A  B
 C  D
 E  F
EA
EK
EP
ET
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

t

bijv nw, tvgl: t - tter - tst

1. Hard, niet mals noch zacht.

Nen tte stoel. = Een harde stoel, niet plezierig om op te zitten.

 

2. Hard, fel, heel erg, intens.

't s t n't rejgene. = Het regent hard.

 

zn (een), mv: tte (zelden) - verklw: tteke (een)

3. Hart.

'k m zijr n men t. = Ik heb pijn aan mijn hart.

Da's ne pak va m'n t. = Dat is een hele opluchting.

Atter iet oep aa t lej, zgget dn. = Als er iets op je lever ligt, zegt het dan.

"Mj e klaan tteke" wild ijgelek zgge da ge schrik t oem iet te doen of te vrge, of da ge ni goe deurreft, da g' ijgelek niet genoeg koereuzje[n] t. = "Met een klein hartje" betekent dat je een beetje bang bent om iets te doen of te vragen, af dat je iets niet durft, dat je eigenlijk niet voldoende moed hebt.

 

tlooper

zn (nen), mv: tloopers - verklw: tlooperke (een)

1. Hardloper, renner.

Oem drij[j] iere kwme d'jste[n] tloopers oover de streep. = Om drie uur kwamen de eerste renners aan.

trijs

zn (-), mv: -

1. Rijshout, takken en twijgen van wilgen of andere taaie maar rechtscheutige houtsoorten. Zo genoemd naar t (=snel) rijzend (=groeiend, in de hoogte klimmend) hout.

 

 

tte

zn (d'), mv: tte - verklw: tteke (een)

1. Kleur uit het kaartspel: harten.

Wie[j] ejt'tte tien? = Wie heeft harten tien?

'k Aa al d'tte[n] oep men ant. = Ik had bijna alle hartenkaarten in de hand, van bij de deelbeurt.

 

 

ttefrtter

zn (nen), mv: ttefrtters - verklw: ttefrtterke (een)

1. Hartenvreter, piekeraar, iemand die zich altijd zorgen maakt over alles en nog wat, iemand die nooit tevreden is en die overal kritiek op heeft. Iemand die bij alles bedenkingen heeft.

Da manneke vroeg ne lkker n zenen bompa, m dij[n] ttefrtter begon wral derkt te zgge[n] oe slcht da da wl s veu de tanne, n da tantiste zoo duur zn... = Het jongetje vroeg een lolly aan zijn opa, maar die hartenvreter reageerde onmiddellijk met te zeggen hoe slecht suiker wel is voor de tanden, en dat tandartsen zo duur zijn...

 

ttefrtterij

zn (d'), mv: -

1. Hartenvreterij, gepieker. Negatieve instelling om op alles kritiek te leveren en bij alles bedenkingen te hebben. Meestal met de bedoeling dat het gevraagde niet gegeven moet worden.

Zie[d] s wa rimpels in ze verooft! Da kom[d] allem deu d'ttefrtterij! = Kijk maar eens hoeveel rimpels hij heeft op zijn hoofd! Dat is een gevolg van altijd maar te zitten piekeren.

 

 

ttelek

bijv nw, tvgl: ttelek - tteleker - ttelekst

1. Hartelijk, goed afsmakend, versterkend, krachtig.

A ge ne zwre kaa[j] t n gijn goesting oem t'eete, kunde bst een tteleke zjat soep pakke. = Als je een zware verkoudheid hebt en daardoor geen trek om iets te eten, kan je beter een hartelijke kom soep nemen.

 

tzijr

zn (et/-), geen mv.

1. Pijn aan het hart, hartzeer.

Zie die bloejkes van kindere d naa in de kaa stn. D krij'k ik naa tzijr van, s. = Zie die schaapjes van kinderen daar nu in de kou staan. Dat doet me pijn aan het hart.

 

elle

pers vnw, mv.

1. Jullie.

't s n elle = het is jullie beurt.

bezitt. vnw

2. Jullie, hun.

Elle maa n elle paa zn oep rijs = jullie moeder en jullie vader zijn op reis / hun moeder en hun vader zijn op reis.

 

ellep

zn (een), verklw: ellepkes

1. Hulpje, iemand die een handje toesteekt.

M[j] al die miseere van onze paa dij gesterreve[n] s, moet ek toegeeve da'k n onze zoon een goej ellep m. = Met alle ongemakken van het overlijden van mijn man, moet ik bekennen dat onze zoon me echt goed geholpen heeft.

 

2. Uitroep als iemand in nood is. Hulp!

Vandenacht wier ek wakker oemda'k paasde da'k iemand "ellep" oorde roepe. 't Moet nog w gewst zijn ook, want bij den bijnaaver zaa ze dat er van de nacht iemand verdroenke was in de Vt. = Deze nacht werd ik wakker, omdat ik dacht dat er iemand om "hulp" riep. En waarschijnlijk was het nog juist ook, want bij de slager vertelde men dat er vannacht iemand verdronken was.

 

euning / eunink

zn (den), geen mv.

1. Honing, zoete stof, door de bijen uit bloemvocht bereid.

Euning wert gemokt deu de biekes. = Honing wordt geproduceerd door de bijen.

A'k een valling m, drink ek sves ne goeje grog. Ik mk da m tee, sintroen, een borrel rum n ne lejper eunink. = Als ik verkouden ben drink ik 's avonds een hete tas grog. Ik bereid dat met thee, citroensap, een glas rum en een lepel honing.

 

euningzjap

zn (-), geen mv

1. Drankje van water en honing (of zoethout?), kinderdrank die vooral in de zomer gewild is.Het drankje wordt bereid door een stukje zoethoutdrop / honing in een flesje water te doen, het flesje te sluiten en dan heel hard te schudden tot het drankje bruin kleurt.

 

 

eppeling / eppelink

zn (nen), mv: eppelinge - verklw: eppelingske / eppelinkske (een)

1. Matras, gevuld met kaf of bolletjes haar. Gewoonlijk hard maar veel goedkoper dan een echter rubber- of verenmatras.

'k Zal den eppeling van't bd oep d'achterkmer m[r] oepschudde veu da[d] aale kindere komme lozjeere. = Ik zal de matras van het logeerbed in de achterste kamer opschudden vr dat jullie kinderen op logies komen.

 

erregel

zn een), mv: erregels - verklw: erregeltsje (een)

1. Orgel.

t'Eregel van de krrek = het kerkorgel.

 

2. Wordt in verschillende uitdrukking ook met andere betekenissen gebruikt.

Amaj m'n erregel! = Uitroep van verwondering.

E stuk in z'n erregel emme. = Zich een stuk in zijn kraag gedronken hebben, dronken zijn.

Zoo zat as een erregel. = Erg dronken.

 

errek

zn (nen), mv: erreke - verklw: errekske (een)

1. Persoon die er van houdt anderen te kwellen. [>Nl. hurk]

Da's naa cht nen errek vanne vnt - dij lejft allijn m oem ander mnse te kloote! = Dat is iemand die het anderen graag moeilijk maakt - hij heeft er alleen maar plezier in om andere mensen te pesten.

 

 

eske

zn (`t), =verklw, mv: eskes

1. Letterlijk: huisje.

Ze woone[n] in e klaa[n] eske. = Ze wonen in een heel klein huisje.

 

2. Wordt gebruikt om de W.C. aan te duiden. Dit is een overblijfsel van het huisje dat vroeger in de tuin werd geplaatst, en waar de W.C. was.

'k Moet s n 't eske! = Ik moet eens naar het toilet.

 

ets

zn (een), mv: etse - verklw: etske (een)

1. Lorrie, boomlorrie, kar met hefboom om iets op te tillen en daarna te vervoeren

z'mme van de wejk tllefonple gebrocht m den ets van de wrref. = Deze week heeft men telefoonpalen gebracht met de lorrie van de gemeentewerf.

 

ezzel

zn (een), mv: ezzels - verklw: ezzelke (een)

1. Horzel, familie van grote vliegen [>Lat. Oestridae], waarvan de larven parasitair in zoogdieren leven.

Van ezzels moete gijne schrik mme want die steeke ni. Balve natierlek as g'er eene slgt. = Voor horzels hoef je niet bang te zijn want die steken niet. Tenzij je hen bedreigt, natuurlijk.

 

zn (den), mv: ezzels - verklw: ezzeltsje (een)

2. Unster, weegtoestel dat door handelaars werd gebruikt bij het venten. Het toestel heeft ongelijke armen: aan de korte arm hangt de last, terwijl aan de lange een gewicht verschoven wordt.

Zt dij zak bloem m oep den ezzel, dn zal ek aa s derkt zgge oeveel dat em weegt. = Zet de bloemzak maar op de unster, en dan zeg ik je onmiddellijk hoeveel ie weegt.

 

 

Laatste wijziging 30-05-2013 - Toevoegingen
01-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl