A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
KAA
KAB
KAL
KAS
KE
KER
KI
KLA
KLI
KN
KO
KOM
KOO
KRA
KRO
KW
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

kas

zn (de/een), mv: kasse - verklw: kaske (e)

1. Kast, meubelstuk. [>Nl. kast]

Nog drij kassen èn de veroïjs ës oover. = Nog drie kasten en het verhuizen is helemaal achter de rug.

Wacht ë... Oep den allee stâân twiëj stoelen èn een kas èn en lampedèèr. = Wacht even... op de overloop staan twee stoelen, een kast en een schemerlamp.

 

2. Ook figuurlijk gebruikt.

Zen kas oepfrètte = Zich heel gefrustreerd voelen.

 

Opmerking: betekent niet een serre.

 

kasjpoo

zn (ne), mv: kasjpoos - verklw: kasjpooke (e)

1. Sierbloempot. Hierin worden bakstenen of plastieken bloempotten geplaatst, die zo aan het oog worden onttrokken. [>Fr. cache-pot]

'k Zien geïjre kasjpoos in pozzelijn. = Ik hou van porseleinen sierbloempotten.

A ge kasjpoos gebreükt, moet'oeppasse da g'aa plante ni verzeüpt. = Als je de planten in sierpotten zet, moet je opletten dat je ze niet té veel water geeft, dat er geen restwater blijft staan.

 

kaskorsee

zn (een), mv: kaskorsees - verklw: kaskorseeke (e)

1. Corset, combinatie van corset en bustehouder. [>Fr.corset] [>Nl. keurslijf]

Da mèns eur lijf aa zooëne rââre veürrem, da z'ijgelek altij een kaskorsee moest drââge oem d'er toch een bëtsje goe oïjt te zien. = Die dame had een rare lichaamsvorm, dat het voor haar best was om voortdurend een corset te dragen.

 

kas(j)poesjèèr

zn (ne), mv: kas(j)poesjèèrs - verklw: kas(j)poesjèrreke (e)

1. Stofjas. [>Fr. cache-poussière]

Vrieger moeste de kindere[n] in 't school ne kaspoesjèèr drââge. = Vroeger droegen de kinderen een stofjas op school.

Ne kasjpoesjèèr ës gemokt oïjt van die ètte stof die ge ni gemakkelijk kapot krègt. = Stofjassen worden gemaakt van stevig weefsel dat je niet zo makkelijk stuk krijgt.

 

 

kas(se)rol

zn (ne), mv: kas(se)rolle - verklw: kas(se)rolleke (e)

1. Kookpot. [>Fr. casserole]

'k Ëm nen iëjle kasrol stoofliëjs gemokt. = Ik heb een hele pot stoverij klaargemaakt.

 

kassaa

zn (ne), mv: kassaas - verklw: kassaake (e)

1. Kassei, straatsteen.

A k'ik mag kieze, dën raa'k toch liever over makkedam as over kassaas. = Als het aan mij ligt, dan nemen we eerder een weg over vlakke baan, dan over kasseien.

 

2. Baan waarvan het wegdek bestaat uit kasseien, kasseiweg.

Ik raa geïjre më de veloo, mââ da kassaake lâât ek toch liever links ligge as ek më de veloo zèn. = Ik rij graag met de fiets, maar die kasseiweg vermijd ik toch liever als ik met de fiets ben.

 

 

kastaar

zn (ne), mv: kastaars - verklw: kastarreke (e)

1. Straffe kerel, iemand die veel durft, maar ook iemand die graag plagerijen uithaalt.

Da's nogal ne kastaar zënne, naa[j] eïjtem wee bëlleketrëk gâân doen! = Dat is een grapjas, want nu heeft hij weer "belletjetrek" gespeeld.

 

kastën

zn (een), mv: kastënne - verklw: kastënneke (e)

1. Kastanje. [>Lat. Castanea sativa]

In de winter poeffe me kastënne[n] oep de stoof. = In de winter poffen we kastanjes op de kachel.

 

 

kastremâân

zn (-), geen mv

1. Gevangenis, plaats achter tralies. [>Fr. casemate]

Diëj van mij eïj vandeweïjk wëral de biëjst oïjtgange, èn e zit tot e zondagââvet in de kastremâân. = Mijn echtgenoot heeft deze week weer echt de bloemetjes buitengezet, en mag tot zondagavond in de nor zitten.

 

katrematèèn

zn (ne), mv: -

1. Vliegensvlug, op korte tijd, weldra, binnenkort, bliksemsnel. [>Fr. quart-matin ???]

'k Aa 's morreges gezeïj wat'em allemââ moest oeproïjme, èn oep ne katrematèèn stond alles oep zen pleüts. = Ik vertelde hem 's morgens wat hij zoal moest aan de kant zetten, en vliegensvlug stond alles op het juiste plekje.

 

katsje

zn, mv: -

1. Kinderspel: aantikkertje, krijgertje. [>Eng. to catch]

Katsje[n]-achternââdoenderke = krijgertjesspel, waarbij men er moet voor zorgen heel zorgvuldig iets te imiteren en dezelfde bewegingen te doen als de spelleider.

Katsje-bevries = spelletje waarbij men onbeweeglijk moet blijven staan om niet aangetikt te kunnen worden.

Katsje-booëm = ???

Katsje-dee of katsje-deu = tikkertje, waarbij men probeert iemand aan te tikken door er achter te lopen; als er echter iemand tussen door loopt, dan moet men van koers veranderen, en degene die tussen door loopt proberen aan te tikken.

Katsje-gebrëkkelek = tikkertjesspel, waarbij men een minder-valide moet uitbeelden om niet aangetikt te mogen worden.

Katsje[n]-ooëg(er) = tikkertjesspel, waarbij men er moet voor zorgen hoger te staan dan de aantikker om niet gevat te kunnen worden.

Katsje-va-niks = ???

Katsje-verstop = verstoppertje.

 

katsjedoen

ww, verv: doen katsje - dee katsje - katsje gedâân

1. Aantikkertje of krijgertje spelen.

Wie doet'er mee katsje? = Wie wil er mee aantikkertje spelen? Wordt vaak als uitnodigen geroepen als de kinderen uit de klas op de speelplaats komen.

 

 

kattekesspël

zn (et), geen mv.

1. Als kinderen aan het spelen zijn, kan het wel eens uitlopen op ruzie. In dat geval spreekt men van kattekesspël.

Da lawaat ooër ek ni geïjre, want gewooënlek drôôt da[d] oïjt oep kattekesspël! Allee! Allemââ braaf zen, of in den oek! = Dat rumoer lijkt me niet zo een goed voorteken, want gewoonlijk draait dat uit op ruzie! Komaan! Allemaal braaf zijn, of anders komt er straf van!

 

kattemoejer

zn (een), mv: kattemoejers - verklw: kattemoejerke (e)

1. Letterlijk: kattin met een nest jonge katjes.

Ze droeg zeürreg oover eur klaan manne, gelèk een kattemoejer. = Ze zorgde voor haar kinderen, zoals een kattin dat zou doen.

 

2. Figuurlijk: vrouw die het moederschap nogal lichtzinnig en slordig opneemt, eerder slechte moeder.

Die kattemoejer! Die lët eur joeng achter, as er iëjn of andere zjiggeloo âân de deer bëlt! = Die onzorgzame moeder! Ze zou haar kinderen verloochenen voor eender welke gigolo die langskomt!

 

kattesjèèt

zn (ne), mv: kattesjèète - verklw: kattesjètsje (e)

1. Kattenstaart.

Ons kat eïj më[j] eure sjèèt tusse de deur gezeete. Ne kattesjèèt is ni[j] altij gemakkelek, ë! = Onze kat is met haar staart tussen de deur geklemd geraakt.

 

2. Plant die van vochtige bodem houdt. [>Lat. Lythrum]

 

kattespaave, 't ës âân `t

zegswijze

1. Het regent heel hard, het regent dat het giet.

Gistere was't wee[r] âân 't kattespaave - 'k ëm mene was oep de zolder moete drooëge. = Gisteren was er een felle regenbui, waardoor ik de was op de zolder heb gehangen om te drogen.

 

 

kavitsje

zn (e), =verklw, mv: kavitsjes

1. Herberg, meestal van verdacht allooi. [>Nl. kavietje, kavietse][>Middelnl. cavie = hok, hol] [>Fr. cave]

De wèrrekmanne gâân agaa nââ[r] e kavitsje veu dasse nââ[r] oïjs gâân. = De werklui gaan eerst nog een glas drinken, vóór ze naar huis gaan.

 

kazakdrooër

zn (ne), mv: kazakdrooërs - verklw: kazakdrooërke (e)

1. Windvaan, iemand die van de ene partij naar de andere overloopt. Meestal met de bedoeling om er voordeel uit te slepen.

In den tijd van de verkiezinge kunde derëkt zien wie de kazakdrooërs zèn. = In de verkiezingsperiode merk je wie er van partij verandert.

 

kazjemak

zn (ne), mv: -

1. Bed. [>Fr. casemate] [>It. casamatta] [>Nl. kazemat]

'k Gâân nââ m'ne kazjemak. = Ik ga naar bed, ik ga slapen.

Dïej leïj[d] al in zijne kazjemak. = Hij is al gaan slapen.

 

 

kazjoebere

ww, verv: kazjoeber - kazjoeberde - gekazjoeberd

1. De vuilbakken afschuimen en de voorwerpen eruithalen die nog min of meer te gebruiken zijn, of die nog geld kunnen opbrengen.

Diëj[n] aave gââ kazjoebere ën dën verkeüpt em wattem kan. = Die oude man gaat de vuilbakken doorsnuffelen en verkoopt de nog bruikbare dingen die hij vindt.

 

kazjoebereïjr - kazjoeberès

zn (ne), mv: kazjoebereïjrs / kazjoeberèsse - verklw: kazjoeberèrreke / kazjoeberèske (e)

1. Man of vrouw die kazjoebert.

Diëj kazjoebereïjr komt aa potte[n] ën panne verkooëpe vë[j] iet bij te verdiene. = Die man komt oude potten en pannen (die hij in vuilbakken heeft gevonden) verkopen, om wat extra zakgeld te hebben.

 

 

Laatste wijziging 07-06-2008 - Toevoegen afbeelding
10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl