A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
KAA
KAB
KAL
KAS
KE
KER
KI
KLA
KLI
KN
KO
KOM
KOO
KRA
KRO
KW
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

komaf

zn (de), geen mv.

1. Afkomst, afstamming.

Van goeje komaf zen = van aanzienlijke afkomst zijn, welgesteld of van de hogere burgerij.

Van simpele komaf = van eenvoudige, alledaagse afkomst.

 

komafmke

ww, verv: mk komaf - mokte komaf - komafgemokt

1. Korte metten maken met, weinig omslag maken, genadeloos optreden, vlug werk maken van iets.

Da[d] ej ie naa al lank genoeg geduurd, znne! Me zlle[n] ier s kette komafmke... = Het heeft hier intussen al lang genoeg geduurd, hoor! We zullen er direct eens korte metten mee maken...

 

komeer

zn (een), mv: komeere

1. Praatzieke vrouw. Iemand die voortdurend staat te praten.

Die komeer ejt eer blat wee geriert. = Die praatzieke vrouw heeft weer flink staan roddelen (letterlijk: ze heeft haar tong geroerd).

 

 

komeere

ww, verv: komeer - komeerde - gekomeerd

1. Voortdurend praten, bezigheid van een komeer.

At goe weer s, stn z'in 't strt te komeere. = Als het mooi weer is staan de vrouwen op straat te roddelen.

 

komejn

uitroep

1. Komaan! Verbastering van de Engelse uitdrukking "come on", die vaak werd gebruikt als de kinderen cowboy en indiaan speelden. [>Eng. come on] [>Nl. komaan]

Komejn manne, me gn koobojke n indijontsje speele. = Kom jongens, we gaan cowboy en indiaan spelen.

 

 

komisse / komisje

zn (een), mv: komisses / komisjes

1. Boodschap. [>Fr. commission]

Komisses doen = boodschappen doen.

 

2. Ook in de figuurlijke zien: boodschappen doen, opdrachten uitvoeren. [>Fr. commission]

Doe[d] aa scherrefte komisses s zllef, manneke! = Los je problemen eens zelf op, man!

 

kommande

zn (een/de), mv: kommandes

1. Bestelling. [>Fr. commande]

E[n] ej een ijl kommande wijn gedn bij den Bre. = Hij plaatste een grote bestelling wijn bij Albert.

 

2. Bevel, commando. [>Fr. commande]

Dij doe da n oep kommande znne, d moete veu betle! = Hij doet dat niet zomaar op bevel, maar alleen tegen vergoeding.

 

kommeede

zn (een/de), mv: kommeedes

1. Toneelspel in het algemeen, in alle vormen. Dus geldend voor drama, cabaret, komedie, tragedie, blijspel... zelfs opera en operette. [>Nl. komedie] [>Gr. komoidia] [>Lat. comoedia]

De Poeskaffee splt e zterdag kommeede in de Str. = Pousse-Caf brengt zaterdag cabaret in Cultureel Centrum de Ster.

Ze gn vandewejk m't school n de kommeede in Antwrrepe. = Deze week is er een schooluitstap naar een toneelstuk in Antwerpen.

 

2. Figuurlijk: onrealistische toestand, komedie, valse voorstelling van de feiten, klucht.

Joenges, joenges, toch! Wad s dad ie toch vr een kommeede! A ge na teege mekandere s rchtojt zgt wat er oep alle lejver lej, dn kunde misschin ooverijnkomme? = Man-man-mna, toch! Wat een klucht! Als jullie nu eens open kaart spelen en mekaar laten weten wat er ieder van jullie dwars zit, dan kan je misschien wel een oplossing vinden?

 

 

kommeljn

zn (de), geen mv

1. Algemene aanduiding van de middelbare school, maar in Willebroek meer in het bijzonder de school in de Herman Vosstraat. [>Fr. cole moyenne]

Mijn aavers wende flak oover de kommeljn, n natierlek moest ekik d n't school gn. = Mijn ouders woonden recht tegenover de middelbare school (in de Herman Vosstraat), en uiteraard dat ik daar naar school moest.

 

Zie ook: kolmajn.

 

kommrs

zn (de/een), mv: kommrse - verklw: kommrske (e)

1. Zaken, handel, bedrijvigheid, winkel. [>Fr. commerce] [>Nl. commercie]

Van as em joenk was, ejt em altij en ijge kommrs wille[n] mme. = Van in zijn jeugd heeft hij altijd gezegd om een eigen zaak te willen voeren.

Wlle doen gereegeld kommrs m[j] wijnkastijl in Frankrijk. = We doen regelmatig zaken met een kasteel in Frankrijk waar wijn wordt verbouwd / verhandeld.

Zitte gij ook in kommrs? = Doe jij ook zaken?

 

kommrsman / kommrsvraa

zn (ne/een), mv: kommrsmanne / kommrsvraave - verklw: kommrsmanneke / kommrsvraake (e)

1. Zakenman / zakenvrouw, winkelier(ster), handelaar(ster). [>Fr. commerce] [>Nl. commercie]

D moette ne goeje kommrsman veu zijn, oem zoo'n zk binne te rijve. = Je moet een goede zakenman zijn om een dergelijk contract binnen te halen.

Zgt wa ge wilt; m 't s veral oemda zij zoon goej kommrsvraa s, da[d] eule zke zoo goe floreerde. = Je mag beweren wat je wil, maar het is vooral te danken aan het feit dat zij zo een goede zakenvrouw is, dat hun zaak zo goed draait.

 

kommesr

zn (de/ne), mv: kommesrs - verklw: kommesrreke (e)

1. Commissaris; meestal bedoelt men hiermee de politiecommissaris.

De kommesr s den bs van de polisse. = De politiecommissaris is het hoofd van de politiedienst.

Ik kn de kommesr goe genoeg, n a't eroep nkomt, zal dij wl iet doen v mij zeeker? = Ik ken de politiecommissaris nogal goed, en als het nodig is zal hij voor mij wel iets extra doen, zeker?

 

 

 

kommsvee / kommilfoo

zn (ne), mv: -

1. Voorkomen, uiterlijk, opgetut "zoals het hoort" bij speciale gelegenheden. [>Fr. comme il faut]

Da''s een ijl pronte medam - Onderojt ve die[j] eure kommilfoo! = Dat is een dame die er goed uitziet en de nodige aandacht aan haar uiterlijk besteedt. Ze toont zich altijd van haar beste kant.

Amaj! Die[j]ej nogal ne kommsvee! = Die dame heeft zich behoorlijk opgetut (waarschijnlijk met de bedoeling op te vallen).

 

2. Voorkomen, maar dan eerder in de betekenis van goed gebouwd zijn. Meer specifiek voor dames: grote borsten hebben.

Nffe die[j] eure kommsvee kun[d] ook ni nffe zien! = Je kan moeilijk naast zo een grote boezem kijken!

M zoone kommilfoo zien z'aa natierlijk stn! = Als je zo opvallend grote borsten hebt, ziet iedereen je natuurlijk onmiddellijk.

 

komminnezn

zn (ne), mv: komminnezns - verklw: komminneznke (e)

1. Lingerie, lang onderkleed, combinatie van hemdje en onderrok. [>Fr. combinaison]

In de zoomer liep ze mijstal in eure komminnezn rond, n dn dee ze d een oovergoejerke[n] oover as er gebld wier. = In de zomer liep ze meestal in haar onderjurk, en als er gebeld werd trok ze vlug een tuniekje aan.

 

Zie ook: komtersn.

 

kompasjeus

bijv nw, tvgl: kompasjeus - kompasjeuzer - kompasjeust

1. Vol medelijden; de eigenschap hebbend om vlug medelijden te hebben met iemand. [>Fr. compassion]

, m dad's naa cht e kompasjeus mns. = Dat is een vrouw die met iedereen medelijden heeft.

 

kompasse

zn (de), mv: -

1. Medelijden, medeleven, medevoelen. [>Fr. compassion]

Ge moet m mij gijn kompasse[n] mme[n], oemes. = Je hoeft met mij geen medelijden te hebben, hoor.

Z'mme[n] eur ojt kompasse binnegepakt. = Men had zoveel medelijden met haar dat men haar in huis heeft genomen.

 

 

komtersn

zn (ne), mv: komtersne - verklw: komtersneke (e)

1. Lingerie, lang onderkleed, combinatie van hemdje en onderrok. [>Fr. combinaison]

M Nievejr kocht ve zen vraa mijstal lnzjerie, beveurblt ne komtersn m kant. = Als nieuwjaarsgeschenk kocht hij voor zijn vrouw meestal lingerie, bijvoorbeel een onderjurk met kanten boordsel.

Zie ook: komminnezn.

 

komunne

zn (de), geen mv

1. Communie, het nuttigen van de heilige hostie. [>LAT. communio] [>NL. communie]

A g'e zondag te komunne wilt gn, moet e zterdag ijst gn bichte bij menijr pastoor. = Als je zondag de communie wil krijgen, moet je zaterdag eerst biechten bij de pastoor.

Te komunne gn = de heilige hostie nuttigen.

 

2. Plechtige communie, hernieuwing van de doopbeloften, vormsel. Gebeurt meestal als een jongere 12 jaar is. Het feest wordt meestal voorafgegaan door een periode van catechese of vorming. Op de dag van de viering wordt extra aandacht besteed aan de communiekledij.

dde gij aa komunne gedn? = Heb jij je plechtige communie gedaan?

 

3. Op zevenjarige leeftijd is het ook de gewoonte om de doopbeloften te herbevestigen. Dit wordt de "kleine" communie of de klaan komunne genoemd.

 

komunnekant

zn (ne), mv: komunnekante - verklw: komunnekantsje (e)

1. Communicant, persoon die zijn communie doet.

'k Zn e zondag n de komunnekante gn zien - z'aa allem e ptersklijd n, de joenges een bzj en de maskes e wit. = Zondag ben ik gaan kijken naar de plechtige communicanten - ze droegen allemaal een pij, dat van de jongens was ecru en dat van de meisjes wit.

 

2. Figuurlijk: onschuldig iemand. Of iemand die zich als de onschuldigheid zelf voordoet.

Ziet em d naa stn! Ijst sjot em zenen bal deu m'n rojt, n naa s't persies ne plchtige komunnekant dij va niks wt. = Zie hem daar staan! Eerst trapt hij zijn voetbal door mijn raam, en nu is hij net de onschuld zelve.

 

kongoonoot

zn (een), mv: knogoonoote - verklw: kongoonotsje (e)

1. Pinda, aardnoot, apennootje.

A'k ik sves bij den teevee zit, pak ek altij een goej pint n een tallooreke kongonotsjes. Dn oorde mij nemij, znne. = 's Avonds voor de televisie, drink ik een lekker glas bier, en zorg ik voor een bordje pindanootjes. Onder die voorwaarden hoor je me niet meer.

 

konjr

zn (ne), mv: konjrs - verklw: konjrreke (e)

1. Profiel, hoekijzer, profielstaal, stalen ligger.

 

konnpeg

bijv nw, tvgl: konnpeg - konnpeger - konnpegst

1. Moedwillig, dwars, tegendraads.

G't van die joeng die zoo konnpeg zn, dache ze m eule koppe teege de mier zot slge. = Er zijn kinderen die zo erg tegendraads kunnen zijn dat je ze een rammeling zou willen geven.

 

konsl

zn (et), geen mv

1. Consultatie, raadpleging. [>Nl. consultatie] [>Fr. conseille]

Oep konsl gn = naar de praktijk van de dokter gaan voor een onderzoek.

 

2. Beraad, beraadslaging, overleg, vergadering.

De doktoors aave konsl = de artsen bespreken samen de resultaten van een onderzoek van n of meerdere patinten.

 

 

kontekltser

zn (ne), mv: kontekltsers - verklw: kontekltserke (e)

1. Zweep(je).

Staate kindere lestere wl ache m't kontekltserke komt. = Stoute kinderen luisteren wel als ze slaag gaan krijgen, als je met de roede dreigt.

 

kontntemnt

zn (-), geen mv

1. Blijdschap, tevredenheid, goed gevoel. [>Fr. contentement]

Van puur kontntemnt sloeg da[d] ontsje m ze sjtsje teege't salontfeltsje n alle gelze viele[n] oemvr. = Het hondje was zo blij dat het van blijdschap met zijn staart tegen de salontafel klopte, en daardoor vielen alle glazen om

 

konterverdrd

bijv nw.

1. Contrair, tegengesteld, tegenstrijdig. [>Fr. contraire] + [>Nl. verdraaid]

'k Verstn ni wroem da gij altij zoo konterverdrd moet zijn. = Ik begrijp echt niet waarom jij altijd zo tegendraads bent.

Aa'k geweete da da zoo ne konterverdrde vnt was, dn aa'k em nootofvanzjelejve ni[j] ngenoome. = Had ik geweten dat hij zo een tegendraads type was, dan had ik hem nooit aangeworven

Zie ook: teegetrgeer.

 

kontinuu

zn (ne), mv: kontinuus - verklw: kontinuuke (e)

1. Kachel, die voortdurend gestookt wordt, en waar verschillende temperatuurbereiken zijn. Meestal gestookt met steenkool of hout. [>Fr. continu]

Oep ne kontinuu kinde de petatte wrrem aave zonder da's nbranne. = Op een (continu-) kachel kan je de pot met aardappelen warm houden, zonder gevaar voor aanbranden.

 

 

 

kontrr / kontrr

bijv nw, tvgl: kontrr / kontrr - kontrrder / kontrrder - kontrrst / kontrrst

1. Tegengesteld, strijdig, tegendraads. [>Fr. contraire]

Ge moet ni zoo kontrr doen! = Je moet niet zo tegendraads zijn.

Ne kontrre vnt da dad , sch! = Hij is een tegendraadse kerel, zeg!

 

bijw

2. Integendeel. [>Fr. au contraire]

Zlle zaa da't ne zwtte was. Mr oo kontrr: 't was ne witte! = Zij beweerden dat het een zwarte was. Integendeel: het was een witte!

 

kontrre

zn (ne), mv: -

1. Dwarsligger, iemand die opzettelijk lastig doet. [>Fr. contraire] Ook in de ontkennende betekenis.

Da's gijne kontrre, znne! = Hij doet echt niet moeilijk, hoor!

mme z'aa soems gezej da gij ie de kontrre moest speele? = Hebben ze je soms gevraagd om hier de tegendraadse te zijn?

 

2. Verkeerd iemand, meestal gezegd van een homo.

Zie mr ojt wa da ge doe m da vntsje, want da's ne kontrre. = Let maar op je tellen met die man, want hij is homo.

 

kontrol

zn (de/ne), mv: -

1. Controle, nazicht.

M'mme[n] in de winkel kontrol gat van d'aksijze, oep de likeure. = De diensten van de accijns hebben controle gedaan op het in- en uitschrijven van de likeuren.

De polis zaa veel mijr moete kontrol doen oep te rap raa, verkijrd parkeere, deu't root licht raa, ... n a't noodeg s moete ze m wa bonnekes ojtdijle! = De politie zou meer toezicht moeten houden op overdreven snelheid, foutief parkeren, door het rode licht rijden, ... En als het nodig blijkt, moeten ze overtreders beboeten!

 

2. Auto-inspectie.

'k Wil mijne[n] ottoo verkoope, m dn moete'k n de kontrol n 'k paas da'k e pr gotsjes gn krijge! = Ik wil mijn auto verkopen, maar dan moet ik naar de auto-inspectie en ik vermoed dat er een aantal dingen zullen worden afgekeurd.

 

 

kontwaarpisserke

zn (e), =verklw, mv: kontwaarpisserkes

1. Hoge barkruk.

Zit ni zoo te wibbele[n] oep aa kontwaarpisserke! Sebiet vald'er af! = Zit niet te schommelen op die barkruk - dadelijk val je er af.

 

 

 

konzjee

zn (de), mv: konzjees

1. Vakantie, verlof. [>Fr. cong]

'k m een wejk konzjee gat. = Ik heb een week vakantie gekregen.

'k Gn oep konzjee n Detsland. = Ik ga met vakantie naar Duitsland.

 

konzjm

zn (ne), geen mv

1. Veertiendaagse uitbetaling van het loon, salaris.

 

 

Laatste wijziging 14-06-2008 - Toevoegen afbeelding
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl