A  B
 C  D
 E  F
EA
EK
EP
ET
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

ps

zn (d'), mv: pse - verklw: pske (een)

1. Hesp.

Ne pistolee m ps. = Een broodje met hesp.

Ondert gramme[n] ps. = Honderd gram hesp.

 

2. Figuurlijke aanduiding van billen.

Die[j] ej nogal pse. = Die heeft dikke billen.

 

rreg

bijv nw, tvgl: rreg - rreger - rregst

1. Erg, niet prettig, onaangenaam.

Een rrege tik. = Een vrouw die zich niet laat doen, die zich niet op het hoofd laat zitten.

d'Ooverstrooming van Rojsbroek, da was toch rreg ee! = De overstroming in Ruisbroek was een onaangename gebeurtenis!

 

rregt

zn (nen), mv: rregte - verklw: rregotsje (een)

1. Iemand die vrank zijn mening te kennen geeft zonder daar verder bij na te denken of er iemand gekwetst wordt of niet. Wordt ook gebruikt om een stout kind of een kind dat een grote mond opzet of dat makkelijk tegenspreekt aan te duiden.

In de loop van't jr gn ek e pr kijre n[r] Ollant veu van alles te koope wa ze bij ons ni[j] mme. M die[j] Ollanders zn wl rregte a ge ze teege de mnse beezeg oort! = Een paar keer per jaar ga ik naar Nederland om dingetjes te kopen die je in Belgi niet vindt. Maar Nederlanders vind ik wel vranke types, zeker als je ze tegen iemand hoort praten!

Oemda ge zoone'n rregt gewst z Pooleke, meugde ve[r] aa straf in den oek gn stn n krgde gijn bees! = Omdat je zo vrank geweest bent Paultje, mag je als straf in de hoek staan en krijg je geen snoepje!

Zie ook: frankt.

 

rregetik

zn (een), mv: rregetikke - verklw: -

1. Vrank meisje, meisje dat niet vlug vervaard is, meisje dat alles durft.

Ge derreft n de mijster ni vrge of da ge e woensdag g wandele? Stkt da m[r] oep n Mrrieke. Da's een rregetik die[j] alles derreft. = Je durft niet aan de leraar vragen om woensdag te gaan wandelen? Fluister dat Marietje maar in. Ze is niet gauw vervaard en durft het waarschijnlijk wel vragen.

 

 

rreke

zn (een), =verklw, mv: rrekes

1. Liedje, melodietje, deuntje. Gewoonlijk in de verkleinvorm gebruikt. [>Fr. air] [>It. aria]

'k Zal sebiet s een rreke zinge[n] ojt de lustege weef van Ljaar. = Ik zal seffens een aria ten beste geven uit de operette "de Lustige Weduwe" van Lehar.

Da[d] rreke splt al ijl den dag deu mene kop. = Dat deuntje klinkt al de hele dag door mijn hoofd.

 

2. Ook in de meer figuurlijke betekenis: een slechte gewoonte hebben, er verstand van hebben om, houding (eerder negatief of minachtend bedoeld), het altijd net aan boord weten te leggen. [>Fr. air]

Een ejt er een rreke va wg oem dej klaane zene kop zot te mke van beeze, zjest as me moete gn eete! = Hij heeft de slechte gewoonte om dat kind aan snoep te doen denken, op het moment dat we aan tafel moeten.

 

rrem

zn (nen), mv: rreme - verklw. rrem(p)ke (een)

1. Arm, lichaamsdeel.

M zoo'n lang rreme kund overal n. = Als je zulke lange armen hebt, kan je overal bij.

Z'n rreme[n] oepstroope = zijn mouwen oprollen.

 

bijv nw, tvgl: rrem - rremer - rremst

2. Arm, pover, niet rijk.

'k Zaa dij[n] rreme mns wille ne pot soep wgdoen... = Ik neem me voor om die arme man een portie soep te brengen.

Ge zie[d] oe da'ta ch ... den ijne[n$ dag rijk n den anderen dag rrem. = Het kan verkeren ... de ene dag ben je rijk en de dag erna ben je arm.

 

rre(m)bol - rre(n)bol

zn (nen), mv: rre(m/n)bolle - verklw. rre(m/n)bolleke (een)

1. Knikker, balletje van gebakken aarde, steen, marmer of glas, tot een kinderspel dienend. Afgeleid van het gewestelijk woord "marbel".

Oep de speelplets speele de joenges in de zomer dikkels m d'rrebolle. = In de zomer spelen de jongens op de speelkoer vaak met de knikkers.

Zie ook: mrrembol.

 

rre(m)bolle - rre(n)bolle

ww, verv: rre(m/n)bol - rre(m/n)bolde - grre(m/n)bold

1. Knikkeren, met de knikkers spelen.

'k m een pist gemokt in den of... Gde glle mee rrembolle? = Ik heb een parcours gemaakt in de tuin... Gaan jullie mee met de knikkers spelen?

 

 

rremoej

zn (d'), mv: -

1. Armoede, ontbering.

rremoej laa. = Armoede lijden, veel ontberen.

rremoej troef!  = Hier is het toch wel duidelijk erge armoe.

 

rremoejlaar

zn (nen), mv: rremoejlaa(e)rs - verklw: rremoejlaaerke (een)

1. Armoezaaier, arm persoon, iemand die altijd geldgebrek heeft, iemand die niet veel geld heeft of bijna nooit rond komt met de eigen middelen.

M sukkelrreke toch! Sebiet paaze de mnse nog da ge nen rremoejlaar z! = Ocharme, sukkeltje toch! Je slaagt er nog in iedereen te doen geloven dat je helemaal niet hebt!

 

Zie ook: rremoezer.

 

rremoejzr

zn (nen), mv: rremoejzrs

1. Armoedig man, armoezaaier (ook figuurlijk).

Zodde dij[n] rremoezr naa gijn vijf frang geeve? = Zou je die arme sukkelaar geen aalmoes geven?

 

Zie ook: rremoejlaar.

 

rremzleg

bijv nw, tvgl: rremzleg - rremzleger - rremzlegst

1. Armzalig, armoedig, pover, miserabel. [>Dts. armselig]

In wa[d] een rremzleg eske went da mnske naa! = In wat een armoedig huisje woont dat vrouwtje toch!

 

 

rre(n)bol

zn (nen), mv: rre(n)bolle - verklw: rre(n)bolleke (een)

1. Knikker.

Ochijre, n ejtem ze zakske[n] rrebolle verloore! = De sukkelaar heeft zijn zakje met knikkers verloren.

Zie ook: mrrebol, mrrembol.

 

rreuze

zn (d'), mv: -

1. Opwinding, misschien zelfs razernij, ergernis, nervositeit, gespannenheid, problemen, miserie.

Dijn aave sloeber s gesterreve van rreze. = Die ouwe sukkelaar is gestorven van de miserie die hij kende.

Zie ook: arreze.

 

rrewrre

zn (nen), mv: -

1. Warboel, puinhoop.

Ze wre[n] n't lawaat mke, n ik doecht van gn't ellepe. M wa was da d veu nen rrewrre, sch! = Ze waren aan het ruzin en ik dacht om hulp aan te bieden. Maar wat was me dat een warboel!

 

 

Laatste wijziging 01-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl