A  B
 C  D
 E  F
EA
EK
EP
ET
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

bbewbbe

zn (nen), mv: bbewbbes

1. Domoor, dommerik; wordt vaak gebruik in een meelijwekkende betekenis.

Kom[d] agaa[j] ie, sen bbewbbe, da 'k ik da doen. = Geef het maar aan mij, sukkelaartje, ik zal het wel doen.

 

chel

zn (nen), mv: chels - verklw: cheltsje (een)

1. Bloedzuiger. [>Nl. egel !]

A'k ik klaan was n me ginge speele[n] oep 't Schrrep Zant, dn zte d steekelbakskes n chels in de bejk. = Toen ik jong was speelden we op het Scherp Zand ; in de beek die daar langs liep zaten stekelbaarsjes en bloedzuigers.

chels zette = therapie waarbij bloedzuigers op de huid werden gezet om ziektekiemen op die manier uit het bloed te halen.

Zoo zaat as een chel = heel zout, erg naar zout smakend.

 

chtechntchtech

bijw

1. Echt waar, oprecht, naar erewoord.

Naa meegde mij chtechntchtech geloove, zlle! = Nu mag je me echt geloven, hoor!

 

k / kes

uitroep

1. Bah!

Toen za'k ik d inijns zoon dikke spin zitte... kes! = Ik schrok me rot toen ik daar plotseling een heel grote spin zag zitten. Bah!

 

ke

zn (een), =verklw, mv: kes

1. Knikker. Afkomstig van het hoofdwoord , dat echter maar raar of zelden wordt gebruikt.

'k m ne[n] ijle zak m kes. = Ik heb een hele zak knikkers.

Vroeger stond dit woord voor een knikker die de kinderen zelf hadden gerold uit klei (eerder ongelijkmatige vorm).

 

 

eele / eule

bez vnw

1. Van hen, van hun.

z'mme[n] eele klijre gepakt n ze zn deugegn. = Ze hebben hun kleren bij elkaar geraapt en dan zijn ze vertrokken.

 

mprmjaabel

zn, (nen), mv: mprmjaabels - verklw: mprmjaabeltsje (een)

1. Regenjas, jas in niet-waterdoorlatende stof, regenjas. [>Fr. impermable]

'k Aa een plk gemokt oep menen mprmjaabel, m da kunde zllef ni wasse want dn lt em wter deu. 'k Zal em n de kesserij moete doen. = Ik heb een vlek gemaakt op mijn regenjas, maar je kan dat zelf niet wassen om de ondoordringbaarheid dan weg is. Ik moet die jas dan maar naar de stomerij brengen.

 

Zie ook: prmjaabel.

 

eene

bijw

1. Heen, naartoe, uitdrukking van beweging. [>NL. heen]

W da m'eene gewst zn? Aa n de foor! = Waar we naartoe geweest zijn? Naar de kermis!

 

eer / eur

bez vnw

1. Van haar, haar.

Zij[d] eure vnt lte zitte. = Ze heeft haar man verlaten.

 

r

zn, (een), geen mv, geen verklw

1. Houding, air, pose.

Zie naa[j] s m wa[d] een vojl r da da smejrlappeke d st! = Let maar eens op de arrogante houding van die verwerpelijke kerel!

In plets van zoo'n r t'mme, zodde bejter wa vrindeleker zijn teege mij! = Je zou beter vriendelijk zijn tegen mij, in plaats van zo een toon tegen mij aan te slaan!

 

 

t

zn (een), mv: te - verklw: tsje (een)

1. Erwt.

tsjes kunde zoowl gedroogd as vs koope. = Erwten kan je droog en vers kopen.

 

2. Ook figuurlijk gebruikt om het oog of het hoofd aan te duiden. Mogelijk omdat zowel een erwt als een oog bolrond zijn.

Ze zgge[n] altij as g'een blaa[j] t t da g'er ne raaven bifstuk moet oeplgge. Zaa da naa[j] cht iet geeve? = Men beweert dat je een rauwe biefstuk op een blauw oog moet leggen. Zou dat echt helpen?

 

tsoep

zn (de), mv: - verklw: tsoepeke (een)

1. Erwtensoep.

tsoep wert rap zier. = Erwtensoep verzuurt makkelijk.

Elt d'tsoep m van 't vuur, vee da's nzt. = Neem de erwtensoep van het vuur, vooraleer ze aanbrandt.

tsoep m kesjes. = Erwtensoep met gebakken broodkorstjes.

 

2. Ook figuurlijk.

Wie ejt er sojker in d'tsoep gedaan? = Wie heeft dat hier gedaan? Wie heeft er hier deugnieterij gedaan? Wie heeft er hier een streek uitgehaald?

 

eevezijdeg

bijv nw, tvgl: eevezijdeg - eevezijdeger - eevezijdegst

1. Parallel, evenwijdig.

Die strte loope[n] eevezijdeg. = Die straten lopen parallel.

Zie ook: gelijkwijdech.

 

 

ffe

bijw

1. Even, van gelijke waarde, quitte, niets meer schuldig.

A'k aa tees beteuld m, dn zn m'ffe. = Als ik je dit betaald heb, dan zijn we quitte.

 

ffenaf

bijw

1. Echt, oprecht.

't s ffenaf rreg. = het is echt heel erg.

Dij[n] ej naa ffenaf in mene nees gebeete. = Die heeft echt waar in mijn neus gebeten.

 

ejch

zn (den), geen mv.

1. Gekneed brood, zoals het bijv wordt gebruikt in de voederballen bij het vissen (?)

 

2. Werktuig dat werd gebruikt door de boeren (?)

 

ejrink

zn (nen), mv: ejringe - verklw: ejrinkske (een)

1. Bakharing, haring. [>Oud Dts harinc, herinc] [>Eng herring] [>Lat Clupea harengus]

Vruuger te de mnse dikkels ejrink oemda da goejekoop was. Naa knne de mnse da zoo nemij. = Vroeger aten de mensen vaak haring vanwege de lage prijs. Tegenwoordig is de haring veel minder bekend in de keuken.

g'Ot gedocht va mij s goe doen te verschiete, m[r] aaven ejrink g ni br, znne manneke! = Je had gedacht dat je me flink zou doen schrikken, maar je verwachting zal niet worden vervuld hoor, kereltje!

 

 

 

ejvegoe

bijw

1. Even zo goed, evengoed, evenzeer.

'k Aa ejvegoe inijns n[r] ie kunne komme, in plets van nog langs den Dre te gn, want et was al toe. = Ik had evengoed direct naar hier kunnen komen, in plaats van langs Isidoor (hier de naam van een supermarkt) te gaan, want de zaak was al gesloten.

 

ejvelank

bijw

1. Even lang, van gelijke lengte, grootte of tijdsduur.

Of da ge naa langs d'ottoostraade rdt of langs de binnewgskes, da duurt ejvelank. = Of je nu langs de snelweg of binnendoor rijdt, het zal even lang duren.

Onze Zjf s twij jr joenger as ons Mrieke, m ze zn ejvelank. = Onze zoon Jozef is twee jaar ouder dan onze dochter Marietje, maar ze zijn even groot.

Zie ook: alejvelank.

 

ejverks

bijv nw, tvgl: ejverks - ejverkser - ejverkst

1. Averechts, verkeerd, tegendraads.

Wroem zdde gij naa altij zoo ejverks? = Waarom ben je altijd zo tegendraads?

 

ejverkse

zn (nen), mv: ejverkse

1. Tegendraads persoon, dwarsligger, iemand die averechts doet.

Gij sen ejverkse vnt! = Jij bent een dwarsligger.

 

2. Homofiel.

Dij zal ni traave, want da's nen ejverkse. = Die man zal niet trouwen want hij is homo.

 

 

ejverksoem

bijw

1. Omgekeerd, ondersteboven, binnenstebuiten.

'k m mene frak ejverksoem n. = Ik heb mijn jas binnenstebuiten aangetrokken.

 

ejveveel / ejveveul

bijw, bijv. nw., tvgl: -

1. Evenveel, een gelijke hoeveelheid, een gelijk bedrag of waarde.

'k Zn passdde wejk n de soldes gewst, n oemda'k niks n men goesjting von zn ek m[j] ejveveul snte truggekomme as da'k vertrokke was. = Vorige week ben ik op koopjesjacht gegaan, maar omdat er niets naar mijn zin te vinden was ben ik met evenveel geld teruggekomen als waarmee ik vertrokken was.

Mokt aa ni[j] ongerist: of da ge naa in frange of in euroos betelt, et kost ejveveel. Allee... da zaa toch moete. = Maak je geen zorgen: of je nu in Belgische frank of in Euro's betaalt, het kost even veel. Nu ja... zo zou het toch moeten zijn.

 

ejze

ww, verv: ejs - ejsde - gejsd

1. Vogelouders die hun jongen voeren, door eerst zelf voer te zoeken en op te eten, en deze voorgekouwde massa dan door de jongen uit hun bek te laten nemen. Waarschijnlijk afkomstig van het woord 'hijsen' wat onder andere staat voor 'met moeite naar boven halen'.

m'mme ne nst musse in onzen of, n 't s schoon oem te zien oe da d'aavers n eule joengskes aan 't ejze zn. = We hebben een mussennest in onze tuin, en het is mooi om toe te kijken als de ouders hun jongen voeren.

 

 

Laatste wijziging 01-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl