A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
SAA
SCHE
SCHI
SCHR
SE
SI
SJE
SL
SM
SN
SO
SP
STA
STI
STR
 U  V
 W  X
 Y  Z

sbbedeejas

zn (ne), mv: sbbedeejasse - verklw: sbbedeejaske (e)

1. Iemand die veel te veel nadenkt, en in alles eerder het slechte ziet, tobber. [>Zebedeus = bijbelse naam] [>Aramees Zabdai = gift van de Heer]

Wroem paasde gij naa altij da't g verkijrd loope? Gij z toch wl nen chte sbbedeejas, znne. = Waarom denk je in de eerste plaats altijd dat het verkeerd zal aflopen? Jij bent een echte tobber, hoor.

 

2. Figuurlijk: triestig uitziend of meelijwekkend persoon.

Ochuujre... zie diej sbbedeejas d naa loope m zen broek die te ket s n e frakske da ge nog ni bij de vodde zot derreve smijte! = Ocharme... zie die arme sukkel daar nu lopen met een te korte broek en een jas die je zelfs niet als vod kwijtraakt!

 

Zie ook: zbbedeejas.

 

sebiet

bijw

1. Seffens, subiet, dadelijk.

Sebiet komme'k aave kop wasse, m'k moet ie ijst nog iemant schejre. = Ik kom dadelijk je haar wassen, maar eerst moet ik nog iemand scheren.

 

sch / sggee

uitroep

1. Zeg! H zeg!

G da naa gedn zen, sch? = Is het nu bijna gedaan, zeg? H zeg, stoppen jullie er nu eindelijk mee?

 

sr

zn (een), mv: sre - verklw: srreke (e)

1. Serre, gebouw dat meestal uit veel glas bestaat om planten te kweken en / of te beschermen tegen koude temperaturen. [>Nl. serre]

'k m een sr in menen of gezt, oemda'k zllef salt wil kweeke. n dn kan ek rapper berginne z! = Ik heb een serre gezet in mijn tuin, omdat ik zelf sla wil kweken. Dan kan ik vlugger zaaien.

Vlak teege Brussel s er e gelze derrep: allem sre n srrekes oem drojve te kweeke, w da ze dn lter schojmwijn van mke. = In de nabijheid van Brussel is er een glazen dorp: allemaal serres om druiven te kweken; hiervan wordt dan in een latere fase schuimwijn gemaakt.

 

 

seevetech

telw, seevetechste (de)

1. Zeventig.

A ge seevetech jr z, dn moete ne mij in de koers raa. = Als je zeventig bent, ga je toch niet meer aan een wielerwedstrijd deelnemen.

 

seevetechste

telw, (de)

1. Zeventigste.

'k Moest ni stoefe want ik was de seevetechste van d'ondert. = Ik hoefde niet op te scheppen want ik eindigde als zeventigste op de honderd.

 

sekuure

zn (ne), geen mv

1. Iemand die heel precies tewerkgaat, die veel oog heeft voor detail, iemand die zijn tijd neemt om alles goed te doen.

s aa orlozje kapot? G dn m n de gaatwinkel. Everaar s ne sekuure n dij zal aa orlozje rap mke. = Is je uurwerk stuk? Ga dan maar vlug naar de horlgoerie. Everard werkt heel nauwkeurig en zal je uurwerk vlug herstellen.

 

Zie ook: zeekere.

 

smmele

ww, verv: smmel - smmelde - gesmmeld

1. Traag zijn, treuzelen (vaak opzettelijk).

Zie ze d na stn smmele bij die zoomeroejkes. = Nu staat ze opzettelijk te treuzelen bij de stand van de zomerhoedjes.

 

Zie ook: sjmmele.

 

 

smmelejr / smmels

zn (ne), vrwlk (een), mv: smmelejrs / smmelsse - verklw: smmelrreke / smmelske (e)

1. Treuzelaar, iemand die treuzelt.

M die smmelejr gerk ekik noot ni wg. = Doordat hij zo treuzelt, zal het nog een tijdje duren voor ik hier kan vertrekken.

Gij se smmels! Ge zot bejter aa petatte gn afgiete, want sebiet s aave vnt veu[j] aa tojs! = Jij trage vrouw! Ga liever naar huis de aardappelen klaarmaken, want straks is je echtgenoot nog voor jou thuis!

 

Zie ook: sjmmelejr / sjmmels.

 

 

snnezit

zn (`t), mv: -

1. Sinusitis, neusverstopping. [>Lat. sinusitis]

En ej[j] e spetsje teege 't snnezit. = Hij heeft een spray die neusverstopping verhelpt.

 

snteweer

uitroep

1. Wisselgeld, munten, geld dat men terug krijgt op betaling met briefjes.

Schee, mllekboer! n mijn snteweer? = H zeg, melkboer! Waar blijft mijn wisselgeld?

 

srrefetuute

zn =mv, verklw: -

1. Streken, gestes, overbodige gebaren om op te vallen: di[j] ej nogal srrefetuute, sch!

 

2. Erfdienstbaarheid. [>Nl. servituut]

Onder da[d] ojs s een poot die z'altijd oope moete lte want d lept ne srrefetuute wg. = Onder die woning heb je een poort die altijd open moet blijven, omdat ze toegang geeft tot een openbare weg met erfdienstbaarheid.

 

srresis

zn (ne), mv: srresisse - verklw: srresiske (e)

1. Salami(worst), saucijs.

Ik eet gejre srresis m look, m dn kan'ek nimij onder de mnse komme. = Ik ben dol op salami met look, maar dan ruikt mijn adem en daar houden de mensen niet van.

 

Zie ook: sossis.

 

sr(re)velaa

zn (ne), mv: sr(re)velaas - verklw: sr(re)velakke (e)

1. Cervelaatworst. [>Nl. cervelaat]

Bij Pissee, d[r] aa ze goeje srrevelaa! = Bij Pisc (vroeger een beenhouwer in de Appeldonkstraat) had men lekkere cervelaatworst.

 

srrewoorech

bijw

1. Tegenwoordig.

Srrewoorech ziede gijn boerepjre nemij in't derrep. = Tegenwoordig komen er geen trekpaarden meer in het dorp.

 

Zie ook: trrewoorig.

 

 

sskes

zn (de) =mv, =verklw

1. Zenuwen.

Ge wrrekt oep m'n sskes joeng! = Ik krijg de zenuwen van jou, jongen.

'k Krijg er de sskes van! = Daar word ik zenuwachtig van!

 

sstech

telw, sstechste (de)

1. Zestig.

Wlle zn getraat in sstech. = Wij zijn getrouwd in (negentienhonderd) zestig.

 

sstechste

telw, (de)

1. Zestigste.

Vraave meuge[n] oep eule sstechste[n] oep pengsjoen gn. = Vrouwen worden op rust gesteld als ze zestig jaar worden.

 

 

seze

zn (een), mv: sezes - verklw: sezeke (e)

1. Deken, serge (= lichte, gekeperde wollen stof).

A't kaat s l'kik een dikke seze[n] oep men bt. = Als het erg koud is leg ik een extra dikke deken op het bed.

 

 

Laatste wijziging 05-07-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl