A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
VA
VE
VER
VERL
VES
VI
VO
VR
 W  X
 Y  Z

 

vraa

zn (een), mv: vraave - verklw: vraake (e)

1. Een vrouw, een dame.

D wre zeeker fftech vraave[n] oep de kaffee. = Er waren minsten vijftig vrouwen aanwezig op dat koffiekransje.

 

2. De echtgenote.

'k Sal n me'n vraa s vrge of da ze meeg. = Ik vraag aan mijn echtgenote even of ze meegaat.

Da's naa de vraa van den avvekt, s. = Dat is nu de vrouw van de advokaat.

 

vrgsjt / vrgsjter

zn (ne), mv: vrgsjte / vrgsjters - verklw: vrgsjtsje / vrgsjterke (e)

1. Een vraagstaart, iemand die alles wil weten en daarom heel veel vragen stelt.

Sch vrgsjter, zgt naa[j] s iet anders as wroem-wveu-vwatte! = Zeg vraagstaart, stel eens minder vragen.

Die va mij zn chte vrgsjte: alles moete ze weete, n de joengste elt alles ojtijn oem te zien oe dad iet d'er van binnen ojtzie. = Mijn kinderen zijn echte vraagstaarten: ze willen alles weten, en de jongste gaat zelfs zo ver dat hij alles demonteert om te weten hoe iets er langs de binnenkant uitziet.

 

Zie ook: sjter

 

vrgsjtere

ww, verv: vrgsjter - vrgsjterde - gevrgsjterd

1. Zolang vragen stellen tot men alles tot in het kleinste detail te weten komt. Voor een kind geldt dat het vragen blijft stellen, tot zijn nieuwsgierigheid bevredigd is.

Bij ons gebuuren s een zontsje geboore, n naa s ons Lewieke mr n 't vrgsjtere oe da da manneke in den bojk van ze moeder gekomme was. Wa moet ekik naa zgge? = Bij de buren werd een zoontje geboren, en mijn zoontje Louis is nu maar vragen aan het stellen tot hij weet hoe dat kindje in mama's buik gekomen was. Wat moet ik hem nu vertellen?

Lestert , kerjeuzeneuzemosttpot: naa meugde nog zoo veel vrgsjteren as ge wilt, m van mij gaad et ni te weete komme! = Luister eens goed, nieuwsgierige jongen (of meisje): je mag me nog zoveel vragen stellen als je wil, maar van mij ga je niets te weten komen!

 

vraamns

zn (e), mv: vraamns - verklw: vraamnske (e)

1. Persoon van het vrouwelijk geslacht, dame, vrouw.

Ik aa da vraamns nog noot gezien, m't was een pronte medam. = Ik had die vrouw nog nooit gezien, maar ze had een goed voorkomen.

 

Zie ook: mansmns

 

vraavetoeng

zn (een), mv: vraavetoenge - verklw: -

1. Kamerplant, erg populair in Belgi. [Lat. Sansevieria]

In Bllege[n] ej[d] ijderijn vraavetoenge veu zen vnster stn. = In Belgi zie je heel veel sansevieria's voor het raam.

 

 

vrijt

bijv nw, tvgl: vrijt - vrier - vrijdst

1. Wreed, erg, fel.

Toen da'z'in Rojsbroek onder wter geloope wre, da vonne'kik vrijt rreg. = De overstroming in Ruisbroek vond ik heel erg.

't s vrijt , da van de Maane zen dochter die verongelukt s! = Het is erg, dat nieuws over Emmanuel zijn dochter die een ongeval heeft gehad!

 

vrijf

zn (de), mv: vrijve - vrfke (e)

1. Bovendeel van de voet.

Men nief schoene zn wat te klaan n naa doe mene vrijf zijr. = Mijn nieuwe schoenen zijn net iets te klein, waardoor het bovenste van mijn voet pijn doet.

 

vruute

ww, verv: vruut - vrutte - gevrut

1. Wroeten, wriemelen, onrustig bewegen.

A'm oep kampanje wre, sliep ekik in de zllefste kmer as de Zjf. Kan dij vruute! = Toen we voor het werk in het buitenland waren, deelde ik de kamer met Jozef. Die wroet nogal in bed, hoor!

 

2. Hard werken, alles in het werk stellen om iets voor elkaar te krijgen, moeite doen.

Alzelejve[n] mme die mnse[n] altij m gevrut n gevrut, n 't zn nog altij soekelejrs. Da's toch ni zjest, ? = Die mensen hebben hun hele leven altijd keihard gewerkt, en toch hebben ze nog armoe. Dat is toch niet eerlijk?

 

vruutm

zn (een), mv: vruutms - verklw: vruutmke (e)

1. Een kind dat onmogelijk rustig kan blijven, dat haast niet stilletjes kan blijven zitten. Letterlijk: een wroetende made!

Ijst aa'k twij joengskes, n da wre braave n rustege kindere. M men joengste s e maske, n da's een chte vruutm. = Mijn eerste twee kinderen waren jongens, en dat waren brave en rustige kinderen. Maar het laatstgeborene is een meisje, en die kan niet stilletjes blijven zitten.

 

 

vurrekestook / virrekestook

zn (de/ne), mv: -

1. Allerlei opbranden op een stapel: oud papier, tuinafval,...

Virrekestook doen. = Van alles verbranden op een hoop.

Vurrekestook doen m petatteloof, n d dn petattekes in smijte. = Het lover van de aardappelplanten op het veld verbranden, en in de smeulende as kleine aardappeltjes laten gaar worden.

 

vuuge

ww, verv: vuug - vuugde - vuugd

1. Zich voegen naar de voorschriften, zich goed gedragen, rekening houden met de geldende gedragsregels, gehoorzamen, beleefd zijn.

A'ch aa vuugt meegd e goensjtach mee n de sinnemaa. = Als je je goed gedraagt, mag je volgende woensdag mee naar de bioscoop.

Vuugd aa oep de schoolrijs, want a'k lter van de mijster iet oor... attekee, zlle! = Gedraag je goed op de schooltrip, want als ik later opmerkingen hoor van de leraar... Let op, hoor!

Vuugd aa! Z braaf! = Gedraag je! Wees braaf!

 

vuurwrrek / vierwrrek

zn (`t), mv: vuurwrreke - verklw: vuurwrrekske (e)

1. Vuurwerk.

Oem neege[n] uure s't vuurwrrek n dn s de jremt gedn. = Het vuurwerk begint om negen uur, en dat is de afsluiter van de Jaarmarkt.

Oe? Ge wt ni of da 't vuurwrrek gedn s? Da was dzjest toch den bloemmekee! = Wat zeg je? Je weet niet of het vuurwerk afgelopen is? Dat was daarnet toch het meesterstuk / de finale!

 

 

Laatste wijziging 13-05-2008 - Toevoegen afbeelding
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl