A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
IA
IJ
IN
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

ijl

bijv nw, tvgl: ijl - ijler - ijlst / lst

1. IJl, niet stevig, gevoel van leegte of draaierigheid.

'k Aa van de morreget mjr moete[n] eete, want naa voel'ek mij nogal ijl. = Ik had vanmorgen meer moeten eten, want nu voel ik me draaierig.

 

2. Figuurlijk, om aan te duiden dat iemand flauw doet.

M joeng toch, ge moet ni zoo ijl doen. 'k m aa wl deu, znne. = Maar kerel toch, doe niet zo flauw. Ik heb je wel door, hoor!

 

ijlegdag

zn (`t), mv: ijlegdge

1. Heiligendag, hoogdag, meestal ter gelegenheid van de viering van een heilige, kerkelijke feestdag, naamdag.

Oep den ijlegdag van Sint Joozf s't vderkesdag. = Vaderdag valt op de naamdag van de heilige Jozef.

 

2. Ook gebruikt als synoniem voor een aantal wettelijk vastgelegde feestdagen.

Allez! Da wtte naa toch da die oep ijlegdge gesloote zn! = Kom nu! Je weet maar al te goed dat ze op officile feestdagen gesloten zijn.

 

ijlege

zn (nen), mv: ijlege

1. Heilige, sint.

Den ijste novmber 'st fijst van d'ijlege. = 1 november is de feestdag van Allerheiligen.

 

2. Ook figuurlijk.

Ie s! ... Onze nieve[n] ijlege[n] s trug! = Kijk nu, zeg! Daar heb je het verloren schaap terug.

Ie s! Onze nieve[n] ijlege[n] s ie s! = Kijk eens wie je hier hebt!

 

jste

telw, (den)

1. De eerste.

Da's naa den jste n de lste kij! = Dat is nu de eerste, maar ook de laatste keer.

De'n jste vant school. = De eerste van de klas.

 

 

jtte

zn (d'), mv: -

1. Hitte.

M die[j] jtte komme'k ik ni bojte, znne. = Met die hitte, zie je mij niet buiten.

 

ijzerml

zn (-), stofnaam

1. Roest, verroest ijzer.

Sch Zjf! Naa wer'et toch s stillekesn tijd da g'iet doe n dij poembak. Alle dge moete'k ik 'k weet ni[j] oeveel ijzerml bijijnvejge. = Zeg Jozef! Het wordt stilaan tijd dat je eens actie onderneemt om de gootsteen te herstellen. Dagelijks moet ik een grote hoeveelheid roest bijeenvegen.

 

ikke

pers vnw

1. Ik, de eerste persoon enkelvoud.

Ikke[n] ook! = Ik ook.

Zie ook: ekik.

 

impassant

bijw

1. Intussen, onderwijl, terwijl. [>Fr. en passant]

Impassant s ze verbij gegn. = Intussen is ze voorbij gelopen.

Ik ging n de kwaffeus en impassant s ij n den Dre gewst. = Terwijl ik bij de kapper was, is hij naar de supermarkt gegaan ( Dre = was eigenaar van supermarkt in Willebroek).

 

importanse / importnse

zn (d'), geen mv.

1. Belang, iets wat iemand raakt. [>Fr. importance]

Da[d] ej[d] allem gijn importnse wa da ge d zgt. = Het heeft allemaal geen belang wat je daar zegt.

 

 

Laatste wijziging 10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl