A  B
 C  D
 E  F
FA
FE
FI
FL
FO
FR
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

faar

zn (een), mv: faare - verklw: farreke (e)

1. Sterke lamp, schijnwerper. [>Fr. phare]

Oem de dieve bojte t' aave m ek een straffe faar in den of gezt, die[j] ottomtis ng as er imant in de buurt komt. = Om dieven af te schrikken heb ik een sterke lamp in de tuin geplaatst, die automatisch gaat branden als er iemand in de buurt komt.

 

2. Autolichten.

'k Waa vertrkke bij ons vrinde, n as'ek men faare[n] nstak zat er konntsje[n] in't gs veu de deur. = Ik wou vertrekken (na een bezoek) bij onze vrienden, en toen ik mijn autolichten ontstak zat er een konijntje in het gras voor de deur.

 

fs

zn (een), mv: fze - verklw: foske (e)

1. Vaas voor snijbloemen, of gewoon als sierstuk.

Wa schoon bloeme! 'k Zal agaa een fs pakke[n] oem z'in te ztte. = Dat zijn heel mooie bloemen - ik neem vlug een vaas met water en zet ze erin.

 

2. Boerenpet, gemaakt uit linnen. Meestal donkerblauw.

Veu da de klakke bestonne, ztte de boere dikkels een fs oep. Teege de rejgen zeeker? = Voor de tijd dat er petten waren, zetten de boeren vak een fs op. Als bescherming tegen de regen, waarschijnlijk?

 

fabries

zn (de) =mv (ook: fabrieze), verklw: fabriekes

1. Bakkebaarden. [>Fr. favoris] [>It. favoriti]

d'Ippies aa lank r n fabries. = De hippies droegen lang haar en hadden bakkebaarden.

Zie ook: fasje.

 

fafoejl

zn (ne), mv: fafoejls - verklw: fafoejleke (e)

1. Vals en geniepig iemand, iemand die streken verkoopt en/of niet eerlijk is, onbetrouwbaar persoon.

Volleges mij zdde gij m[r] e fafoejleke! = Volgens mij ben je niet te betrouwen, probeer je me iets op de mouw te spelden.

 

 

fajee

zn (ne), mv: fajees - verklw: fajeeke (e)

1. Kachel, haard. [>Fr. foyer]

'k m koole[n] oep de fajee gedn. = Ik heb steenkool in de kachel gedaan.

Zie ook: fwajee.

 

fajtier / fajtuur

zn (een), mv: fajtiere/fajtuure - verklw: fajtirreke/fajturreke (e)

1. Personenwagen. [>Fr. voiture]

E[n] ej[j] een nief fajtuur gekocht en alle zterdge wert die gekest. = Hij heeft een nieuwe auto gekocht en elke zaterdag wordt die gewassen.

 

2. Kinderwagen.

De lsten tijt koope de mnse trug duur fajtuure ver eule klaan manne. = De jongste jaren worden er dure kinderwagens gekocht voor baby's.

 

falsris

zn (ne), mv: falsrisse - verklw: falsriske (e)

1. Valsaard, iemand die vals speelt, die vals en onoprecht is, iemand die veinst. [>Lat. falsarius]

dde naa oot geweete! Dij falsris aa mij nog zoo beloofd oem zen schulde te betle, n naa s er m vanondergemojsd! = Heb je nu ooit! Die gemenerd had me beloofd zijn schulden te betalen, maar nu is hij met de noorderzon vertrokken!

 

 

fas

zn ('t) mv:-

1. Nekwervels, ruggegraat ter hoogte van de nek.

E[j] s 't fas afgevalle! = Hij heeft de nekwervels gebroken!

E kornijn 't fas ooverslge. = De nekwervels van een konijn breken.

 

fasje

zn (de) =mv

1. Bakkebaarden.

Menijr Denajer aa nen bt n fasje. = Mijnheer Denaeyer had een baard en bakkebaarden.

Zie ook: fabries.

 

fasjt

zn ('t), mv: -

1. Schik, opmaak, mooi gekleed, opgekleed.

Ze st[d] in grn fasjt. n ij ook! = Ze is helemaal opgetut, met mooie kleren aan. En hij ook!

 

 

 

Laatste wijziging 15-06-2008 - Toevoegen afbeelding
10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl