellen? Daar heb ik dan toch wel mijn bedenkingen tegen, hoor!

 

kakkewallek

zn (ne), mv: kakkewalleke

1. Kermisattractie, waar men een circuit van bewegende trappen en vloeren moet langslopen. [>Eng. cakewalk]

Naa ziede ni veel kakkewalleke ne miëj[r] oep de fooër. = Tegenwoordig zie je geen "cakewalk" meer op de kermis.

 

kakkezjoo

zn (een), mv: kakkezjoos - verklw: kakkezjooke (e)

1. Fier en protserig meisje.

Zie medam kakkezjoo dââ naa looëpe! = Kijk nu toch eens hoe aanstellerig ze daar loopt.

Opmerking: niet verwarren met kakkejoo!

 

 

kakschool

zn (de), mv: kakschoole - verklw: kakschooleke (e)

1. Kleutertuin, kindertuin. Kinderen die naar de peutertuin gaan zijn daarom nog niet noodzakelijk zindelijk.

E zit ze lëste jââr in 't kakschooleke. Tenostejââr mag em nââ de grooëte school. = Het is zijn laatste jaar in de kleutertuin. Volgend jaar mag hij naar het lager onderwijs.

Zie ook: papschool.

 

kakstoel

zn (ne), mv: kakstoele - verklw: kakstoeleke (e)

1. Kinderstoel, al dan niet van een WC-potje voorzien.

Naa ëmme ze spesjaal kakstoele oem kindere mee[j]âân tââfel te zëtte. = Nu heeft men (hoge) kinderstoeltjes, zodat de kinderen mee aan tafel kunnen.

Diëj klaanen[n] ës van zene kakstoel gepatottert. = Dat kind is uit zijn (kinder)stoel gevallen.

2. Nachtstoel, stoel met een WC-pot.

Toen a'k in de klinik lag, was'ek blij datter ne kakstoel op de kââmer stont. = Toen ik in het hospitaal was, vond ik het goed dat er een nachtstoel op de kamer stond.

Zie ook: kakkedoo, kakkedooris.

 

 

Laatste wijziging 08-06-2008 - Toevoegen afbeelding
10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl