A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
KAA
KAB
KAL
KAS
KE
KER
KI
KLA
KLI
KN
KO
KOM
KOO
KRA
KRO
KW
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

kwaaker

zn (ne), mv: kwaakers

1. Buisje in de keel dat een opening vormt om langs te ademen n een operatie.

Z'mme ne kwaaker gestooke[n] in zen kejl. = Men heeft een buisje aangebracht van de hals naar de luchtpijp.

Zie ook: kwker.

 

kwabbe

zn (een), mv: kwabbe / kwabbes - verklw: kwabbeke (e)

1. Gezwel, dikte. Dit kan al dan iet goedaardig zijn.

Die[j] ej[d] kwabbe[n] n eer gat. = Die vrouw heeft vetophoping aan haar billen.

Z'mme[n] m gopereert n een ijl kwabbe wggenoome. = Men heeft operatief een gezwel bij hem weggenomen.

 

kwakkelgat

zn (e), mv: kwakkelgatte - verklw: kwakkelgatsje (e)

1. Iemand die nogal erg met zijn/haar achterste heen en weer beweegt bij het lopen. Dit kan opzettelijk gebeuren of als gevolg van ouderdom of een ongeval.

Die joeng doen e kwakkelgat n - ze loope m eele[n] ijne voet in de goot n mt den andere[n] oep den trotwaar. = Die kinderen imiteren een minder-valide - ze lopen met n voet in de goot en met de andere op de stoeprand.

Da[d] aat vraake s toch een rrem kwakkelgat. = Het is hinderlijk voor dat vrouwtje dat ze zo slecht kan lopen.

 

kwatsj

zn (de), mv: -

1. Larie en apekool, onzin, kletspraat. [>Nl. quatsch, kwatsch]

't Geen da gij d[r] allem vertlt, da's toch dikke kwatsj, znne. = Wat jij daar allemaal vertelt, is eigenlijk larie en apekool.

 

 

kwddele

zn, =mv, verklw: -

1. Ruzie, problemen, moeilijkheden.

Z'mme kwddele! = Ze hebben ruzie! Er is onmin!

'k m kwddele m mene gebuur. = Ik heb ruzie met mijn buur.

Da's al jre da Mrie m[j] eur buurvraa kwddele[n] ej... Zaa ze nog weete wroem? = Marie heeft al jaren ruzie met haar buurvrouw... Zouden ze eigenlijk nog weten wat de aanleiding was?

 

2. Zorg, kommer, last, ongemak.

Da[d] s al die kwddele ni wt! Gft mij agaa ne pot paraasoep, n da zal ook wl goe zijn. = Dat is al die last niet waard! Geef me gewoon een pot preisoep, en dat zal ook wel smaken.

M[j] alle kwddele van die botsing, was ek nog vergeete n[r] ons moe te gn. = Als gevolg van de ongemakken van de botsing, was ik vergeten naar mijn moeder te gaan.

 

kwddelejr

zn (ne), mv: kwddelejrs - verklw: kwddelrreke (e) - vrwl: kwddels (een)

1. Praatziek man.

Zwijgt naa s, kwddelejr! = Zwijg eens, praatgraag!

Och kwddelejr,gij mokt me m wa wijs. = Jij praat maar op, en probeert me iets op de mouw te spelden.

 

kwddels

zn (een), mv: kwddelsse - verklw: kwddelske (e)

1. Praatzieke vrouw.

A ge zoon kwddels in ojs t, dn zdde zleg! = Met zo een praatzieke vrouw in huis heb je geen geluk.

De juffraa zej dat ons klaan nogaleen kwddels s. = De onderwijzeres zegt dat ons dochtertje veel te veel praat in de klas.

 

 

kwk

zn (ne), mv: kwke - verklw: kwkske (e)

1. Mond, tater. Komt waarschijnlijk van kwekken (kikkergeluid) of kwaken (eendengeluid). [>Nl. kwek = mond]

Aat aave kwk! Of ik slg eroep... = Hou je mond! Of je krijgt een mep...

 

kwker

zn (ne), mv: kwkers - verklw: kwkertsje (e)

1. Zwelling van de hals, vaak ten gevolge van een slecht of niet meer werkende schildklier.

z'mme[n] m moete[n] oppereere van ne kwker, m naa g[g] et trug bejter m[j] m. = Men heeft hem geopereerd van een gezwel in de hals, maar nu is hij herstellende.

Zie ook: kwaaker.

 

kwee(k)pejr

zn (een), mv: kwee(k)pejre - verklw: kwee(k)prreke (e)

1. Kwee, gele geurige schijnvrucht van die boom, die appel- of peervormig is (boom van de soort Cydonia oblonga).

Ik eet gejre zjelij van kweekpejre, m d'er zn veel mnse die da d ni moete van mme. = Ik eet graag kweeperenjam, maar er zijn heel veel mensen die het niet lusten.

 

kweetnjoeveel

bijw

1. Heel veel, oneindig veel, met een onschatbaar aantal, een niet nader te bepalen hoeveelheid

Toen a ze sprken oover raktte mj atoomboemmen in ons land te ztte, z'm in Brussel gn betooge, n d wre kweetnjoeveel mnse! = Toen men van plan was kernraketten in ons land te plaatsen, zijn we in Brussel gaan betogen, en er stapten ontzettend veel mensen mee op!

Menijr De Naeyer dijn ej kweetnjoeveel mnsen n wrrek gollepe. = Mijnheer De Naeyer heeft veel mensen tewerkgesteld (maar ik kan niet zeggen hoeveel het er juist zijn).

 

kwejn

zn (een), mv: kwejne - verklw: kwntsje (e)

1. Oud en gierig vrouwtje.

'k m die[j] aa kwejn s goe[w] oep eer plets gezt. = Ik heb dat vrouwtje eens ronduit mijn mening verteld.

D verschiet ek'ik ni van da die kwejn ni n ne vnt gerokt! = Het verwondert me niet dat die gierige vrouw geen geschikte echtgenoot vindt.

 

kwtters

bijv nw, tvgl: -

1. Gelijke score of puntenstand, bijv. bij het knikkeren. [>Fr. quitte]

Me zn kwtters = we zijn quitte.

M'mme kwtters gespld = we hebben gelijk gespeeld, we haalden dezelfde score.

 

 

kwiebis / kwiebus

zn (ne), mv: kwiebisse / kwiebusse - verklw: kwiebiske / kwiebuske (e)

1. Kwibus, lachwekkend iemand. [>Nl. kwibus] [>Lat. quibus]

Zotte kwiebis! = Grapjas!

Ge moet dij ni geloove, die kwiebis ej[d] aa wral beet genoome! = Je moet hem niet geloven, hij heeft je beetgenomen.

 

kwikke

ww, verv: kwik - kwikte - gekwikt

1. Wegen, uitbalanceren, het gewicht bepalen, vaak een ruwe schatting door het voorwerp op de hand te leggen en zo het gewicht te schatten. [>Nl. wikken]

Ma'k ik da[d] s kwikke? j... da weegt zeeker drij kilo. = Mag ik het even wegen? Ja hoor ... dat weegt minstens drie kilogram.

 

zn (ne/een), mv: kwikke - geen verklw

2. Lenige man of vrouw, iemand die zich soepel, vlug en levendig beweegt. Vaak ook gezegd van iemand die vlot gymnastiek beoefent. [>Nl. kwiek]

Zodde naa zgge da dij[n] al aaver s as ssteg jr? Zoo ne kwikke! = Zou je durven te stellen dat hij al over de zestig is? Het is zo een lenige man!

 

kwikkele

ww, verv: kwikkel - kwikkelde - gekwikkeld

1. Wankelen, heen en weer bewegen, onvast zijn, schommelen.

Krij'k s een bierkotsje? De tfel kwikkelt, n as ek er da[d] onder lg s't gedn. = Mag ik eens een bierviltje? De tafel waggelt, en als ik er een viltje onder leg is dat verholpen.

 

 

kwispeltier / kwispeltuur

zn (ne), mv: kwispeltiere / kwispeltuure

1. Iemand die eigenlijk niet goed weet wat hij of zij wil, wispelturig persoon. [>Nl. wispelturig]

Dn doe ze't ijn - dn doe ze't ander - m tiert noot ni lank. Da's naa cht een kwispeltier! = Nu doet ze dit, dan doet ze dat, maar het duurt nooit lang. Ze is wispelturig!

 

kwistenbibbel

zn (ne), mv: kwistenbibbels - verklw: kwistenbibbeltsje (e)

1. Raar iemand, iemand waarom men vaak moet lachen.

Dij kwsistenbibbel ej[d] ons e zterdag nogal doen lache, znne! = Die grapjas heeft ons zaterdag erg aan het lachen gebracht.

 

2. Vriendelijke verwensing.

Sch kwistenbibbel, gde nog beginne of gde d[r] ijl den dach oep aa gat zitte? = Hee kerel, ga je nog iets doen vandaag of blijf je de ganse dag zitten niksen?

 

kwizzenjee

zn (ne), mv: kwizzenjees - verklw: kwizzenjeeke (e)

1. Kachel die dient om het eten te bereiden, kookfornuis. [>Fr. cuisinier]

'k m ne nieve kwizzenjee gekocht, m mijr plets ve de potte. = Ik heb een nieuw kookfornuis gekocht, met een grotere kookplaat voor de pannen.

 

 

kw

zn (ne/een), mv: kw - geen verklw

1. Kwaad iemand, persoon die er kwaad uitziet.

Past mr oep aa tlle, want das een kw, znne! = Let maar op wat je doet, want het is een boze vrouw, hoor!

Och... de mijster s nog zoone kw ni! = Ach... de leraar is nog niet zo'n kwade kerel!

Zie ook: k.

 

 

Laatste wijziging 15-06-2008 - Toevoegen afbeelding
10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl