A  B
 C  D
 E  F
EA
EK
EP
ET
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

ekik

pers vnw

1. Ik, de eerste persoon enkelvoud.

Toen Žm'ekik gezij datta ni kon! = Toen heb ik gezegd dat het onmogelijk was.

Zie ook: ikke.

 

Žksporreke

zn (een), =verklw, mv: Žksporrekes

1. Exportbier, bier van betere kwaliteit dat bedoeld is voor de export.

GŽft mij m‚‚r een Žksporreke. Da's veel fŤnder as a pilske. = Geef mij maar een glas exportbier. Dat is fijner dan een pilsje.

 

ŽkstermŤnt

zn (een), mv: ŽkstermŤnte - verklw: ŽkstermŤntsje (een)

1. Muziekinstrument.

WŽllek ŽkstermŤnt spŽlde gij? Ik speel den boembardon. = Welk instrument bespeel jij? Ik bespeel de tuba.

 

Žllefuurelijk

zn (een), mv: -

1. Iemand die begraven wordt in een Žllefuuremis.

"Sebiet nog een Žllefuurelijk, Ťn onzen dag zit er wŽral oep!" zaa de keŁster. = "Nog een begrafenismis om elf uur, en onze dagtaak zit erop!" zei de koster.

 

2. Persoon die er bleek en ongezond uitziet.

D‚‚[r] Žs persies iet mis mŽ diŽj vŤnt wan e zie zooŽ bliŽjk as een Žllefuurelijk. = Hij voelt zich precies niet lekker want hij ziet erg bleek.

 

Žllefuuremis

zn (een), mv: Žllefuuremisse - verklw: Žllefuuremiske (een)

1. Kerkelijke ceremonie die om elf uur begint. [>Nl. elfuurmis]

WŤlle zŤn getraad in een Žllefuuremis oemda me derveu ni vruuger oep 't gemiŽjntenoÔjs binnen konne. = Wij zijn kerkelijk getrouwd in een mis om 11 uur, omdat we moesten rekening houden met beschikbare tijd voor het burgerlijk huwelijk.

 

 

Žllegoe(t)

zn (et / -), mv: -

1. Ellenwaar, stof, linnen, textiel dat op rol in de winkel ligt om daar per lopende meter (vroeger per el) verkocht te worden. Een el heeft een lengte van ongeveer 69 cm, en is gebaseerd op de lengte van de menselijke arm, dus van de vingertoppen tot aan de oksel. Om de stof te meten, maakte men gebruik van een ellenstok, die uiteraard 69 cm lang was. Bij de overstap naar het tiendelig stelsel gebruikte men een stok van 1 meter of 100 cm, maar men bleef spreken over de ellenstok.

As ge goe Ťn goejekooŽp gestŽld wilt zijn veŁr e kliŽjke, dŤn kund'aa Žllegoe 't best oep de mŤt kooŽpe. = Als je voordelig en toch aan behoorlijke kwaliteit stof wil kopen voor een jurk, dan raad ik ja aan om je ellenwaar op de markt te halen.

 

ŽllekiŽjre

onbep. vnw.

1. Elke keer weer, altijd opnieuw, steeds weer.

Naa begin ek et stillekes‚‚n oep men sŤskes te krijge! Da's naa ŽllekiŽjre da'k aa moet zŽgge w‚‚ da ge de nat'antoeke moet lŽgge as g'oÔjt aa bad komt, Ťn toch smŤtte ze ŽllekiŽjre gewooŽn oep de grond! = Mijn geduld begint nu echt op te geraken! Elke keer weer moet ik je zeggen waar je de natte baddoeken moet laten als je in bad geweest bent, en toch werp je ze telkens weer op de grond!

 

Žllenbrander

zn (nen), mv: Žllenbranders

1. Donkerbruine kever.

 

Žllentrik

zn (den), mv: -

1. Elektriciteit.

A ge giŽjnen Žllentrik Žt, kunde de lampe ni[j] ‚‚nsteeke. = Als er geen elektriciteit is, werkt de verlichting niet.

 

2. Elektriciteitsbedrijf.

De manne van den Žllentrik zŤn d‚‚strak gewŽst. = De werkmannen van het elektriciteitsbedrijf zijn een tijdje geleden langsgekomen.

'k ZŤn men reÔjkening vergeete te bet‚‚le Ťn naa moet'ek zŽllef n‚‚ den Žllentrik g‚‚n oep 't PlŤntsje vŽ de meeter trug l‚‚te[n] ‚‚n te sloÔjte. = Ik vergat mijn elektriciteitsrekening te betalen, en nu moet ik naar het filiaal van de elektriciteitsmaatschappij op het Van Landeghemplein, om te vragen de stroom terug aan te sluiten.

 

 

Žllepe

ww, verv: Žllep - illep - gollepe

1. Helpen.

Kom Swatsje, Žllept gij ons moeke m‚‚r Žs van de vŽddenoen. = Komaan kleine Frans, help jij mama maar eens, deze voormiddag.

MŽ[j] al aave goeje r‚‚t Ždde mij van de kant in de grŤcht gollepe! = Met al je goede raad, heb je me van kwaad naar erger geholpen!

Kan 'ek aa[j] Žllepe? = Kan ik u helpen? Kan ik u (met iets) van dienst zijn.

 

Žm

zn (een), mv: Žmme / Žmdes - verklw: Žmmeke (een)

1. Hemd, zowel het textiel dat als onderkledij wordt gedragen, als voor de bovenkledij bedoeld. Het verkleinwoord wordt echter meestal gebruikt om een onderhemdje of een T-shirt aan te duiden.

'k Zal bij de Trwaswiskes Žs a p‚‚r Žmmekes bestŽlle, want 'k Žm er ni veul nemiŽj. = Ik zal bij de Trois Suisses een paar onderhemdjes bestellen, want ik heb er niet zo veel meer.

Da grien Žm vin ek e schooŽn, m‚‚[r] as ge da mŰŰf ‚‚n Žt moet ek altij ‚‚n onze pastooŽr dŤnke. = Dat groene hemd staat je goed, maar als je dat purperkleurige hemd draagt dan doe je medenken aan onze pastoor.

IŽjst spŽlt em alle weÔjke veŁ duuzend frang of miŽjr oep de Lotto, Ťn naa verschit em er van dat em in zen Žm st‚‚! = Hij speelt al geruime tijd met de Lotto voor meer dan duizend frank per week, en nu is hij verwonderd dat hij zijn schulden niet meer kan betalen!

 

Žmme

ww, verv: Žm - aa - gat

1. Hebben.

m'ňmme'r al. = We hebben er al.

m'ňmme't al gezien. = We hebben het al gezien.

Moete noch wa soep Žmme? = Lust je nog een beetje soep?

ňmme[n] Žs Žmme, m‚‚ krijge[n] Žs de kinst! = Wat men heeft is een zekere zaak, maar het is niet altijd vanzelfsprekend dat men het makkelijk krijgt. Letterlijk "hebben is hebben - maar krijgen is de kunst".

wa moet Žmme? = wat wil je? wat wil je hebben? wat wil je voor mekaar krijgen?

 

Žmmer

zn (nen), mv: Žmmers - verklw: Žmmerke (een)

1. Iemand die veel wil hebben, gulzigaard.

Gij zŽ nen Žchte[n] Žmmer. = Jij moet altijd alles hebben.

 

 

Ťmparleur

zn (nen), mv: Ťmparleurs - verklw: ŤmparleŁrreke (een)

1. Luidspreker. [>Fr. haut-parleur]

In de sinnemaa ang'er grooŽt Ťmparleurs oem veel lawaat te kunnen m‚‚ke. VŽ soemege fillems Ždde da Žcht nooŽdeg. = In de bioskoop gebruikt men meestal zware luidsprekers om veel geluid te kunnen maken. Voor sommige films draagt dat trouwens bij aan het effect.

 

Zie ook: boks, ooparleur.

 

Žm(t)smaa

zn (een), mv: Žm(t)smaave - verklw: Žm(t)smaake (een)

1. Hemdsmouw, mouw van een hemd.

Alle d‚‚ge[n] een drotsje mokt een Žm(t)smaa oep e j‚‚r! = Letterlijk: alle dagen een draadje geeft een hemdsmouw op het einde van het jaar. Men bedoelt eigenlijk: vele kleintjes maken een grote.

 

Žnne

bijw

1. Heen, uitdrukking van richting, beweging ergens naar toe.

W‚‚ g‚‚de gij Žnne? = Waar ga je naartoe?

G‚‚de gij d‚‚r Žnne? - Da weete 'k ik ni zŽnne, da'k ik d‚‚r Žnne g‚‚n! = Ga jij daar naartoe? Dat weet ik nog niet, of erheen ga!

Zie ook: eene.

 

ŤnnendrŽk

zn (den), verzamelbegrip

1. Eenden- of hennenmest.

DiŽjn boer doe[d] ŤnnendrŽk oep ze lant. = Die landbouwer gebruikt kippenmest op zijn land.

 

2. Figuurlijk gebruikt om moeilijkheden of problemen aan te duiden.

E zat tot ‚‚n zene kop in den ŤnnendrŽk. = Hij zat tot over zijn oren in de problemen.

 

 

Laatste wijziging 30-05-2013 - Toevoegingen
01-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl