A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
VA
VE
VER
VERL
VES
VI
VO
VR
 W  X
 Y  Z

voddelinge

uitroep

1. Uitroep van een persoon die rondloopt door de straten en oude vodden verzamelt. De uitroep is afkomstig van het luide roepen van de vraag: vodde ligge? = heb je vodden liggen?

Elke voddenopkoper had zijn eigen manier om de woorden te roepen.

 

voddeloes

zn (een), mv: voddeloeze - verklw: voddeloezeke (e)

1. Ter vervanging van een fopspeen. In een zakdoek wordt suiker gedaan en de zakdoek wordt toegeknepen. Het builtje wordt in een suikerdrankje gedept, en dan in de mond van het kind gestopt, om het stil te houden.

Stkt agaa een voddeloes in dij klaane ze montsje. Dn zal em ze smoeleke wl aave. = Stop vlug een voddeloes (= fopspeen) in dat kindje zijn mond. Hij zal dan niet meer wenen.

 

Zie ook: sojkerloes

 

voddemarsjan

zn (ne), mv: voddemarsjans

1. Handelaar in vodden en ander gebruikt goed.

De voddemarsjan roept altij "voddelinge" [n]assem in't strt komt. = De voddenhandelaar roept altijd voddelinge als hij de straat in komt.

 

voddestok

zn (ne), mv: voddestokke - verklw: voddestokske (e)

1. Paraplu, regenscherm, letterlijk een stok met een "vod" of een lap erbovenop.

Zt aave voddestok mr in de prrepluubak, veu da ge vdder komt. = Zet je paraplu maar in de paraplubak, voor je verder komt.

 

voddevnt

zn (ne), mv: voddevnte - verklw: voddevntsje (e)

1. Letterlijk: voddenman, handelaar in oude waren.

D went Wannes de voddevnt. = Daar woont Wannes de voddenhandelaar.

2. Figuurlijk: negatieve aanduiding voor een man, waarmee men stelt dat hij weinig goed doet; een nietsnut.

'k m liever da'ta voddevntsje[n] ie bojte blft. = Ik vind het beter dat die nietsnut hier niet binnenkomt.

 

voddewijf

zn (e), mv: voddewijve - verklw: voddewfke (e)

1. Letterlijk: oude vrouw die oude vodden ophaalt. Meestal wordt het verkleinwoord gebruikt.

'k m n da voddewfke agaa wa[d] aa klijre gegeeve[n] oem te verkoope. = Ik heb aan dat vrouwtje oude kleren gegeven, die ze kan verkopen om wat geld te hebben.

 

2. Figuurlijk: negatieve aanduiding voor een klein en dom vrouwtje.

A't da voddewijf na paast da die[j] ie[r] eur wtten te stlle[n] ej, dn zal'ek eur s goe[d] inpejpere wie dad ie den bs s. = Als die domme vrouw denkt dat zij bepaalt hoe het er hier aan toe gaat, dan zal ik haar eens heel duidelijk zeggen wie hier het laatste woord heeft.

 

voddezjoo

zn (een), mv: voddezjoos - verklw: voddezjooke (e)

1. Meisje dat niet veel waard is. Meisje met veel streken dat eigenlijk niets kan, of te lui is om iets te doen.

Zod'aa anne[n] s ni[j] ojt aa maave steeke, voddezjoo! = Zou je eindelijk eens niet helpen, luie meid!

 

 

voejere

ww, verv: voejer - voejerde - gevoejerd

1. Voederen, eten geven.

dde gij de bijste[n] al gevoejerd? = Heb je de dieren hun eten al gegeven?

 

2. Een voering aanbrengen.

Ne gevoejerde mantel s duurder as ijne dij ni gevoejerd s. = Een mantel met een binnenvoering kost meer dan n die geen voering heeft.

 

voejering

zn (de/een), mv: voejeringe - verklw: voejeringske (e)

1. Voering, waarmee iets langs de binnenkant bekleed is (vnl. bij kledingstukken of tekstielwaren).

Aa voejering angt ojt. = De voering (van je jurk, van je broek, ...) is losgekomen en hangt onderaan uit het kledingstuk.

As ek ik klijre drg zonder voejering, dn doen ek toch altij ijst nog komminnezn aan, znne. = Als ik kleren draag die niet gevoerd zijn, trek ik altijd eerst een onderjurk aan.

 

2. Wordt ook gebruikt om vulmateriaal aan te geven, bijv. bij meubilair, zitkussens,...

D was een ijl scheur in de zitting van den ottoo, zoo groot da de voejering derdeu komt. = Er is een scheur in de bekleding van de autozetel, zo groot dat je het vulmateriaal ziet zitten.

 

voenk

zn (een), mv: voenke - verklw: voenkske (e)

1. Neus die groter is dan gewoonlijk, neus van groot formaat.

As mannen aaver werre, groejt eule neus. Onzen bompa ejd ook zoon voenk, dad mijn klaan manne d vruuger schrik van aa! = Als mannen ouder worden, wordt hun neus groter. Opa heeft ook zo'n grote neus, dat mijn kinderen er in het begin bang voor waren.

 

2. Slag, klap, harde stoot of por.

Imant een voenk teege[n] zen oore geeve = Iemand een flinke oorvijg geven...

N da die twij ottoos oepijngebotst wre, schoot er van dij roo ni veul nemijr oover. Da moet nogal een voenk gewst zijn! = Nadat dit twee auto's gebotst waren, bleef er van die rode (auto) niet zo veel meer heel. Dat moet een flinke klap geweest zijn!

 

Zie ook: zoorotasvoenk.

 

 

voet

zn (ne), mv: voete - verklw: voetsje (e)

1. Voet.

'k m zijr n men voete. = Mijn voeten doen pijn.

Toen as'em die rojt aa ojtgesjot ejt'em nogal onder z'n voete gekreege znne... = Toen hij die ruit had gebroken (met voetballen) heeft hij heel veel ruzie gekregen.

 

2. Figuurlijk.

't s van m'n voete, joeng! = Het is waardeloos, het helpt niet, het lukt niet.

A'se da te weete komme, dn gn ek onder men voete krijge. = Als ze dat vernemen, dan ga ik ruzie krijgen.

 

voet doen

ww, enkel infinitief

1. Haasje over spelen.

A'm oep kamp zn m de chieroo in d'Ardnne, aave me de joengste mannekes soems beezeg m voet doen. = Als we met de Chiro op kamp zijn in de Ardennen, vermaken we de welpjes nog al eens door haasje over te spelen.

 

vojlbak

zn (ne), mv: vojlbakke - verklw: vojlbakske (e)

1. Vuilnisbak, afvalbak; wordt ook nu nog gebruikt om de huidige vojlzakke aan te duiden.

Ijne kij per wejk le ze de vojlbakke[n] oep. = Een keer in de week wordt het huisvuil opgehaald.

 

2. Figuurlijk: iemand die alles lust en eet. Deze persoon is gewoonlijk ook bereid de restjes in potten en pannen op te eten.

Krg[d] aa talloor ni oep? Gft m[r] ie, 'k sal ekik wl vojlbak speele! = Krijg je je bord niet leeggegeten? Geef maar hier, ik zorg er wel voor dat het leeg geraakt.

 

vojlbakkes

zn (e), mv: vojlbakkese - verklw: vojlbakkeske (e)

1. Kwaadspreker of -spreekster, iemand die slechte dingen zegt over anderen.

Ach'alles wilt weete, dn vrgd'et m[r] n da vojlbakkes, want die wt alles. = Als je de laatste nieuwtjes wenst te kennen, dan vraag je het maar aan die roddelaarster die van alles op de hoogte is.

 

vojlblk

zn (e), mv: vlojlblkke - verklw: vojlblkske (e)

1. Blik, vuilnisblik.

Pakt aa vojlblk n aa vejgerke[n] s, want 'k m gesmost! = Kom eens met stoffer en blik, want ik heb gemorst.

 

 

volang

zn (ne), mv: volangs - verklw: volangske (e)

1. Afboordsel. [>Fr. volant]

Oep z'n bd lej een spraa m ne volang. = Op zijn bed ligt een deken met afboordsel.

 

volangske

zn (e), = verklw

1. Letterlijk afboordsel. Hier figuurlijk bedoeld als een "aanhangseltje" dat het iemand moeilijk zou maken om te praten, of dat als resultaat heeft dat iemand lispelt.

Dij sprkt m[j] e volangske[n] n z'n toeng. = Hij lispelt.

 

vollesjoef

uitdrukking

1. Alles gevend, met alle mogelijke inzet, zonder terughoudendheid.

Da fijsje was vollesjoef beezeg - ze wren eule cht goed n't ammezeere. = Die party was in volle gang - ze waren zich kennelijk goed aan het vermaken.

Binneket s't wral lnte n dn doen ek groote kes. 'k Zal er weer s vollesjoef invliege. = Binnenkort begint de lent, en dat is voor mij de periode van de grote schoonmaak. Dan zal ik er weer eens met alle middelen tegenaan gaan.

 

volzitte

ww, verv: zit vol - zat vol - volgezeete

1. Letterlijk: helemaal gevuld zijn, afgeladen zijn.

De bus zat vol m[j] Detsrs die[j] oep wg zn n de kust. = De bus was afgeladen met Duitsers die naar de Belgische kust gingen.

 

2. Figuurlijk: zwanger zijn.

z's nog m vftien jr n ze zit al vol! W moet da[d] eene? = Ze is nog maar vijftien en ze is al zwanger! Waar gaat dat naartoe?

 

 

vontsjes

zn, =mv, =verklw

1. Vaantjes (lett: vlaggetjes).

't s wee n de vontsjes. = Het is weer naar de vaantjes, 't is om zeep, 't is stuk, het is waardeloos, het is nutteloos.

dde't wral n de vontsjes genekt? = Heb je het weeral stuk gemaakt?

 

voo

zn (een), mv: voos - verklw: vooke (e)

1. Vrouwelijk konijn.

E[n] aat konijne - e[n] ej[d] een voo n ne raar en binnenket klntsjes. = Hij houdt konijnen - een moer en een rammelaar, en waarschijnlijk weldra kleine konijntjes.

 

vool

zn (ne), mv: -

1. Sluier. [>Fr. voile]

Naa wer'et trug mode[n] oem ne vool te drge[n] oep een traaklijt. = Het wordt terug mode om een sluier te dragen als men huwt.

 

voos

bijv nw, tvgl: voos - voozer - voost

1. Niet knapperig meer (bij groenten), maar melig en waterig, voos.

De rodskes zn voos. = De radijsje zijn voos, ze zijn niet meer knapperig.

 

2. Een onlekker gevoel, als men zich erg vermoeid voelt of als men ziek wordt.

'k Voel me ni goe... 'k zen zoo voos as iet van binne, 'k paas da'k de grip gn krijge. = Ik voel me niet lekker, ik denk dat ik griep krijg.

 

3. Ook een toestand van ongevoeligheid, bijv. ten gevolge van een verdoving.

Me'ne mont s nog ijlem voos, naa da'k van den tantist kom. = Ik heb nog geen gevoel in mijn mond nu ik van de tandarts kom.

'k m m nen mer oep men ant geklopt n mene vinger s nog ijlem voos. = Ik sloeg met de hamer op mijn hand, en mijn vinger is nog steeds ongevoelig.

 

zn, (de), mv: vooze - verklw: voozeke (e) 

4. Versie.

Lt mij aa voos s oore. = Vertel me jouw versie van het verhaal eens.

 

5. Wijze, trant, manier, melodie, ...

Oep de voos van Sjarel. = Gezongen of gespeeld op de melodie van de filmmuziek "Bridge over the River Kwai".

Imant van de voos bringe. = Iemand van de wijs brengen, er voor zorgen dat iemand de draad van het verhaal kwijt raakt.

 

 

voogele

ww, verv: vogel - vogelde - gevogeld

1. De geslachtsdaad volbrengen, de liefde bedrijven.

Dij[n] s gn voogele nr e kotsje. = Hij is naar een bordeel gegaan.

 

voogelepik

zn (de/ne), mv: voogelepikke - verklw: voogelepikske (e)

1. Darts-spel. Spel waarbij men pijltjes naar een bord werpt en aldus punten scoort.

In't folksojs s't kampioenschap voogelepik. = In het volkshuis is er een darts-wedstrijd.

 

voogelepikke

ww, verv: voogelepik - voogelepikte - gevoogelepikt

1. Met de darts spelen, het pijltjesspel spelen.

Gistere zn ek gn voogelepikke, m 'k m gijne[n] ijne kij in de pot gesmeete. = Gisteren heb ik darts gespeeld, maar het lukte me geen enkele keer om in de roos te werpen.

 

voogeljr

zn (een), mv: voogeljre - verklw: voogeljrreke (e)

1. Vogelkooi; samentrekking van vogel en volire.

E[n] ej[d] een voogeljr me blaa prusje n gejl pappegs. = Hij heeft een vogelkooi met blauwe parkieten en gele papegaaien.

 

 

vr

zn (ne), mv: -

1. Vader.

't s gewonne[n] n gesponne ze vr. = Hij gelijkt helemaal op zijn vader. Hiermee wordt niet alleen het uiterlijk bedoeld.

 

vosse

ww, verv: vos - voste - gevost

1. Spelen, ravotten.

G gij bojte m wa vosse, want ie binnen zdde toch ni't aave. = Ga jij je buiten maar wat uitleven, want in huis kan je je energie toch niet kwijt.

 

2. Figuurlijk: ook als synoniem voor voogele of de liefdesdaad bedrijven, of om aan te duiden dat iemand vrijt.

E[n] s m ze lief gn vosse[n] oep 't Schrrep Zant. = Hij is met zijn verloofde gaan vrijen op het Scherp Zand.

 

vosseklaa

zn (een), mv: vosseklaa - verklw: vosseklaake (e)

1. Vossenklem, klem die geplaatst wordt met de bedoeling vossen te vangen.

As ge n't bos g moet oeppasse da ge ni[j] in een vosseklaa trapt. = Als je naar het bos gaat (wandelen), moet je opletten dat je niet in een vossenklem trapt.

 

vossing

zn (een), mv: vossinge - geen verklw

1. Pak slaag, pak rammel, rammeling.

Staate kindere moet vantijt een goej vossing geeve, want anders weete ze ni wie dat er bs s in ojs. = Stoute / ongehoorzame kinderen moeten af en toe een pak rammel krijgen, zodat ze niet vergeten wie het in het gezin voor het zeggen heeft.

 

Zie ook: vtting

 

 

Laatste wijziging 10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl