A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
SAA
SCHE
SCHI
SCHR
SE
SI
SJE
SL
SM
SN
SO
SP
STA
STI
STR
 U  V
 W  X
 Y  Z

sjt

zn (ne), mv: sjte - verklw: sjtsje (e)

1. Staart.

Z'ej sjtsjes in eur r. = Ze draagt staartjes in haar haar.

E pjt ej ne sjt. = Een paard heeft een staart.

Ge moet ni paaze da'k et ie bij lt, manneke! Ge meugt gerust zen da da floozeke nog e sjtsje krgt! = Je hoeft zelfs niet te denken, dat ik het hierbij laat! Je kan er van op aan dat dit grapje nog (zware) gevolgen zal hebben!

 

sjter

zn (ne), mv: sjters - verklw: sjterke (e)

1. Iemand die iederen uitvraagt en alles tot het laatste (de sjt) wil te weten komen.

Die klaan van de gebiere s nogal ne sjter, znne! = Het dochtertje van de buren stelt voortdurend vragen en wil lles weten.

 

Zie ook: vrgsjter

 

sjffel / sjffels

zn (een), mv: sjffels / sjffelsse - verklw: sjffeltsje / sjffelske (e)

1. Vrouw die alles langzaam doet, treuzelende vrouw, al sloffende.

Da'se zoon sjffels de winkel lte doen! = Hoe komt men op het idee om zo een trage vrouw te laten bedienen in een winkel.

 

sjffele

ww, verv: sjffel - sjffelde - gesjffeld

1. Sloffen, treuzelen, iets traag doen.

'k Was al e kotier n 't wachte n dn kwam'em n gesjffeld, znne. = Ik wachtte al een kwartier en toen kwam hij traag aangesloft.

 

 

sjffelejr

zn (ne), mv: sjffelejrs - verklw: sjffelrreke (e)

1. Man die alles langzaam doet, treuzelaar, man die sloft.

't s t'oope da'se dij sjffelejr bij de brantweer ni wille. = Hopelijk wordt die trage man niet bij de brandweer aanvaard.

 

sjfkok

zn (ne), mv: sjfkokke / sjfkoks - verklw: sjfkokske (e)

1. Kok, chef-kok, iemand die eten bereidt als beroepsbezigheid.

Me gn een fijst doen, m me weete nog ni of da me ne sjfkok of een kooks gn neeme oem et eete klejr te mke. = We gaan een feest organiseren maar we weten nog niet of we een chef-kok of een traiteur zullen aanspreken voor de bereiding van het eten.

 

Zie ook: kok.

 

 

sjmmel

zn (een), mv: sjmmels

1. Iemand die slentert of treuzelt, die traag gaat of alles traag doet.

A'ze schoon talaazje zie, dn wer et inijns een sjmmel. = Als ze aangetrokken wordt door de uitstalramen, gaat ze plots trager lopen.

 

Zie ook: smmel, sjffelejr, sjmmelejr.

 

sjmmele

ww, verv: sjmmel - sjmmelde - gesjmmeld

1. Slenteren, traag lopen, heel traag iets doen, treuzelen.

Komejn kindere! Ni sjmmele! = Komaan kinderen, niet lanterfanten!

 

Zie ook: smmele, sjffele.

 

sjmmelejr / sjmmels

zn (een), mv: sjmmelejrs / sjmmelsse - verklw: sjmmelrreke / sjmmelske (e)

1. Treuzelaar, iemand die treuzelt.

Dij klnste[n] s e sjmmelrreke, m ze zisterke s gijn sjmmels. Da's een rappe. = Het kleinste jongetje is een treuzelaar maar zijn zustertje is gn trage. Dat is een vluggerdje.

 

Zie ook: smmelejr / smmels, sjffel / sjffeljr / sjffels.

 

sjmmelzjoo

zn (een), mv: sjmmelzjoos - verklw: sjmmelzjooke (e)

1. Vrouw of meisje die alles heel traag doet, al treuzelende.

Sch, sjmmelzjoo, gde naa bekan komme? = Maak een beetje voort, traag meisje, kom je nu bijna?

 

 

sjn(g)sln

zn (ne), mv: sjn(g)slns - verklw: sjn(g)slnke (e)

1. Ligzetel, fauteuil. [>Fr. chaise-longue]

E voelde zen ejge ni goe n dmee s em wat oep de sjnslon gn ligge. = Hij voelde zich niet al te best, en daarom is hij even in de fauteuil gaan liggen.

 

 

sjepap

zn (een), mv: sjepappe - verklw: sjepappeke (e)

1. Ventiel van een band. [>Fr. soupape]

Wr s't sjepappeke, da'k aaven bant oeppoemp? = Waar is het ventiel, zodat ik jouw band oppomp.

 

Zie ook: soepap.

 

 

sjtsbijn

zn (et), mv: sjtsbijne (zelden) - meestal verklw: sjtsbjntsje (e)

1. Staart- of stuitbeen, samenstelling van beentjes die de staart vormen.

'k Von da ni plzant da ge mene stoel t wggetrokke, want 'k zn rcht oep me sjtsbjntsje gevalle, n 'k moet a ni zgge oe zijr da da doe, zeeker? = Eigenlijk was het helemaal niet grappig om mijn stoel weg te trekken, want ik ben op mijn stuitbeen terechtgekomen, en ik hoef je zeker niet uit te leggen dat het pijn doet?

 

 

sjik

bijv nw, tvgl: sjik - sjikker - sjikst

1. Mooi. [>Fr. chique]

E sjik ojs m sjikke meebele. = Een mooi huis met mooi meubilair.

 

zn (een), mv: sjikke - verklw: sjikske (e)

2. Oorspronkelijk kauwtabak. Nu alles waarop gedurende langere tijd gekauwd wordt, kauwgom.

Noenkel Zjef aa altij ne zak toebak bij oem een sjik te dr. = Nonkel Jozef had altijd een zak pruimtabak bij.

 

3. Ook figuurlijk.

Da krgde veu ne frang n een sjik! = Dat krijg je bijna gratis.

 

 

sjikkee

zn (de), mv: -

1. Vals vertoon, voorwendsel, vertoon. [>Fr. chique]

Dlleft was meschin w, n de rst was sjikkee. = De helft was misschien waar, en de rest was allemaal voorwendsel.

Veel sjikkee in e klaa strotsje. = Veel bluf, maar eigenlijk leven ze gierig.

 

2. Wordt echter ook gebruikt om de meer gegoeden aan te duiden, de welgestelden, de rijke mensen.

In Willebroek s er ni[j] cht ne kottee wda de sjikkee went. = In Willebroek is er niet echt een buurt waar alleen de meer gegoeden wonen.

 

sjikkelt

zn (ne), mv: sjikkeltte

1. Kauwgom. [>Eng. chiclet]

d'Amerikne[n] mme[n] ons van den Dets bevrijd, m z'mme sjikkelt achter gelte. = De Amerikanen hebben ons bevrijd van de Duitse bezetting, maar ze hebben ons kauwgom leren kennen.

 

sjikkeneere / sjikkoneere

ww, verv: sjikkeneer - sjikkeneerde - gesjikkeneerd of sjikkoneer - sjikkoneerde - gesjikkoneerd

1. Steeds vitten en negatieve opmerkingen op iemand maken, waardoor deze laatste gewoonlijk heel nerveus wordt. Ontevredenheid of kritiek uiten. [>Fr. chicaner] [>Nl. sikkeneurig]

Naa zn'ek da muug, m altij[d] oep mij te zitte sjikkeneere! = Nu ben ik het beu dat je altijd op mij zit te vitten.

 

 

sjikkeneur / sjikkoneur

zn (ne), mv: sjikkeneurs / sjikkoneurs - verklw: sjikkenerreke / sjikkonereke (e)

1. Vitter, iemand die op alles kritiek levert of opmerkingen maakt, iemand die nooit tevreden is, criticaster. [>FR. chicaner]

Aa'k geweete da gij zoone sjikkeneur wort, dn aa'k noot m[j] aa getraat! = Had ik geweten dat jij zo een vitter was, dan was ik nooit met jou getrouwd!

 

 

sjimik

zn (de), mv: -

1. Verzamelnaam voor chemische stoffen of producten die chemisch werden bewerkt. [>Fr. chimique]

Veel grunte die g'in de winkel kept zien er wl goe[d] ojt, m da komt dikkels deu de sjimik dij ze gebrojke. = De groenten die je in sommige winkels koopt zien er dan wel goed uit, maar vaak is dat het gevolg van de chemische middelen die worden gebruikt (bij de teelt).

 

2. Manier om een smaak aan te duiden van iets wat men niet lekker vindt.

Ik drink gejre e likerreke, m't geen da gij d pakt, da vinne'k ik persies sjimik. = Ik drink graag zoete likeur, maar wat jij daar drinkt, vind ik te chemisch smaken.

 

sjippoteere

ww, verv: sjippoteer - sjippoteerde - gesjippoteerd

1. Knutselen, frutselen. [>Fr. chipoter = ergens over zeuren of klagen]

Wa zitte d naa wee te sjippoteere? Ne vlieger? n paasde dat em g vliege? = Wat zit je daar nu weer in mekaar te knutselen? Een vlieger? En geloof je dat hij zal vliegen?

 

sjmink

zn (-), geen mv

Zie: smink.

 

 



sjoe

zn (ne), mv: sjoes - verklw: sjoeke (e)

1. Troetelnaam: schat, lieveling. [>Fr. chou]

Gij z mijne[n] bste sjoe. = Jij bent mijn allergrootste lieveling.

Het woord sjoe wordt in Willebroek (en heel Klein Brabant) nogal vaak gebruikt, zowel te pas als te onpas.

 

Zie ook: sjoeter.

 

Verklw: sjoeke.

2. Langwerpig en hol gebak dat gevuld wordt met patisseriecrme of slagroom. Bovenop komt een laagje chocolade- of mokkaglac. [>Fr. chou, clair]

's Mendags ej de pattesjee vsse sjoekes. = 's Maandags heeft de patissier verse soezen, clairs.

 

sjoefele

ww, verv: sjoefel - sjoefelde - gesjoefeld

1. Marchanderen, op een eerder bedenkelijke manier goederen proberen te verhandelen.

M wa stde naa wee te sjoefele? = Wat probeer je nu weer aan de man te brengen?

 

sjoeter

zn (e), mv: sjoeters - verklw: sjoeterke (e)

1. Troetel- of lievelingsnaam.

Sch sjoeterkes, moete glle gijn bees mme? = Zeg lieverds, willen jullie een snoepje?

 

Zie ook: sjoe.

 

sjoggeleere

ww, verv: sjoggeleer - sjoggeleerde - gesjoggeleerd

1. Spelen met een kind, ravotten. [>Fr. jouer?]

G naa m wa bojte sjoggeleere, dn slopte strak goe. = Ga nu buiten maar wat ravotten, dan slaap je straks vast.

 

 

sjokkelat

zn (de), mv: -

1. Chocolade. [>Nl. chocolade]

In de sjokkelat van Zjaak zte vruuger beelekes. = In de verpakking van de repen chocolade van Jacques vond je vroeger prentjes.

M Pse krgt iederijn sjokkelatte[n] aare. = Met Pasen krijgt iederen chocolade eieren.

 

sjokkelattekaffee

zn (de), geen mv: -

1. Cacaodrank, drank gemaakt van warme of koude melk met chocolade of cacao er in opgelost, chocomel.

As de kindere va me zuster sondochs bij mij zn, kan ek eule gij greter plzier doen as m sjokkelattekaffee m korntebroot. = Als op zondag de kinderen van mijn zuster op bezoek zijn, kan ik hen niet meer plezieren dan met warme chocolade en kramiek.

 

Zie ook: kakkejoo.

 

sjokkele

ww, verv: sjokkel - sjokkelde - gesjokkeld

1. Niet stil zitten, steeds bewegen, bv. zitten schommelen met een stoel.

A ge nog veul m dij stoel zit te sjokkele, gde nog wl s achteroover valle. = Als je nog lang met die stoel schommelt, val je nog wel eens naar achteren.

 

sjokkoo

zn (de), mv: -

1. Chocopasta. [>Nl. choco]

A'k ik klijn was beston er allijn sjokkoo van Kwattaa, m naa dde wl ondert mrreke. = Toen ik een kind was had je uitsluitend chocopasta van het merk Kwatta, maar nu bestaan er zeker honderd merken.

 

 

sjomakkes(j)oep m sjomakkesaas

zegswijze

1. De naam van een gerecht, bereid door schijven tomaat op te leggen in een mengsel van olie en azijn. Tussen de schijven worden stukjes rauwe ui gelegd. De tomaten moeten helemaal in het mengsel zitten; er wordt nogal veel olie gebruikt.

Deze "sla" werd wel eens op de schenkbank geplaatst in de herbergen. Tussen het drinken door nuttigde men dan wat van de sla, want men zou daardoor "langer nuchter" blijven.

 

 

sjossetijt

zn (de/een), mv: sjosetijte - verklw: sjossettsje (e)

1. Vereniging, sociteit, vennootschap, genootschap, gezelschap. [>Fr. socit]

Alle jre m twijde sinksendag g me m de sjossetijt n de zij. = Elk jaar opnieuw gaan we op Pinkstermaandag met het genootschap naar de kust.

 

Zie ook: sosjetijt.

 

 

sjot

zn (ne), mv: sjotte

1. Stamp. [>Nl. shot]

Imant ne sjot in ze'nen inkpot geeve, dat'em al schrijvende vetslept. = Iemand een stamp tegen zijn achterste geven, op een manier dat hij het niet meer zal vergeten.

 

sjotte

ww, verv: sjot - sjotte - gesjot

1. Stampen. [>Nl. shotten]

Ge moet s teege[n] aave klaane zgge dat'em nemij n de mnse mag sjotte. = Je moet je kind afleren naar de anderen te stampen.

 

2. Voetbal spelen.

E zondag moet'ek gn sjotte; 'k stn in de gool. = Nu zondag moet ik voetbal spelen, ik ben doelwachter.

 

sjotter

zn (ne), mv: sjotters - verklw: sjotterke (e)

1. Voetballer. [>Nl. shotten]

n ofda't naa rejgent of ni, 't sondochs stn die sjotterkes oep 't plaan. = Regen of niet, maar de jonge voetballers spelen elke zondag.

 

 

 

Laatste wijziging 06-07-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl