A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
IA
IJ
IN
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

indewaar

uitdrukking

1. Verward, het niet goed meer weten, er niet meer aan uit kunnen, het niet meer begrijpen.

Mene zoon zej da'k bejter kan gn wrreke, m mene vnt vint da'k tojs moet blijve. Naa zn ek ijlemr indewaar... = Mijn zoon zegt dat ik beter kan gaan werken, terwijl mijn echtgenoot vindt dat ik beter thuis kan blijven. Nu weet ik het echt niet meer...

 

2. Verstrengeld, in de war, verward.

'k Aa 't nog zoo gezej da ge die rsjes s ni in ijn schojf bijijn mocht smijte. Naa zn z'ijlemr indewaar, s! = Ik had je verwittigd om die overschotjes breiwol niet in n lade te werpen. Nu zijn ze helemaal verstrengeld.

 

indoefele

ww, verv: doefel in - doefelde[n] in - ingedoefeld

1. Induffelen, warm aankleden, warm inpakken.

Zie da dij klaane gijn valling oepdoe! 'k Zaa em m wa bejter indoefele... = Zorg ervoor dat het jongetje geen verkoudheid opdoet! In jouw plaats zou ik hem warmer aankleden...

 

ingsel

zn (een), mv: ingsels - geen verklw.

1. Scharnier, ijzeren beslag waarmee een deur of een raam aan de muur bevestigd wordt. [>NL hengsel]

Ge moet die ingsels s smejre, want ze mke lawaat = je moet die scharnieren een keer olin, want ze maken lawaai.

 

inkelglt

zn (et), mv: -

1. Geldstukken, munten, muntstukken.

D'er s e gat in menen broekzak, n al't inkelglt valt er deu. = Er is een gaatje in mijn broekzak, en alle muntstukken vallen er door.

 

 

inkojle

ww, verv: kojl in - kojlde[n] in - ingekojld of ook: kojl in - kelde[n] in - ingekelt

1. Inkuilen. Dit wordt gezegd van groenten of veldvruchten die onder aarde worden bedolven om ze zo door de winter te bewaren.

Dijn boer ej zen bijte[n] ingekelt. = Die landbouwer heeft de voederbieten ingekuild.

 

 

inkpot

zn (nen), mv: inkpotte - verklw: inkpotteke (een)

1. Inktpot, potje dat gevuld wordt met inkt, en waarin de schrijfpen wordt gedoopt om te kunnen schrijven. Is goed gekend van de inktpotjes die vroeger in de schoolbanken zaten.

A'k ik klaan was, zte m'in aate banke. En veur iederijn was er een inkpotteke, dat de juffraa alle wejke kwam vulle m[j] een groote zwtte fls. = Toen ik op de lagere school zat, hadden we houten schoolbanken. Voor elke leerling was er een inktpotje, dat de lerares eens per week bijvulde uit een grote zwarte fles.

 

2. Figuurlijk: achterste, zitvlak.

Imant ne stamp in zenen inkpot geeve dat em al schrijvende vets lept. = Iemand straffen op een manier die hij/zij niet licht zal vergeten.

 

inplkvan / inpletsvan

uitdrukking

1. In de plaats van, als alternatief.

In plets van d zoo te stn lache, zodde mij bejter ojt de string komme[n] ellepe. = In plaats van daar zo te staan lachen, zou je me beter uit de rats kunnen helpen.

Ie zaa'k ik naa de nm van men vraa schrijve, inplkvan menen ijge nm. = Hier zou ik dan weer de naam van mijn vrouw invullen, in plaats van mijn eigen naam.

 

inresse

ww, verv: res in - reste[n] in - ingerest

1. Inwrijven, door wrijven met iets bedekken of doordrenken.

As ek een baal plk m, dn rese'k die gewoonlek in m[j] azijn, want z'mme mij gezej da da ontsmt. = Als ik een blauwe plek heb dan wrijf ik die meestal in met azijn, want men heeft me verteld dat het ontsmettend werkt.

Wilde gij mij naa s inresse m krm teege de zon? = Wil jij me inwrijven met zonnecrme?

 

 

inscherrepe

onpers. ww, verv: scherrept in - scherrepte[n] in - ingescherrept

1. Inscheuren.

Zene ngel s ingescherrept. = Zijn vingernagel is ingescheurd.

 

intts

bijw

1. Op tijd, intijds.

Zie da ge tenoste ki[j] intts komt! = Zorg ervoor dat je de volgende keer op tijd bent.

Zie ook: betts.

 

inzojle

ww, verv: zojl in - zojlde(n) in - ingezeld

1. Inslapen, indoezelen.

E[j] s ingezeld. = Hij is ingedoezeld.

Zie ook: inzojlvalle.

 

inzojlvalle

ww, verv: val in zojl - viel in zojl - inzojlgevalle

1. Inslapen, indoezelen.

E[j] s inzojlgevalle. = Hij is ingedoezeld.

Zie ook: inzojle.

 

 

Laatste wijziging 30-05-2013 - Toevoeging
10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl