A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
VA
VE
VER
VERL
VES
VI
VO
VR
 W  X
 Y  Z

vierdijl

zn (e), mv: vierdijle

1. Een vierde deel van een pond, 125 gram.

Dag bijnaaver. Veu mij e vierdijl sossis n e vierdijl kejs. = Dag slager. Voor mij 125 gram salami en 125 gram kaas.

 

vierkantegatsjesboor

zn (een), geen mv.

1. Letterlijk: een boormachine waarmee men vierkante gaatjes kan boren. Wordt alleen in de figuurlijke zin gebruikt als men iemand bij de neus neemt.

G gij bij de Moor oep de Mt m[r] een vierkantegatsjesboor le! = Maak dat je wegkomt. Zegt men dan zowel om van iemand verlost te zijn, als om iemand iets te laten doen wat toch niet mogelijk is.

 

vieselek

bijw

1. Lelijk, gemeen, erg vies. Er vies uitziend, smerig, vuil, degoutant, weerzinwekkend, walgelijk, onaangenaam.

Da's dn wee ni zoo plzant as ge polis z... In dad ojs was er imant afgemokt, n welle koste den boel gn oepkesse. Vieselek, znne! = Dat is dan weer een nadeel van politie-agent te zijn... In dat huis was een moord gepleegd, en wij mochten alles aan de kant gaan zetten. Niet erg aangenaam, hoor!

 

 

vijf

telw

1. Vijf.

dde gijn vijf frang v mij? = Heb je geen muntstuk van vijf frank voor me?

 

zn, mv: vijve - verklw: vijveke (e)

2. Vijf, het getal vijf.

Veel vijve n zsse. = Heel omslachtig, met veel entourage, in geuren en kleuren.

 

Zie ook: vfde

 

vijg

zn (een), mv: vijge - verklw: vgske (e)

1. Vrucht: vijg. Wordt zelfs vaak tegen dadels gezegd. [>Lat. Ficus carica]

A'k ik vijge[n] eet, blijve de bentjes altij tussen men tanne zitte. = Als ik vijgen eten, blijven de pitten vaak tussen mijn tanden achter.

 

2. Laf persoon, iemand die niet voor zijn mening durft uitkomen, of die plots van mening verandert omdat hij niet oprecht durft te zijn.

Gij z[d] een platte vijg! = Jij bent een opportunist, je durft niet echt voor je eigen mening uitkomen, als het je nadeel zou kunnen berokkenen.

 

 

 

vjtien

telw, vjtinde

1. Veertien.

Oover vjtien dge vertrk'ek oep rijs. = Over veertien dagen, over twee weken vertrek ik op reis.

 

vjtinde

telw, (de)

1. Veertiende.

De vjtinde gn ek n de bibbejoteek. = De veertiende (van deze maand) ga ik naar de bibliotheek.

 

vjtinder

zn (de), mv: vjtinders - verklw: vjtinderke (e)

1. Serie van vier opeenvolgende kaarten van n kleur.

A'k naa nog ne vjtinder kan aflgge, dn zn ek ojt! = Nog n serie van vier kaarten afleggen, en ik ben klaar.

 

vinder

zn (ne), mv: vinders / vinderre - verklw: vinderke (e)

1. Vinger.

E[n] ej m zene vinder tusse de deer gezeete. = Hij klemde zijn vingers tussen de deur.

E stkt zene vinder in zen oog tot n zene[n] lleboog. = Hij werkt zich heel diep in nesten. Hij brengt zichzelf in moeilijkheden.

'k Voel men vindere nemij! Zoo kaat s 't. = Ik heb geen gevoel meer in mijn vingers! Zou koud is het.

 

vinderoet

zn (ne), mv: vinderoete - verklw: vinderoetsje (e)

1. Vingerhoed.

A'kik m ne vinderoet moet n, da g ni goe. = Het lukt me niet zo goed om met een vingerhoed te naaien.

 

 

vitroo(s)

zn (een), mv: vitroos - verklw: vitrooke (e)

1. Glas-in-lood-raam. [>Fr. vitrail / vitraux]

Me zn e zondag n 't stad gewst, n me zn gn zien n de vitroos van de kattedrl. Schoon joeng! = We hebben zondag een uitstapje gemaakt naar de stad, en we zijn in de kathedraal naar de glas-in-lood-ramen gaan kijken. Mooi hoor!

Ge kint dad ojs ni misse. 't s 't ijnege in 't strt m een loozjia n vitroos. = Je kan je niet van huis vergissen. Het is het enige in de straat met een loggia en glas-in-lood-ramen.

 

 

vizanteere

ww, verv: vizanteer - vizanteerde - gevizanteerd

1. Bezoeken, in de betekenis van een dokter die zijn patint bezoekt voor een medisch onderzoek. [>Fr. visiter]

Da moederke was zoo ziek da'k den doktoor gebld m ve[r] eur te komme vizanteere. = Dat oude vrouwtje was zo erg ziek dat ik de dokter telefoneerde om haar te komen onderzoeken.

Oep me wrrek voelde ke mij ni goe, n k' zn sves derkt n den doktoor gegn oem mij te lte vizanteere. = Op het werk voelde ik me niet lekker, en daarom ben ik 's avonds onmiddellijk naar de dokter gegaan om me te laten onderzoeken.

 

2. Onderzoekend bekijken, inspecteren. [>Fr. visiter]

Ge kunt gij da wl zgge da g'aa kmer t oepgeremd, m 'k zal 't sebiet s komme vizanteere. = Je kan wel beweren dat je je kamer hebt opgeruimd, maar ik zal het seffens eens checken.

 

Zie ook: spksemke

 

viziet

zn ('t), mv: -

1. Bezoek.

E goensjtach achternoen zn ik bij tant Wis oep viziet gewst, n 'k aa een schoon frojtvl mee genoome. = Woensdagnamiddag ben ik bij tante Wis op bezoek geweest, en ik had een grote fruitvla mee genomen.

 

2. Consultatie bij de dokter.

A'k mij ni te ziek voel, dn gn ek liever oep visiet n den doktoor. M soems moet'ek wl lank wachte, znne... = Als ik niet te ziek ben, ga ik liever bij de dokter op consultatie. Maar vaak moet ik lang wachten.

 

 

vjsj

zn (een), mv: vjzje - verklw: vjsjke (e)

1. Maagd. [>Fr. vierge]

Volleges mij s da[d] aat vraake nog een vjsj. = Volgens mij is die oude vrouw nog maagd.

 

2. Vaars (jonge koe).

Een vjsj s een koej die nog ni gekalleft ej. = Een vaars is een koe die nog niet gekalfd heeft.

 

 

vlagge

ww, verv: vlag - vlagde - gevlagd

1. Vlaggen, de vlag of het vaandel uithangen.

Den ijnentwintegste juli vlagge de mnse bij ons in't strt bekan allem. = Ter gelegenheid van de Nationale Feestdag van Belgi op 21 juli hangen bijna alle buren de nationale vlag uit.

Wa'd st? Veu wa zdde naa n't vlagge? = Wat scheelt er? Waarom hang je nu de vlag uit? Wordt in deze zin bedoeld op iemand die zijn kleding niet goed geschikt heeft; bijv. het hemd niet goed in de broek gestoken.

 

2. Ook figuurlijk.

E[j] ej[g] et vlagge! = Hij is het slachtoffer! Men heeft hem te pakken!

 

vlam

zn (een), mv: vlamme - verklw: vlammeke (e)

1. Vlam, vuur.

Smt dijn brief m[r] in de vlamme, veu dat imant anders da zie. = Gooi die brief maar in het vuur, vooraleer iemand de kans krijgt hem te lezen.

 

2. Figuurlijk: heel mooi meisje.

dde dij ze lief al gezien? Da's nogal een vlam, sch! = Heb je zijn verloofde al ontmoet? Dat is pas een mooie meid!

 

 

 

vlieg

zn (een), mv: vliege - verklw: vligske (e)

1. Vlieg, bromvlieg; ook gebruikt voor muggen.

De rojt zit vol m vliege. = Er zitten veel vliegen op het raam.

 

2. Ook figuurlijk.

D zit een vlieg n de lamp! = Er gaat wat zwaaien!

 

vliegt

zn (ne), mv: vliegte - verklw: vliegotsje (e)

1. Vlieger, speelgoed voor de kinderen dat wordt opgelaten in de windstroom. Een vlieger wordt meestal gemaakt van een frame in licht materiaal (dun hout) dat wordt bespannen met papier of met zeil. De kunst bestaat eruit om de vlieger sierlijke bewegingen te maken door aan het koordje (of de koordjes) te trekken. Dit spel ziet men vaak aan het strand.

A'me n 't strant gn, dn kan onze klaane zen ijgen uure beezeg aave deu ne vliegt oep te lte. = Als we naar het strand gaan, heeft ons zoontje uren plezier door een vlieger op te laten.

 

Zie ook: vlieger

 

 

vliegve

zn (de/een), mv: vliegves - verklw: vliegveke (e)

1. Luchthaven, vliegveld. [>Dts: Flughafen]

Naa meuge de vliegers s'nachs nemijr oepstijge of lande oep de vliegve van Brussel. = Nu mogen vliegtuigen 's nachts niet meer opstijgen of landen op de luchthaven van Brussel.

Oover de vliegve van Deurne s de lsten tijt toch ook al wa te doen gewst. = Over de luchthaven van Deurne (bij Antwerpen) heeft men de laatste tijd al heel wat heen en weer gepraat.

 

vlieger

zn (ne), mv: vliegte - verklw: vliegotsje (e)

1. Vlieger, speelgoed voor de kinderen dat wordt opgelaten in de windstroom. Een vlieger wordt meestal gemaakt van een frame in licht materiaal (dun hout) dat wordt bespannen met papier of met zeil. De kunst bestaat eruit om de vlieger sierlijke bewegingen te maken door aan het koordje (of de koordjes) te trekken.

Me wren e zondag n de kust, n oemda de wind goeston ingen er kweetnijoeveel vliegers. M wa zaa der naa gebeure as die kerrekes indewaar gerke? = Zondag waren we aan de kust, en omdat er een gunstige wind waaide werden er veel vliegers opgelaten. Maar wat zou er gebeuren, als de touwtjes in mekaar verstrengeld raken?

 

Zie ook: vliegt

 

2. Vliegtuig.

Oep de vliegve van Zveltm zn er altij veel vliegers. = Op de luchthaven van Zaventem zie je altijd veel vliegtuigen.

As zoone vlieger zjest booven aave kop vliegt, dn mokt da nogal lawaat znne. = Als een vliegtuig net boven je vliegt, dan maakt dat een ontzetten lawaai.

 

3. Piloot, vliegenier.

Wtte naa v wa dad onze Zjf wilt lijre? E wilt vlieger werre! = Weet je waarvoor onze Jozef wil studeren? Hij wil piloot worden!

 

 

vliegescheet

zn (ne), mv: vliegescheete - verklw: vliegeschtsje (e)

1. Letterlijk: vliegenscheet, klein hoopje vliegendrek.

Naa moet s zien: ik m de rme zjest gedn n z'angen al trug vol vliegescheete. = Kijk nu toch eens: ik heb nog maar net de vensters gewassen en er zijn al weer tal van vliegenscheten.

 

2. Figuurlijk: verwaarloosbaar weinig, kleine hoeveelheid, niet erg belangrijk.

As gij aa ve zoone vliegescheet oepwint, dn gde't nog n aa[j] t krijge! = Als je je voor zo iets onbenulligs opwindt, dan word je waarschijnlijk nog hartlijder!

 

vlim

zn (een), mv: vlimme - verklw: vlimmeke (e)

1. Wonde, snee. Kan heel smal zijn, maar dan wel diep en vaak erg bloedend. [>Nl. vlijm of vliem = scherp mesje dat gebruikt wordt in de geneeskunde]

Ik zn nog altij ni gewoon n da nief petattemske, n 'k m men ijge wral een goej vlim gegeeve. 't Ej nogal gebloejd, znne! = Ik ben nog steeds niet gewoon aan dat nieuwe mesje, en ik heb me weer maar eens gesneden. Het heeft erg gebloed!

 

vl

zn (een), mv: vls - verklw: vlke (e)

1. Vlaai, gebak met fruit.

Een projmevl = een pruimenvla.

Een frojtvl = een fruitvla.

 

2. Oorvijg.

Een vl tegen aa oore krijge. = Een oorvijg krijgen.

 

 

 

Laatste wijziging 21-07-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl