A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
VA
VE
VER
VERL
VES
VI
VO
VR
 W  X
 Y  Z

verlappe

ww, verv: verlap - verlapte - verlapt

1. Verkopen, van de hand doen, aan de man brengen, meestal met de nodige winst, versjacheren.

'k m die aa orlozje van onzen vv kunne verlappe ve duuzent frang. = Ik heb dat oude uurwerk van grootvader kunnen van de hand doen voor 1000 frank.

Probeerde gij naa dij okkozje n mij te verlappe? Ge wt toch da'k al allijn nief ottoos koop! = Probeer je nu om die occasie (-auto) aan mij te versjacheren? Je weet maar al te goed dat ik uitsluitend nieuwe auto's koop!

 

 

verlbberd

bijv nw

1. Er niet meer fris uitziend, verlept, onverzorgd, vervallen, aan lager wal geraakt, verloederd, slonzig geworden. [>Nl. verloederd]

Amaj! Wad dde gij meegemokt? Ge ziet er zoo verlbberd ojt! dde gij d'ondert meeter in 10 sekonde geloope? = Nou zeg! Wat is er jou overkomen? Je ziet er niet zo fris meer uit! Heb je misschien de 100 meter in 10 seconden gelopen?

Zept nog wa mijr! Ge ziet er nog ni verlbberd genoeg ojt! = Drink nog meer! Je ziet er nog niet verloederd genoeg uit!

 

2. Verslenst, slap, niet meer fris (voor bloemen). [>Nl. verlept]

Oemda'k weet da ge gejre bloeme zie, n oemda de die toch al wl wa verlbberd zn, m ek ne nieven boekee ver aa meegebrocht. = Omdat ik weet dat je van bloemen houdt, en omdat die tuil er nogal verflenst uitziet, heb ik voor jou een nieuw boeket meegebracht.

 

Zie ook: verlodderd

 

verleej(e)

bijw / bijv nw

1. Verleden, vorig, voorbij.

Verleej wejk moest ek ve me wrrek n den doktoor gn. = Vorige week moest ik in opdracht van mijn werkgever naar de dokter.

Verleej jr zmme n de Kosta Braavaa gewst, n van't jr gomme n de brrege. = Vorig jaar waren we op vakantie aan de Costa Brava, en dit jaar trekken we naar de bergen.

 

verleeschijter

zn (ne), mv: verleeschijters - verklw: verleeschijterke (e)

1. Verlegen persoon, bedeesd iemand, timide man of vrouw.

M mijn twij zoonen mme'k ik et toch nogal getroffe, znne! Den ijnen s ne schrikkeschijter n den anderen s ne verleeschijter! = Met mijn twee zonen heb ik het toch wel echt getroffen, hoor! De ene is een banghaas, en de andere is veel te verlegen!

 

verlk

zn (e), mv: verlkke - verklw: verlkske (e)

1. Afdruiprek voor de afwas, of aan de gootsteen.

Ik droog mijn talloore ne mij[r] af, m'k lt z'oep 't verlk stn. = Ik droog de borden niet meer af, maar laat ze drogen in het afdruiprek.

 

 

verlij

zn (et), mv: -

1. Tegenzin, afkeer, mr dan voldoende.

'k m zoo veel sprojte geete da'k er verlij van m. = Ik heb zoveel spruitjes gegeten, dat ik er nu meer dan genoeg van heb.

Da's naa[j] de tinde kij dat Zjulia vandg binne komt! Naa mme'k er stillekesn verlij van. = Dat is nu al de tiende keer dat Julia vandaag langskomt! Het volstaat nu wel.

 

verlierder

zn (ne), mv: verlierders - verklw: verlierderke (e)

1. Verliezer, iemand die de nederlaag lijdt.

Ik speel nemij m[j] aa want gij z ne slchte verlierder. = Ik wil met jou geen spelletjes meer doen, want je bent een slecht verliezer.

De winnejr mag oep bejwg n Schrrepeneuvel. n de verlierder mag zen koffers drge! = De winnaar mag op bedevaart naar Scherpenheuvel. En de verliezer mag (de winnaar) zijn koffers dragen. (Dit is wel sarcastisch bedoeld, en laat verstaan dat er geen beloning of prijs is voorzien, zomin voor de winnaar als voor de verliezer.)

 

verlodderd

bijv nw

1.  In zedelijk of materieel opzicht vervallen, te gronde gegaan, aan lagerwal geraakt, verlopen, slonzig geworden, verarmd, verwaarloosd, slecht verzorgd. [>Nl. verloederd]

Da vntsje ziet er ijlem verlodderd ojt. n zgge da da vruuger zoo pront manneke was! = Dat mannetje ziet er erg verwaarloosd uit. En vroeger was hij zo een fiere man!

 

Zie ook: verlbberd

 

 

vermassakreere

ww, verv: vermassakreer - vermassakreerde - vermassakreerd

1. Naar de bliksem helpen, stuk maken. Zowel door onwetendheid als uit onbenul, of uit onvoorzichtigheid. [>Fr. massacrer]

In plets van v[j] aa speelgoet zerreg te drge, vermassakreerd'et ijlem. = In plaats van zorg te dragen voor je speelgoed, maak je het helemaal stuk.

 

vermoosse

ww, verv: vermoos - vermoost - vermoost

1. Stuk of onbruikbaar maken (al dan niet opzettelijk), naar de vaantjes helpen, verspillen, verknoeien. [>Nl. moos = moeder]

Da's naa den twijde kij da'k ik aa een plt lijn, n da's ook den twijde kij da ge ze vermoost trugbringt! = Het is nu al de tweede keer dat ik je een grammofoonplaat uitleen, en het is ook de tweede keer dat je ze me helemaal verknoeid terugbrengt!

Da's naa 't lste speelgoetottooke da'k ver aa koop. Dus ge kun et bejter ni vermoosse! = Dit is nu het laatste speelgoedautootje dat ik voor je koop. Je kan het dus best niet stuk maken!

 

 

verng(ge)lizjeere

ww, verv: verng(ge)lizjeer - verng(ge)lizjeerde - verng(ge)lizjeerd

1. Verwaarlozen, niet of heel slecht verzorgen, weinig of geen zorg voor iets dragen, weinig om iemand bekommerd zijn, verzuimen, veronachtzamen. Vervlaamste vorm van het Franse "nglliger". [>Nl. negligeren]

Gij zit m[j] aa brurreke in dezllefde klas, m naa moet s zien oe dad aa boeken n kajees derojtzien, n die van em. Moete ni vrge wie da zene kabas vernglizjeert. = Je zit in dezelfde klas als jouw broertje, en kijk maar eens hoe jouw boeken en schriften eruitzien, en die van hem. Niet moeilijk om vast te stellen wie geen zorg draagt voor zijn schooltas.

Manneke toch! Gij t de bste vraa da ge m kunt dnke, n wa doed er mee? Niks! Jaa... er ijlem vernggelizjeere! = Man-man-man...! Je hebt waarschijnlijk de beste vrouw die je je kan wensen, en wat doe je voor haar? Niets! Behalve dan... haar helemaal verwaarlozen!

 

verniet

bijw

1. Gratis, voor niets.

Bij den Dre geeve ze verniet salt wg. = Bij Isidoor / Theodoor krijg je gratis salade.

Da's zoo goed as verniet = dat is haar gratis.

 

 

veroem / veroem

bijw

1. Opnieuw, weer. [>Nl. weerom]

Doe ta m veroem! = Doe dat maar opnieuw.

Veroem gn. = Terugkeren, teruggaan.

 

ve()roemkomme

ww, verv: kom ve()roem - kwam ve()roem - ve()roemgekomme

1. Terugkomen, weerkeren.

Ze was'et afgetrapt m gelukkech v de kindere[n] s ze veroemgekomme. = Ze was bij haar echtgenoot weggegaan maar gelukkig voor de kinderen is ze teruggekeerd.

Komt naa[j] s veroem! 'k Moet aa nog iet vrge... = Kom nu eens terug! Ik moet je nog iets vragen...

 

veroog

zn (e), mv: verooge - verklw: veregske (e)

1. Verhoog, gebied of plaats die hoger liggen dan een ander, estrade, podium.

Veu de klas wieren alle kinderen oep 't veroog geroepe oem dn eule ls oep te vrge. = Vooraan in de klas werden de kinderen allemaal op de trede geroepen, om hun les te overhoren.

n den ijne kant van de zl was er e veroog ver e zjaske, n n den andere kant den toog. = Aan de ene kant van de zaal was er een podium, en aan de andere kant stond de tapkast.

 

2. Bij het knikkeren: toelating om met de hand op een hogergelegen plaats (bijv. de stoep) te steunen om een knikker weg te schieten.

 

verpampele

ww, verv: verpampel - verpampelde - verpampeld

1. Bepotelen, beduimelen, kreuken, zorgen dat iets er niet nieuw meer uitziet.

Soems, as nen boek twij kijre[n] s ojtgelijnd, komt'em al ijlem verpampeld trug. = Heel vaak, zelfs als een boek slechts twee maal werd uitgeleend wordt het boek beduimeld ingeleverd.

 

 

vrrefdoos

zn (een), mv: vrrefdooze - verklw: vrrefdeske (e)

1. Verfdoos, schildersdoos, doos met een aantal blokjes verf voor aquarel of met plakaatverf in verschillende kleuren. Er zijn ook vakjes om kleuren te mengen.

Paasde gij[j] ook da zllefs Rubbes m[j] een vrrefdoos n't school ej moete gn? = Geloof jij ook dat zelfs Rubens met een verfdoos naar school moest gaan?

 

2. Figuurlijk: fel geschminkte vrouw.

A'kik die vrrefdoos zien loope, dn paase'k altij dad eure vnt ne kunstschilder s. = Als ik die fel geschminkte vrouw tegenkom, dan komt bij mij altijd de idee op dat ze getrouwd is met een kunstschilder.

 

 

vrrefkes

zn (de), =mv, =verklw

1. Doos met aquarel of plakaatverf in verschillende kleuren.

M'mme vandg ons klnste n 't ijste stuudejr gebrocht n de mijsters zaa da me morrege een doos vrfkes m minstes acht kleure moeste meebringe. = Vandaag hebben we ons dochtertje naar het eerste studiejaar gebracht, en de lerares zei ons dat we morgen een verfdoos met minstens acht kleuren moesten meebrengen.


 

vrreke

zn (e / et), mv: vrrekes - verklw: vrrekske (e)

1. Varken, big.

A ge veul afval t van eete, dn s't e gemak as g'e vrreke[n] t, want da frt alles. = Als je veel etensresten hebt, is het handig om een varken te houden, want die dieren eten alles.

Zod aa broek s ni lte psse? Ze komt persies ojt et gat van e vrreke! = Zou je je broek eens niet laten oppersen (strijken)? Ze is zo gekreukt alsof ze een hele tijd samengebald opgerold heeft gelegen!

 

2. Ook figuurlijk, om een persoon aan te duiden die zich grof en beledigend gedraagt.

Gft dij vnt tien pinte, n ge knt em nemij. As em gedroenke[n] ej, dn s da[d] een cht vrreke! = Als je die man 10 glazen bier laat drinken, herken je hem niet meer. Als hij onder invloed is, dan gedraagt hij zich echt als een varken.

 

vrrekespetatte

zn (de), =mv

1. Aardappelen die niet geschikt zijn voor consumptie, die eigenlijk maar net goed genoeg zijn om aan de varkens te voeren.

 

 

vrrekesstaaver

zn (ne), mv: vrrekesstaavers

1. Letterlijk: varkenshandelaar, meer algemeen ook: beestenkoopman. Een staaver is een stouwer.

Aa vder was ne pjrentesser n die va mij ne vrrekesstaaver. = Jouw vader was een handelaar in paardenvlees, en die van mij in varkensvlees.

 

2. Figuurlijk: iemand die gejaagd en onachtzaam met anderen omgaat.

Ge moet mij zoo ni[j] afjge znne! Gij z nen chte vrrekesstaaver! = Je moet me niet zo onder druk zetten, hoor! Jij bent een echte "dierenopjager".

 

vrrekesstal

zn (ne), mv: vrrekesstalle

1. Letterlijk: varkenshok.

'k Gn den afval van de keuke in de vrrekesstal kappe. Of moet'et oep de mssink? = Ik kieper de etensrestjes in het varkenshok. Of kap ik het op de composthoop?

 

2. Figuurlijk: grote wanorde, puinhoop, chaos

Teege vandenoen moet aa kmer oeprojme... dde mij goort? Da[d] s d naa[j] cht ne vrrekesstal! = Tegen vanmiddag moet je je kamer opruimen, hoor je! Het is daar een grote wanorde!

 

verrnneweere

ww, verv: verrnneweer - verrnneweerde - verrnneweerd

1. Runeren, stuk maken, vernielen.

In plets van braaf te speele verrnneweert z'eur poepe[n] altij. = In de plaats van braaf te spelen, maakt ze haar poppen voortdurend stuk.

 

Zie ook: rnneweere, verdstreweere

 

verroempeld

bijv nw

1. Verrimpeld, gerimpeld, met rimpels, gekreukt.

Die aa patsjes mmen e verroempeld gezicht. = Die ouwe luitjes hebben rimpels in het gezicht.

Aa klijre mme persies te lank in aave kitzak gestooke. Ze zn ijlem verroempeld. = Je kleren hebben blijkbaar te lang in je rugzak gezeten. Ze zijn helemaal gekreukt.

 

Zie ook: verfroemeld.

 

 

verr

ww, verv: verr - verrde - verrt

1. Verraden, verklappen.

'k m gezien da'che dij vnt zene portemenee gepikt t, m[r] a'ch'em trug gft zal ek aa ni verr. = Ik heb gezien dat je die man zijn portefeuille hebt gestolen, maar ik verraad je niet op voorwaarde dat je hem teruggeeft.

 

verschietelek

bijv nw, tvgl: verschietelek - verschieteleker - verschietelekst

1. Verschietachtig, angstaanjagend, schrikwekkend.

In de keuke was een t lawaat, n ik liep er natuurlek derkt eene. Toen a'k 't licht ndee, ston ek oog in oog m nen dief. M da's verschietelek, znne! = Er was plots een harde dreun in de keuken, en ik liep er natuurlijk onmiddellijk naartoe. Toen ik het licht aanstak, stond ik oog in oog met een inbreker. Ik hoef je niet te vertellen hoe schrikwekkend dat was!

N da m'ons koffers ojtgepakt aa as me tojs kwme, ging ek s zien n den ojtslag van de lottoo. Zs zjeste! Verschietelek znne! = Nadat we de koffers uitgepakt hadden als we thuisgekomen waren, bekeek ik de uitslag van het lottoformulier: zes juiste cijfers! Dat is wel verschietachtig!

 

verschijte

ww, verv: verschijt - verscheet - verscheete

1. Niets doen, de tijd laten voorbijgaan zonder iets nuttig te doen.

M'aa afgesprooke[n] n de wtertoore, n naa stn ek'ie[r] al zeker een uur me'nen tijd te verschijte. = We hadden afgesproken om mekaar te ontmoeten aan de watertoren, maar ik sta hier nu al een uur te wachten zonder ook maar iets te doen.

 

 

verslnse

onpers ww, verv: verslns - verslnste - verslnst

1. Letterlijk: verwelken, verslensen, verflensen.

Ge kunt die bloeme bejter oep de mstoop roeje, want ze zn al lank verslnst. = Je kan die bloemen(tuil) beter op de composthoop gooien, want ze zijn helemaal verwelkt.

Bij dijn bloemist koop ek noot gijn snaabloeme nemij. 'k Aa nen boekee gn le ve die mnse w da m' eene moeste, n as ek dijn boekee n die medam gaf, dn wre bekan alle bloeme verslnst. 'k m nogal affronten ojtgestn, znne! = Bij die bloemist koop ik nooit meer snijbloemen. Ik kocht een hele tuil voor de mensen waar we naartoe gingen, en toen ik het boeket aan de gastvrouw gaf, waren de meeste bloemen verwelkt. Ik heb me geschaamd...!

 

2. Figuurlijk: zijn fraaiheid, frisheid of levenskracht verliezen.

Vruuger ejt da pertang altij e schoo maske gewst, m naa s ze persies wl wa verslnst. = Vroeger was dat nochtans een mooi meisje, maar nu is ze niet zo fris meer.

 

 

versnuft / versnift

bijv nw

1. Verstopt (wordt gezegd over de neus). Misschien een samentrekking van "verstopt" en "snuiven".

M in de kaa te zitte, aa'k een zwr valling oepgedn. n 't ambetantsten s natuurlek da ge moet rondloope m ne versnufte neus, persies of da ge gijnen ssem nemij kunt krijge. = Door in de koude te blijven, heb ik een verkoudheid opgelopen. Het lastigste daarvan is uiteraard dat je een verstopte neus krijgt, en het lijkt net of je geen adem meer krijgt.

 

 

verstojke

ww, verv: verstojk - verstekte - verstekt

1. Verzwikken, verstuiken: het gewrichtskapsel en/of de gewrichtsbanden daarvan uitrekken of verscheuren door het maken van een verkeerde beweging.

Bij't sjotten m gistere men knie verstekt. = Bij het voetballen heb ik gisteren mijn knie verzwikt.

Ons klaan waa ve te speelen absoluut men oog ielen s ndoen. n dn ej z'eere voet verstekt. = Mijn dochtertje wou bij een spelletje absoluut mijn schoenen met hoge hakken dragen. En toen heeft ze haar voet verzwikt.

 

vertlselke

zn (e), =verklw, mv: vertlselkes

1. Verhaaltje, vertelling.

A de kinnekes klaan zn, vertlle d'aavers dikkels e vertlselke a ze moete gn slpe. Dn weurre ze rustig n ze valle[n] ojt eule[n] ijge[n] in't slp. =Als de kinderen klein zijn, vertellen de ouders vaak een verhaaltje bij het slapengaan. De kinderen worden rustigen en vallen vanzelf in slaap.

 

 

vertojtele

ww, verv: vertojtel - vertojtelde - vertojteld

1. Ruilen, wisselen, versjacheren. [>Nl. tuitelen = bedrieglijk ruilen, verkwanselen]

In plets van mekandere te betle zaa me bjter s zien of da me niks kunnen vertojtele. = Voor we mekaar betalen kunnen we misschien eens zien of we niets hebben om te ruilen.

A'k ik klaan was dn vertojtelde wlle beelekes van koereurs oep de speelplets. = Toen ik een kind was ruilden we prentjes van renners op de speelplaats.

 

 

vervddere / vervedere

ww, verv: vervdder / vervedder - vervdderde / vervedderde - vervdderd / vervedderd

1. Verder uit elkaar gaan, op een grotere afstand uit mekaar zetten.

As ge streepen oep de bldbojs krgt, moet s probeere oem den tllefon te vervddere. = Als je lijnen krijgt op het TV-scherm, moet je eens proberen om het telefoontoestel verder weg te plaatsen.

In plets van mekandere bejter te verstn en bejter overijn te komme, z me m de jre va mekandere vervdderd. = In plaats van mekaar beter te begrijpen en beter overeen te komen, ze we in de loop der tijd uit elkaar gegroeid.

 

vervej

bijw

1. Bevreesd, angstig. [>Nl. vervaard]

'k Zn vervej. = Ik ben bang.

Zdde gij vervej van de den doenkere? = Ben je bang in het donker?

Ikke vervej van aa? Nog in gijn duuzent jr, joeng! = Of ik schrik heb van jou? Vergeet dat maar, kerel!

Vervej mke = bang maken, schrik aanjagen.

 

vervejmker

zn (ne), mv: vervejmkers - verklw: vervejmkertsje (e)

1. Iemand die anderen angst aanjaagt, die anderen doet schrikken.

Sch...! M al die vertlselkes oover spooke, derref ek sebiet nemij gn slpe! Gij z toch ne vervejmker, znne! = Zeg...! Met al jouw verhaaltjes over spoken, durf ik seffens haast niet meer te gaan slapen! Jij bent toch echt iemand die anderen bang kan maken, hoor!

 

 

verwaard

bijv nw, tvgl:verwaard - verwaarder - verwaardst

1. Verward, in de war.

N da de mijster et nog s aa ojtgelej was ons klaan nog mijr verwaard. = De leraar heeft de stof nog eens opnieuw uitgelegd aan onze dochter, met als gevolg dat ze nog meer in de war is.

 

 

verwaare

ww, verv: verwaar - verwaarde - verwaard

1. Iemand in de war brengen of zelf in de war zijn.

Deu[j] al dij[n] ojtlg, dde dij mns ijlem  verwaard. = Door al dat gepalaver heb je het er voor die persoon helemaal niet duidelijker op gemaakt.

 

verwrs

zn (een), mv: verwrsse - verklw: verwrske (e)

1. Baker, vroedvrouw. [>Nl. verwares, verwaren (waren = behoeden voor)]

Naa gn de vraaven allem n't moederojs, m vruuger kreege z'eule kindere tojs n gewoonlek aa de verwrs eur wrrek al lank gedn as den doktoor binnekwam. = Tegenwoordig bevallen de meeste vrouwen in de materniteit, maar vroeger bevielen ze vooral thuis. In de meeste gevallen had de vroedvrouw alle werk al achter de rug, als de dokter arriveerde.

 

verznne

ww, verv: verzn - verzon / verznde - verzonnen

1. Om de tuin leiden, voor het lapje houden, beetnemen.

Ge moet vral zien da g'aa deu dij[n] bandiet ni let verznne! = Let zeker op, dat die rakker je niet om de tuin leidt!

Den jste[n] april s't den dag da z'iederijn verznne. = Op 1 april tracht men iedereen iets wijs te maken.

 

verznnekesdag

zn (de), mv: -

1. Verzenderkesdag, 1 april, de dag dat meerdere personen beetgenomen worden.

Pas oep, lt aa vandg ni vange want 't s verznnekesdag. = Let op dat men je vandaag niet bij de neus neemt want het is 1 april.

 

 

Laatste wijziging 30-05-2013 - Toevoegingen
21-07-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl