A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
VA
VE
VER
VERL
VES
VI
VO
VR
 W  X
 Y  Z

vaa

zn (een), mv: vaave - verklw: vaake (e)

1. Plooi, vouwlijn.

De vaa van aave[n] rrem. = De plooi in je arm, de elleboogholte.

De vaa van aa bijn. = De plooi van je been, de knieholte.

De vaa van aa broek. = De plooi, de vouw in je broek.

 

vk

zn (-), mv: -

1. Zin om te slapen, moe gevoel, vaak, neiging tot slaap.

'k Gn n men bd want 'k m vk! = Ik ga naar bed want ik ben moe.

A'che vk t, moete gn slpe. = Als je moe bent, moet je gaan slapen.

Die klaan eur ooge valle toe van de groote vk, m ni toegeeve[n] ! = Dat meisje haar ogen vallen dicht omdat ze zo moe is, maar ze wil het niet toegeven.

 

 

vklojze

zn (de), = meerv

1. Dit woord wordt gebruikt om aan te duiden dat een kind moe wordt en wil of zou moeten gaan slapen. [>Nl. slaapluis]

De vklojze beginnen te bijte, Mrreloewiske? = Je begint slaperig te worden, is het niet kleine Marie-Louise?

'k Zal m men klaan manne mr s nr ojs gn, want ze krijge last van vklojze. = Ik zal maar eens opstappen met de kinderen, want ze krijgen.

 

vre

ww, verv: vr - vrde - gevrd

1. Onwennig zijn, niet (meer) gewend zijn.

Da zal aa gatteke nogal vre! = Daar zal je terug aan moeten wennen, dat zal je wel missen.

Naa da'me't m[j] ijn pree moete doen, da vrt nogal. = Het is een hele aanpassing te moeten leven van n enkel salaris.

 

vt

zn (de), mv: vte

1. De  vaart, het kanaal. In Willebroek wordt hier eigenlijk altijd het Zeekanaal mee bedoeld.

E kost d'nnekes nemij n mekandere knoope, n naa[j] ejt'em zen ijge verdn in de vt. = Hij zag niet meer hoe hij rond kon komen, en heeft zich verdronken in het kanaal.

 

vaave

ww, verv: vaaf - vaafde - gevaave of vaaf - vaade - gevaad

1. Vouwen, plooien.

De Sjineeze kunne schoon dinkskes vaave[n] ojt papier. = De Chinezen zijn meesters in het vouwen van papieren figuurtjes (=origami).

 

2. Opvouwen, toeplooien.

Vaade gij't tfellke[n] oep? Of doede gij de srvjtte? = Plooi jij het tafelkleed op? Of vouw jij de servietten?

 

 

v(w)ajezje

zn (een), mv: v(w)ajezjes - verklw: v(w)ajezjeke (e)

1. Reis, tocht. [>Fr. voyage]

Z's oep vajeuzje n[r] Itelle. = Ze is op reis naar Itali.

Sins da'ze gepngsjoneerd zn, zn z'altij[d] oep vwajezje. = Sedert ze op rust zijn, gaan ze voortdurend op reis.

 

 

vajla

uitroep

1. Ziedaar. [>Fr. voil]

Vajla! D[r] dde't spl! = Ziedaar! Ik had het je voorspeld!

 

vajtuur / vwattuur

zn (een), mv: vajtuure / vwattuure - verklw: vajturreke / vwatturreke (e)

1. Auto. [>Fr. voiture]

In ons vajtuur kunde gemakkelek m vijf in. = In onze auto zijn vijf ruime zitplaatsen.

 

2. Kinderwagen.

s't ni te wrrem oem dij klaane[n] in ze'n vwattuur te lgge? = Is het niet te warm om dat jongetje in zijn kinderwagen te leggen?

 

valvet

zn (de), mv: -

1. Valavond, avondschemering, het vallen van de avond.

Bij valvet beginne de mrels te zinge. = Als de schemering intreedt, beginnen de merels te fluiten.

 

valling

zn (een), mv: vallinge - verklw: vallingske (e)

1. Verkoudheid.

E waa ni lestere[n] azzek zaa dat'em ne frak moest ndoen, n naa lejt em m[j] een valling. = Hij wou niet gehoorzamen toen ik hem zei een jas aan te trekken en nu heeft hij een verkoudheid.

 

valst - valsris

zn (ne), mv: valste / valsrisse - verklw: valsotsje / valsriske (e)

1. Valsaard, iemand die onoprecht is, die onbetrouwbaar is, iemand die veinst, gluiperd. [>Lat. falsarius = oplichter, iemand die valsheid in geschrifte pleegt]

M aa kt ek nemij want gij z ne valst! = Met jou speel ik niet meer met de kaarten, want je bent onbetrouwbaar!

Zied ojt wa ge teege dij valsris zgt, znne! Die mokt van aa woorde die van eur, n dn g zij m de bloemekes loope. = Kijk uit wat je tegen die valse vrouw zegt, hoor! Ze gebruikt jouw woorden als die van haar, en krijgt dan de beloning daarvoor.

 

 

vandant - vanderant

bijw

1. Weg, opgeruimd, uit de weg.

En ej geprobeerd zen aa klijre vanderant te doen, m nimant waa ze. = Hij probeerde oude kledingstukken kwijt te raken, maar niemand had interesse.

 

vandaront

zn (-), geen meerv.

1. Boterhambeleg, charcuterie, hespenworst, hamworst. Wordt vervaardigd door vlees heel fijn te malen en daar dan een ronde worst van 8 10 cm diameter te maken. Na het snijden heeft het beleg een ronde vorm, en wordt naar zijn vorm genoemd.

In aa booterammedoos zitte drij dubbel booteramme: ijne m sjokoo n twij m vandaront. = In je lunchbox heb ik drie dubbele boterhammen gestopt: n met chocopasta, en twee met hamworst.

 

 

vandeeg

bijw

1. Wel degelijk.

'k m vandeeg afgezien. = Ik heb cht pijn geleden. Ik heb erge pijn geleden.

 

vandelangenrrem

uitdrukking

1. Langdurig, langdradig, vervelend, uitgebreid.

Och 't s ni w! Sebiet begint Marjt van lange Sjarel euren ojtlg wee te doen oover dad ongeluk. n ge wet et: da's vandelangenrrem! = Zeg dat het niet waar is! Straks begint Mariette van lange Karel weer met haar verhaal over het ongeval. En je weet wel: dat gaat van naaldje tot draadje.

 

2. Van de pomp. In de keuken had je vroeger een pomp om water uit de regenput naar boven te pompen. Daarbij moest je een lange hefboom bedienen.

Ve me wit te wasse gebrojk ek altij wter vandelangenrrem. = Om de kookwas te doen gebruik ik water van de regenpomp.

 

 

vandoenmme

ww, verv: m vandoen - aa vandoen - vandoengat

1. Nodig hebben om iets te kunnen voleindigen, behoefte hebben aan.

M'aa ijgelek ne goejen mer vandoen, om die keeperngels in de balleke te kloppe. = Eigenlijk hadden we een degelijke hamer moeten hebben, om die grote spijkers in de balken te slaan.

Wad odde na wee vandoen, da g'aa bomma zoo n 't flijme wort? = Wat had je deze keer weer nodig, dat je zo lief was tegen oma?

'k m gijn zg vandoengat, want ge kost dijn boom zoo oemvr daave. = Ik heb geen zaag nodig gehad, want je kon die boom zonder meer om duwen.

 

2. Begaan zijn met iemand die in een benarde situatie verkeert, medelijden hebben.

'k Aa m die sloor te doen: ee pr klaan manne, eure vnt in den amigoo, n naa nog eur wrrek kwijt! Oe g dad afloope? = Ik had medelijden met die vrouw: ze heeft een jonge kinderen, haar echtgenoot zit in de nor, en nu is ze ook nog haar job kwijt! Hoe gaat dat eindigen?

 

vanejr

bijw

1. Opnieuw, weerom, nog een keer. [>gewestelijk "van her"]

Naa doet'em da vanejr, znne! Edde mij ni goe goort meschien? Gedn! = Nu doet hij het opnieuw! Heb je me niet goed begrepen misschien? Stop ermee!

 

vanijnepas

bijw

1. Onmiddellijk, terstond, direct, spontaan, zonder aandringen, automatisch, zonder verder vragen te stellen.

'k Aa nog m zjest gebld oem te zgge da mene vnt in 't gastojs lej, en vanijnepas stonne z'ie ve mij m den ottoo der eene te voere. = Ik had nog maar net getelefoneerd om hen te zeggen dat mijn echtgenoot in de kliniek ligt, of ze stonden al met de auto voor de deur om mij erheen te rijden.

Vandenachternoen gn ek n de kwaffeus, n as't nog niet te lt s gn ek vanijnepas kommisjes doen. = Deze namiddag ga ik naar het kapsalon, en als het niet te lang duurt ga ik aansluitend boodschappen doen.

 

vanijge(s)

bijw

1. Vanzelfsprekend, evident.

Ikke n de jremt? Vanijges! = Of ik naar de jaarmarkt ga? Vanzelfsprekend!

Da sprkt vanijge! = Dat is logisch, vanzelfprekend, dat is evident!

 

 

vanklnsavn

bijw

1. Op heel jonge leeftijd, van in de tijd dat men kind was.

Vanklnsavn mme'k ik geweete dat er in Klaa-Willebroek een mosseingst kwam. = Van toen ik klein was kan ik me herinneren dat er in Klein-Willebroek een mosselbootje aanlegde.

 

vanteveure / vatteveure

bijw

1. Van te voren, op voorhand, bij voorbaat, voordien.

Dad odde naa toch vanteveure kunnen zgge, vin ek. = Dat had je wel op voorhand kunnen zeggen, vind ik.

Naa schrijve z'ochuure n ochot, m 'k m aa toch vanteveure gezej da da mis ging afloope. = Nu jammeren ze en klagen ze, maar ik had je toch voordien al gezegd dat het fout zou aflopen.

Da wtte naa toch vatteveure da g'in den bak vliegt as ge pikt! = Dat weet je toch op voorhand, dat je in de cel gestopt wordt als je steelt!

 

vantijt

bijw

1. Soms, bijwijlen, nu en dan, af en toe, op gepaste tijd.

A'm oep rijs wre, ejge't vantijt toch gerejgend, znne. = Toen we op vakantie waren, heeft het zo nu en dan toch geregend, hoor.

 

2. Misschien, eventueel.

dde gij vantijt ni[j] e pr aare ve mij? 'k Zal z'aa morrege trug geeve. = Heb je misschien een paar eieren die ik mag hebben? Ik bezorg je morgen andere in de plaats.

 

vanzelejve / vazzelejve

bijw

1. Ooit, op een bepaald tijdstip.

A'k vanzelejve de Lotto s win, dn gn ek e schoon ojs baave. = Als ik ooit de Lotto win, zal ik een mooi huis laten bouwen.

'k Paas ni da gij vazzelejve n e lief gerokt, as ge zoo ne zatterik blft. = Ik kan me niet indenken dat jij ooit een verloofde vindt, als je zo een dronkaard blijft.

 

Zie ook: nootvanzelejve

 

 

vanzenesusvalle

ww, verv: valvanmenesus - vielvanmenesus - vanmenesusgevalle

1. Flauwvallen, draaierig worden.

'k Zn bij den doktoor vanmenesusgevalle, want e moest bloed trkke en 'k aa ni meuge[n] eete veu't visiet. = Bij de dokter ben ik flauwgevallen, want hij moest een bloedstaal nemen en daarom moest ik nuchter blijven voor het onderzoek.

 

vanzezllevedr

ww, verv: 'k drvanmezlleve - 'k drdevanmezlleve - 'k zn vanmezllevegedrt

1. Flauwvallen, draaierig worden.

A'k ik nog m[r] een pikuur zien, dn gn ek al vanmezlleve. = Het is voldoende dat ik een injectienaald zie, om al flauw te vallen.

 

 

vanzezllevegn

ww, verv: 'k gnvanmezlleve - 'k gingvanmezlleve - 'k zn vanmezllevegegn

1. Flauwvallen, draaierig worden.

'k Aa van de morreget moete[n] eete, want k' zn oep me wrrek vanmezllevegedrt. = Ik had moeten ontbijten, want ik ben op het werk flauwgevallen.

 

vapeur

zn (een), mv: vapeurs - verklw: vaperreke (e)

1. Gemetste kachel, die diende om de was af te koken. [>Fr. vapeur]

In de nief wasmasjiene kunde de was afkooke, m vruuger aa'k ik ne vapeur. = De moderne wasmachines hebben een kookprogramma, maar vroeger had ik een kachel om de was af te koken.

 

vaperreke

zn (e) = verklw, mv: vaperrekes

1. Plotse zweetbui, "opjacht". Komt voornamelijk voor bij vrouwen in de menopauze. [>Fr. vapeur]

Ge moet d ni[j] eene zien da'k ie zoo zit te zwijte, m 'k krijg weer e vaperreke. = Let er maar niet op dat ik zo erg zweet, maar dat komt door een plotse opjacht.

 

Zie ook: oepjacht

 

 

vareus

zn (een), mv: vareuze

1. Waakvlam in een gasbrander. [>Fr. veilleuse]

A'k oep konzjee gn, doen'k de vareus ook ojt. = Als ik op vakantie ga, laat ik de waakvlam niet branden.

 

vastenvet

zn (de), mv: -

1. Vastenavond, laatste avond voor de vasten.

M vastenvet boefe z'eule nog s goe vol, want dn 't veur een ttsje gedn. = Op vastenavond eten ze zich nog eens goed dik, want dan is het voor een tijdje gedaan.

 

2. Ook figuurlijk: aanduiding van wanorde, waarbij men verwijst naar de karnavalperiode waar het er eerder rommelig aan toe gaat.

Dad s ier e potteke van vastenvet! = Dat is hier een wanordelijke boel, een ordeloos geheel, net als na een wilde braspartij.

 

vastgroebele

ww, verv: groebel vast - groebelde vast - vastgegroebeld

1. Vastgrijpen, vastnemen, vastpakken, in de hand nemen, grabbelen. Vaak ook meer in het wilde weg, bijv. om houvast te zoeken.

Prins Krneval smt m beeze. Groebelt m vast wa da ge kunt pakke! = Prins Carnaval werpt snoepjes rond. Grijp maar zoveel je kan.

Al een sjans da'k mij n de lejn kon vastgroebele, want ander aa'k ne goeje patotter gegn! = Gelukkig maar dat ik me aan de leuning kon vastgrijpen, want anders had ik een flinke val gemaakt!

 

Zie ook: vastschaare

 

vastschaare

ww, verv: schaar vast - schaarde vast - vastgeschaard

1. Vastgrijpen, vastnemen, vastpakken, in de hand nemen, grabbelen.

As ge de garsn zie, schaart em dn s vast! Ik geef er nog ijne... = Als je de kelner ziet, roep hem dan even! Ik geef nog een rondje...

 

Zie ook: vastgroebele

 

 

Laatste wijziging 21-07-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl