A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
IA
IJ
IN
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

iederooverant

uitdrukking

1. Ieder op zijn beurt.

As ge bij 't k‚‚te iederooverant een k‚‚t trŽkt, kund'oep die manier iŽjl den boek verdiŽjle. = Als je beurt om beurt een kaart neemt, kan je de kaarten van het hele spel verdelen.

 

iŽjchenisse / iŽjkenisse

zn, =mv

1. Liezen, de liesstreek.

E[j] eÔj ziŽjr in z'n iŽjchenisse. = Hij heeft pijn in de liesstreek.

 

iŽjke

ww, verv: iŽjk - Ôjkte - gÔjkt

1. Jeuken.

As `t Ôjkt, moete krabbe. = Als het jeukt, moet je krabben.

 

iŽjkel

zn (nen), mv: iŽjkels - verklw: iŽjkeltsje (een)

1. Eikel, vrucht van de eikeboom.

IŽjkoorens verg‚‚ren iŽjkels vŽ de winter. = Eekhoorns verzamelen eikels voor in de winter.

 

 

iŽjksel

zn (`t), mv: -

1. Jeuk.

'k ňm iŽjksel ‚‚n men schaavers. = Ik heb jeuk aan mijn schouders.

Men bille[n] iŽjke. = Mijn billen jeuken.

 

iŽjlegans

bijw

1. Helemaal, in zijn geheel.

'k ňm mijn oÔjswŤrrek iŽjlem‚‚[r] alliŽjn gemokt. = Ik heb mijn huiswerk helemaal alleen gemaakt.

Zie ook: giŽjlegans.

 

 

iŽjn

telw, (een), mv: iŽjne - verklw: iŽjntsje - Ôjste

1. Eťn.

IŽjne kiŽj Ťn dŤn gedaan! = Eťn maal, maar niet dan niet meer.

 

iŽjndelek

bijv nw, tvgl: iŽjndelek - iŽjndeleker - iŽjndelekst

1. Erg, benauwend, ellendig.

ňdde da[d] ongelik mŽ diŽjn dooŽ gezien? Da was iŽjndelek! = Heb je dat ongeval met dodelijk slachtoffer gezien? Dat was ellendig.

 

iŽjnder

bijv nw, tvgl: -

1. Hetzelfde, gelijk, om het even.

Naa[j] Ždde zjeŁst e nief kostum , Ťn ge dr‚‚g et in de weÔjk ooŽk al! Bij aa Žs alles derŽkt iŽjnder! = Je hebt net een nieuw zondagse pak gekocht, maar je draagt het op werkdagen ook al! Voor jou is het toch echt allemaal om het even!

 

iŽjne

zn (den), mv: - verklw: iŽjntsje (-)

1. Eentje, meestal met de bedoeling van een glas bier of een andere consumptie.

IŽjne g‚‚n pakke. = Een pintje gaan drinke.

IŽjne geeve. = Een rondje betalen.

Pakt'er iŽjntsje mee. = Drink iets van mij.

 

iŽjnegte

telw.

1. Enige, enkele, kleine hoeveelheid, klein aantal.

As ge't ni wilt doen, zal ek aa Žs iŽjnegte redenen geeve oem et wŽl te doen! = Als je denkt dat je dit niet te moeten doen, dan zal ik je eens enkele redenen opsommen om het toch maar te overwegen!

GŽft mij naa Žs iŽjnegte aate spŤlle. = Geef me even een aantal wasknijpers.

 

 

iŽjs

bijv nw, tvgl: iŽjs - iŽjzer - iŽjst

1. Hees, schor, klankloos, niet helder.

Zaaraa LŽjander aa toch Žch een iŽjze stŽm. Da was persies ne vŤnt. = Zarah Leander had echt een schorre stem. Het leek wel op een mannenstem.

'k ňm gistere 't Ťt gezjŰŰd, Ťn d‚‚mee zŤn ek vand‚‚g iŽjs. = Gisteren heb ik te lang en te hard geroepen, en daardoor kan ik vandaag haast niet praten.

 

iŽjt

bijv nw, tvgl: iŽjt - iŽjter - iŽjtst

1. Heet, heel warm.

't ňs nen iŽjten dag. = Het is een warme dag vandaag.

As de soep iŤjt Žs, moete bl‚‚ze. = Als de soep te heet is, moet je blazen.

De soep weŁrt nooŽt zooŽ iŽjt geete asse weŁrt oepgedint. = De soep wordt nooit zo heet gegeten, als ze wordt geserveerd.

 

iŽjte

ww, verv: iŽjt - Ôjte - giŽjte

1. Heten.

Ik iŽjt ZjŤfke en oe iŽjte gij? = Ik heet Jozef en hoe heet jij?

't ňs toch Ťrreg moeder t'iŽjte! = Het is erg moeder te heten. Hiermee bedoelt men dat moeder's hulp meestal wordt ingeroepen als er iets fout gaat, waardoor ze altijd wel iets te doen heeft.

 

zn (nen), mv: -

2. Warmbloedig, temperamentvol persoon, man die de naam heeft om voortdurend bereid te zijn om sex te hebben. Een man met veel temperament, iemand die altijd zin heeft om met een vrouw naar bed te gaan: Amaj, da's nen iŽjte!

Da's zooŽ'nen Ôejte, dat'em mŽ[j] iŽjn vraa ni toekomt! = Hij is zo geil, dat ťťn vrouw niet volstaat voor hem.

 

 

iŽjtm‚‚ke

ww, verv: m‚‚k iŽjt - mokte[n] iŽjt - iŽjtgemokt

1. Seksueel ophitsen, opgeilen, vuriger (iŽjter) of driftiger maken.

't IŽjnege wa da maske kŽnt, Žs venten iŽjt m‚‚ke, m‚‚ da blŤft natierlek ni duure. = Het enige waar dat meisje goed in is, is mannen opgeilen; maar dat zal ze niet haar hele leven kunnen doen.

 

iŽjtm‚‚ker

zn (nen), mv: iŽjtm‚‚kers - verklw: iŽjtm‚‚kertsje (een)

1. Persoon die klinknagels verhit, zodat deze in de scheepsbouwnijverheid kunnen worden gebruikt om metalen platen samen te nieten.

DiŽj va mij zat al een meŁnt zonder wŤrrek, m‚‚r e meŁndag mag em bij OoŽmes oep Klaa-Willebroek beginne as iŽjtm‚‚ker. = Mijn man is al een maand werkloos, maar nu maandag mag hij op scheepswerf Ooms beginnen als verhitter van klinknagels.

 

iŽjze

ww, verv: iŽjs - iŽjsde - giŽjsd

1. Hozen, vloeistof wegpompen of uitscheppen.

Onze kŽlder was ondergelooŽpe, Ťn m'Žmme[n] Žm iŽjlem‚‚ moete leÔjg iŽjze langs 't kŽldergat. = De kelder was volgelopen met water, en daardoor moesten we de kelder leeghozen door het keldergat

 

 

ieneÔjves

bijw

1. Hiernaast.

IeneÔjves Žmme z'oovertijd ne nieve[n] ottoo gekocht. ňlke z‚‚terdag weŁrt em veu de deur gewasse, oemda de gebiere[n] et goe zaa zien. = De buren hebben niet lang geleden een nieuwe auto gekocht. Elke zaterdag wordt die uitvoerig voor de deur gewassen, zodat alle buren het zeker zouden zien.

 

 

ietvandoenŽmme

ww, verv: Žmietvandoen - aaietvandoen - Žmietvandoengat

1. Iets willen, iets proberen te bemachtigen of te verkrijgen, iets proberen "afhandig" te maken, iets nodig hebben.

Wa st‚‚de d‚‚ naa te fliŽjme? 't ňs wee goe te zien da g'ietvandoenŽt! = Wat sta je me nu de mouw te vegen? Het is wel duidelijk dat je iets van me verlangt.

ňdde da nog vandoen? = Heb je dat nog nodig?

m' ňmmen in den ottoo altij e rolleke gemakpapier st‚‚n, m'aa m'Žmmen et nog nooŽt vandoengat. = In de auto staat er altijd een rol WC-papier, maar we hebben het nog nooit moeten gebruiken.

 

2. Figuurlijk - uitsluitend in de negatieve zin. Overbodig zijn, kunnen missen.

m' ňmmen aa ie ni vandoen, zŽnne! = Jou kunnen we missen! We hoeven je hier niet! maak dat je wegkomt!

 

ietvŽbijdenbooteram

uitdrukking

1. Broodbeleg, wat men op de boterham legt.

G‚‚ bij Pissee naa[j] Žs ietvŽbijdenbooteram ‚‚le. = Ga bij slager Piscť boterhambeleg halen.

KeÔjs Ťn Žps Ťn sjokkoo, da's allem‚‚ ietvŽbijdenbooteram. = Kaas en hesp en chocopasta is allemaal broodbeleg.

 

iever

zn (den), geen mv.

1. IJver, noeste inzet. [>Fr. ivre = dronken!!!]

MŽ veel begost em te wŤrreke, terwijl da[d] iederiŽjn aa gezeÔj da da ni ging likke. = Met veel moed en ijver begon hij te werken, ondanks dat iedereen hem gezegd had dat hij nooit zou slagen.

 

ieverans(t)

bijw

1. Ergens. [>Middelnl. iewaer, iewer, iewers, van ie (iemand) + waer (waar)]

W‚‚[r] Ždde gij ieverans geliŽjrt? = Waar ben je op school geweest?

Naa[j] Žmme'k aa iŽjl den achternoen gezocht, m‚‚'k von aa ni. W‚‚[r] Ždde gij dŤn ieveranst gezeete? = Ik heb je de ganse namiddag gezocht, maar niet gevonden. Waar heb je dan uitgehangen?

 

 

Laatste wijziging 07-06-2008 - Toevoegen afbeelding
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl