A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
KAA
KAB
KAL
KAS
KE
KER
KI
KLA
KLI
KN
KO
KOM
KOO
KRA
KRO
KW
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

krabbekooker

zn (ne), mv: krabbekookers - verklw: krabbekookertsje (e)

1. Sukkelaar, prutser, krabbelaar, iemand die er niet al te veel van terecht brengt.

Naa[j] mme'k aa m[j] annen n tannen ojtgelej oe da ge da moet doen, n ge snap et nog altij ni. Gij z toch ne krabbekooker, znne! = Nu heb ik je tot in het kleinste detail uitgelegd hoe je moet tewerk gaan, en toch begrijp je er nog steeds niets van. Je bent echt een prutser, hoor!

 

krabber

zn (ne), mv: krabbers - verklw: krabberke (e)

1. Sukkelaar, iemand die nooit wint, iemand die slecht presteert.

Da's ne krabber van ne koereur. = Dat is een slechte renner, n die het er niet goed van af brengt.

Ge z ne krabber joeng! Ge zl et ni vr bringe. = Je bent een sukkel, en je zal het nooit ver schoppen.

 

2. Voorwerp dat gebruikt wordt om iets weg te krabben zonder te krassen.

Moet e krabberke[n] mme v aa rojte? = Wil je een plaatje om het ijs van de autoruit te krabben?

 

krakkelee

bijv nw, tvgl: -

1. Vol kleine barstjes, wordt gezegd van een glazen voorwerp dat tijdens de productie gecontroleerd werd afgekoeld, waardoor de buitenste laag er als gebarsten uitziet. [>Fr. craqueler]

Ik m e krakkeleeje gelze srvies. 't Ziet er schoon ojt, m[r] ijgelek s da gelas te dik oem ojt te drinke. = Ik heb een glazenservies dat craquel is. Het ziet er misschien mooi uit, maar eigenlijk is het glas te dik om smakelijk te kunnen drinken.

 

kramakeg / kramakkelek

bijv nw, tvgl: kramakeg - kramakeger - kramakegst  /  kramakkelek - kramakkeleker - kramakkelekst

1. Niet goed te been. [>Nl. krikkemikkig, krakkemikkig]

A'k mene stok ni m, dn zn ek ijl kramakeg. = Als ik geen steunstok heb, dan ben ik niet zo best te been.

Z'mme v da kramakeg vraake ne rolstoel gekocht. = Men heeft voor dat vrouwtje dat zo slecht te been is een rolstoel gekocht.

 

2. Gammel.

Z'mme[n] e kot gebaad in den of, m 'k paas dat er ni lank zal stn want et ziet er m kramakkelek ojt. = Ze hebben een hok gebouwd in de tuin, maar ik denk dat het niet lang recht zal blijven staan vermits het er heel gammel uitziet.

 

 

kramikkebroot

zn (e), mv: kramikkebroos - verklw: kramikkebrooke (e)

1. Geglaceerd brood met krenten. [>Nl. kramiek] [>Lat. crede mihi = geloof mij, op brood ingedrukte spreuk]

V mij e kramikkebroot asteblief, bakker! = Voor mij een krentenbrood alstublieft, bakker!

 

 

kramikkel

bijv.nw, geen tvgl.

1. Gebrekkig, kreupel. [>Nl. krakkemikkig]

Kramikkel stn = een gebrekkige houding aannemen.

 

krawaa

zn (ne), mv: krawaas - verklw: krawaake (e)

1. Karwei, taak. [>Nl. karwei]

Dij[n] s oep krawaa. = Hij is een karweitje gaan opknappen.

 

krawaaman

zn (ne), mv: krawaamanne - verklw: krawaamanneke (e)

1. Karweiganger, oorspronkelijk de man die 'op karwei ging', vaak zelfs met opdrachten in het buitenland zoals bij seizoenarbeiders.

As krawaaman moet em soems n't bojteland, n dn moete'kik m mene plan trkke m de klaan manne. = Als karweiganger moet hij al wel eens naar het buitenland, en dan moet ik uiteraard een oplossing vinden voor de kinderen.

 

2. Klusjesman, man die alles opknapt.

De loodgieter s oep zuuk n e pr goej krawaamanne. = De loodgieter zoekt enkele goede klusjesmannen.

 

krawasj

zn (een), mv: krawasje - verklw: krawasjke (e)

1. Zweep uit n stuk, karwats. [>Nl. krawats] [>Turks kirba]

Ge meegd aave[n] ont ni slge m de krawasj want dn zal em zeeker ne mij lstere. = Je kan beter je hond niet slaan met de zweep, want dan wordt hij waarschijnlijk nog minder gehoorzaam.

 

krawlleg

bijv nw, tvgl: krawlleg - krawlleger - krawllegst

1. Kregelig, onrustig, zenuwachtig, ongeduldig, ontstuimig, onbesuisd, ondoordacht, uit zijn humeur, weerbarstig, gerriteerd, kregel, opvliegend. [>Nl. kregelig]

Aat aa krawllege joeng m bij. = Hou je onrustige kinderen maar bij je.

 

 

krme(na)gelas

zn (ne), mv: -  verklw: krme(na)gelaske (e)

1. Roomijs, met room klaargemaakt ijs. [>Fr. crme glace]

In de zoomer komme d'er verschillende krmenagelas karrekes deu't strt. = In de zomerperiode rijden er regelmatig ijswagentjes door de straat.

Ve mij e krmmegelaske in een tooreke. = Voor mij een ijsje in een hoorntje.

Mr ik m liever e galtteke krmegelas, as' t ver aa 't zllefste[n] s. = Maar ik heb liever een wafel met ijsroom ertussen, als je het niet erg vindt.

 

Zie ook: krmmeke, galtteke.

 

kreemele

ww, verv: kreemel - kreemelde - gekreemeld

1. Kietelen, kriebelingen opwekken. [>gewestelijk Nl. kriemelen]

Ik kan ni teege kreemele! = Ik verdraag het niet dat iemand me kietelt.

'k Zal aa sebiet s wa komme kreemele - ge zlt dn wl lache! = Let op: seffens kom ik je wat kietelen. Dan zal je wel lachen!

Zie ook: keetele.

 

krmfrsj

zn (de), mv: -

1. Slagroom, verse room. [>Fr. crme frache]

Een btsje krmfrsj in aa tomattesoep, n iederijn paast dat fijst s. = Een beetje room in de tomatensoep, en iedereen denkt dat het feest is.

 

krmfwa(j)ttee

zn (de), mv: -

1. Slagroom. [>Fr. crme foutte]

E sjoeke m krmfwattee vertejrd oemes loecht. = Een soesje gevuld met slagroom verteert immers makkelijk.

 

krmoobeur

zn (de), mv: -

1. Boterroom. [>Fr. crme au beurre]

Van patteekes m krmoobeur zn ek'ik ni zoo zot. Ik vin die veel te zwr. = Gebakjes met boterroom vind ik niet zo lekker. Ze zijn me te rijkelijk, te zwaar om te verteren.

 

krmpap

zn (de), mv: - verklw: krmpappeke (e)

1. Vla, pudding, zoet, dikvloeibaar nagerecht.

Goe[d] eete da wilt ve mij zgge: soep, petatte m vlijs n grunte, n dn krmpap. = Een volledig middagmaal bestaat voor mij uit soep, aardappelen met vlees en groenten, en als afsluiter pudding.

 

 

 

krejkele

ww, verv: krejkel - krejkelde - gekrejkeld

1. Twisten, ruzie maken, krakelen.

Ge wt da ch'ongelijkt, n toch blijve krejkele m mekandere! = Je weet dat je ongelijk hebt, en toch blijf je onderling maar ruzie maken!

In plets van te krejkele zodde mekandere bejter d'ant geeve[n] n ooverijnkomme! = In plaats van te twisten, zou je mekaar beter de hand reiken en het met mekaar eens zijn!

 

krejtelek

bijv nw, tvgl: krejtelek - krejteleker - krejtelekst

1. Ergerlijk, irriterend, erg, spijtig, vervelend, lastig.

Dn stt dij[n] aa in aa gezicht ojt te lache, da's zoo krejtelek ! = Het is echt ergerlijk als hij je ronduit staat uit te lachen.

 

krmmeke

zn (e),=verklw,  mv: krmmekes

1. IJsje.

'k Oorde de bl van 't krmkarreke, n 'k z'allem getrakteerd oep e krmmeke. = Ik hoorde de bel van de ijscoman, en heb iedereen een ijsje aangeboden.

 

Zie ook: krme(na)gelas.

 

krsse

ww, verv: krs - krste - gekrst

1. Tieren, schreeuwen, krassen roepen. Is mogelijk afgeleid van het geluid dat kraaien maken? [>Ndl. krassen]

Ve wa ligde d naa wee te krsse? Zoo klaan n zoo veel lawaat! = Waarom ben je nu weer aan het tieren? Zo klein en toch maak je zo veel lawaai!

 

 

krteze

zn (de), mv: -

1. Geprikkeldheid over iets, meestal gepaard gaande met gesar, gejammer, geklaag.

'k Krijg de kretteze[n] azze'k em zien. = Ik word geprikkeld als ik hem tegen kom.

 

kreske

zn (e), =verklw, mv: kreskes

1. Letterlijk: kruisje.

In die[j] aa boerderijkes mme de mijste mnse[n] e kreske boove de deur ange. = In oude boerderijtjes hebben de meeste bewoners een kruisje boven de deur hangen.

 

2. Kruisteken, dat gemaakt wordt als symbool in het christelijk geloof.

Kom! Veu da che g slpe zal ek aa nog e kreske geeve. = Kom even hier! Voor je naar bed gaat geef ik je nog een kruisje (mijn zegen).

 

Zie ook: krojs.

 

krzzele

ww, verv: krzzel - krzzelde - gekrzzeld

1. Knarsen, een ongelijkmatig, schurend, onaangenaam geluid voortbrengen.

Ik oorde[n] inijns iet krzzele, n 'k docht:"s da naa de poot van de stal die[j] oopeg?" = Ik hoorde een knarsend geluid, en dacht:"Is dat nu de poort van de schuur die geopend wordt?"

 

 

kribbele

ww, verv: kribbel - kribbelde - gekribbeld

1. Iemand kittelen.

Ik kan ni teege kribbele[n] onder men rreme. = Ik verdraag niet dat men me onder de armen kietelt.

 

2. Slecht en onleesbaar schrijven.

Doktoors kribbele zoo t, da den apoteeker et ook soemsni kan leeze. = Het handschrift van sommige artsen is zo onduidelijk, dat zelfs de apotheker het niet kan lezen.

 

kribbelenbojk

uitdrukking

1. Gevoel in de buik dat men krijgt bij plotse op- of neergaande bewegingen. Dit is bijv. Het gevoel dat men ervaart op kermisattracties, als een vliegtuig last ondervindt van luchtzakken of als een auto over een korte maar felle verhoging rijdt.

Me zn oep de kakkawallek gewst n ier n d voelde 'kik toch wl een btsje kribbelenbojk, znne. = We zijn op de kermisattractie "cakewalk" geweest, en hier en daar had ik toch wel kriebels in de buik, hoor.

 

krijteke

zn (e), =verklw, mv: krijtekes

1. Meestal in het meervoud 'krijtekes' gebruikt. Knikker die uit klei gemaakt wordt en gebakken; daardoor niet altijd perfect bolvormig en veel kwetsbaarder dan glazen knikkers.

M manneke toch! M die krijtekes kunde gij et teege mijn biekes ni[j] le, znne! = Maar jongen toch! Met die klei knikkers kan je niet winnen tegen mijn glazen knikker, hoor!

 

krikkel

bijv nw, tvgl: krikkel - krikkelder - krikkelst

1. Zenuwachtig, nerveus. [>Nl. kriekel]

Ik vin daa chij toch m[r] e krikkel manneke z, znne! = Ik meen dat jij toch een zenuwachtig kereltje bent, hoor!

 

2. Opvliegend, nijdig, driftig, gespannen. [>Nl. kriegel]

Ne krikkele zot = een opvliegend persoon.

 

 

krinkel

zn (ne), mv: krinkels - verklw: krinkeltsje (e)

1. Bocht. [>Nl. kronkel]

Ge moet oeppasse as ge n Drremon rdt, want n 't Of ter Bolle lejt er ne gevrleke krinkel in de wg. = Je moet opletten als je naar Dendermonde rijd, want in de buurt van het Hof ter Bollen ligt er een gevaarlijke bocht.

 

2. Gebogen lijn, curve. [>Nl. kronkel]

Ons klaan kan al goe tijkene: ze trkt allem lijnen n krinkels, n dn kleurt ze die. = Ons dochtertje heeft al tekentalent: ze trekt rechte en kromme lijnen, en dan vult ze de vakjes op met kleuren.

 

3. Twee parallel lopende lijnen, waarbinnen zich een spel moet afspelen (bv. bij scheetvollege), in de grond gekrast met een puntig voorwerp, of met krijt getekend op een harde ondergrond.

M'mme een bontsje getijkend m[j] allem krinkels, n naa zelle m's zien wie dat er ie't bst kan mrrebolle! = We hebben een knikkerparcours uitgetekend met allerhande bochten, en nu gaan we zien wie er het beste met de knikkers kan spelen!

 

kristallizee

zn (de), geen mv

1. Kristalsuiker, suiker waarvan de korrels kristallen zijn.

G naa n Boerekes s rap e pak kristallizee koope. = Ga naar kruidenier Boerekes eens vlug een pak kristalsuiker halen.

 

 

Laatste wijziging 15-06-2008 - Toevoegen afbeelding
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl