A  B
AA
AAN
AAP
AB
AF
AG
AM
AR
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

ambaleere

ww, verv: ambaleer - ambaleerde - gambaleerd

1. Verpakken, inpakken. [Fr. emballage]

M de Ksdge gne'kik bij rmina Standaart de kadookes ambaleere - ik doen da gejre n zlle winne tijd oem eele m de kalante beezeg 't aave. = In de Kerstperiode help ik in de winkel van rmina Standaart door aankopen als geschenk te verpakken - ik doe dat graag en zij hebben meer tijd om zich om de klanten te bekommeren.

 

ambalez(j)e

zn (een / d'), mv: ambalez(j)es - verklw: -

1. Verpakking in papier, karton of stof, ook voor een krat. [Fr. emballage]

A ge de lsten tijt nen teevee kept dn dde mijr ambaleze as wa[d] anders. = Als je heden ten dage een televisietoestel koopt, dan is de verpakking veel groter dan het product zelf.

 

ambetanterik

Zie: oembetanterik.

 

ambeteere

ww, verv: ambeteer - ambeteerde - gambeteerd

1. Lastig vallen, hinderen.

Gde naa stoppe m mij 't ambeteere? 'k Zal aa sebiet s een safflt geeve! = Ga je nu ophouden met me lastig te vallen? Seffens geef ik je een oorveeg!

Zie ook: abbeteere.

 

ambras

zn (den), mv: - verklw: ambraske (een)

1. Ruzie, onenigheid. [>Fr. embarras]

't s ambras! = Er is ruzie!

 

ambrasmker

zn (den / nen), mv: ambrasmkers - verklw: ambrasmkerke (een)

1. Iemand die graag ruzie maakt, die vlug ruzie uitlokt.

Zie[d] ojt wa ge teege da vntsje zgt, want dij st beknd as een ambrasmkerke! = Let op je woorden met dat kereltje, want hij heeft de faam om voor het minste ruzie te maken.

 

 

amigoo

zn (den), mv: amigoos - verklw: -

1. Gevangenis, nor, cel.

E was zoo zat as e kanon, n z'mme[n] m a nachtsje in den amigoo gestooke. = Hij werd betrapt op erge dronkenschap, en de beste oplossing was om hem een nachtje in de cel te stoppen!

 

ammelke

zn (et/een), mv: ammelkes

1. Tafelkleed.

Pakt s e prooper ammelke[n] ojt de schojf oem op te lgge[n] as tant Zjan komt. = Neem even een versgestreken tafelkleed uit de lade, tegen tante Jeanne komt.

 

ammezsse

zn (d'), mv: ammezsses - verklw: ammezsseke (een)

1. Amusement, lol, pret. [>Nl. amusement]

Dr m'ek naa[j] cht men ammezsse in, s. = Daar heb ik nu echt lol in, net goed dat dit gebeurt.

 

2. Bezigheid, tijdverdrijf.

Och! Dij mns ij[t] d zen ammezsse mee. = Op die manier weet die man zijn tijd door te brengen.

 

ank

zn (den), mv: - verklw: ankske (een)

1. Rek aan de muur, plank op steunen, waarop allerlei kan worden gezet. [>Nl. hang?]

Alles van den ank! = Alles werd van het rek gestoten, iemand heeft van alles op de grond doen vallen.

Het rek of deze plank vindt men bijvoorbeeld terug in een bollebaan. Hierop zetten de spelers gedurende het spel dan hun glas bier. Vaak gebeurde het dat iemand ongezien en ten onrechte de glazen bier leegdronk van de spelers. Zo iemand noemde men: schapper van den ank. Deze uitdrukking wordt ook wel eens gebruikt als iemand iets uit zijn handen laat glippen.

 

Zie: schapper.

 

 

annekeloope

ww, meestal alleen in de infinitiefvorm

1. Op zijn handen lopen. Kunstje.

Kunde gij annekeloope? = Kan jij op je handen lopen?

In de sirk zn er veel artiste die kunne[n] annekeloope. = In het cirkus heb je meerdere artiesten die op de handen kunnen lopen.

 

annekesnst

zn (nen), mv: - verklw: annekesnsje (een)

1. Alles, de hele boel, niets uitgezonderd noch uitgesloten. Ook gebruikt om een groep personen aan te duiden.

D[r] dde de Swa n Marjt, n ijl den annekesnst. = Daar heb je Franois en Mariette en heel de bende.

Bring[d] ijl aave[n] annekesnest m n[r] aa kmer, m dn g[m] ijst eete. = Breng al je spullen maar naar je kamer, maar dan eten we eerst.

 

ant

zn (een), mv: anne - verklw: antsje (een)

1. Hand (lichaamsdeel).

G't toch anne[n] n aa lijf! Wroem doede da dn zllef ni? = Je hebt toch zelf handen aan je lijf! Waarom doe je het dan zelf niet?

 

2. Ook figuurlijk.

D dr'kik naa men ant ni veu[r] oem, s!  = Dat laat me totaal onverschillig! Daar wil ik zelfs nog niet op reageren! Dat laat me koud!

A gij ni wilt lestere, dn moete gij da zllef weete. M dn pak ik men ant van aa[j] af! = Als je niet wil gehoorzamen, moet je dat zelf weten. Maar dan neem ik je evenmin nog langer in bescherming! (Dan waak ik niet langer over je!)

Naa dat'em ze wrrek verloore[n] s, zit die mns serjeus m zen anne[n] in zen r! = Nu hij werkloos geworden is, is die man helemaal ten einde raad, verkeert hij in ernstige moeilijkheden, ziet hij geen uitweg meer.

Gij[j] t er cht een antsje van wg oem de manne rond aave vinger te dr, znne! = Jij verstaat de kunst om de mannen te laten doen wat jij graag wil, hoor!

 

antejf

zn (een), mv: antejve - verklw: antfke (een)

1. Handvat, handgreep, beugel om iets vast te pakken, oor.

Dr s toch een antejf n die schup oem ze vast te pakke. = Er is een handgreep aan die schop.

 

 

antoek

zn (den/nen), mv: antoeke - verklw: antoekske (een)

1. Handdoek om zich mee af te drogen na het wassen.

Van de morreget m ek den boove gedn, n 'k m inijns prooper antoeke gelej. = Deze morgen heb ik schoongemaakt op de verdieping, en ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om versgewassen handdoeken te leggen.

 

2. Theedoek, keukenhanddoek.

Wa doe me? Ikke[n] afwasse[n] n gij afdrooge? Wacht ... 'k zal ne properen antoek pakke ve de gelze! = Hoe spreken we af? Was ik af en droog jij af? Wacht even... Ik neem een propere keukenhanddoek om de glazen af te drogen!

 

antrsse

zn (d'), mv: -

1. Aandoening, emotie, gemoedsgesteldheid. [Nl. alteratie]

Ze was den ijste[n] n van antrsse begost ze te schrijve. = Ze eindigde als eerste en door de emotie begon ze te wenen.

Zie ook: altereze.

 

antrasit

zn (den), mv: -

1. Antracietkool, magere steenkool die veel warmte ontwikkelt.

As aa stoof da mag mme, zodde bejter oep antrasit ooverschkele. Da verwrremt stukke bejter n da schilt e pak in aave portemonee. = Als je kachel hierop is ingesteld, kan je beter op het gebruik van antracietkool overschakelen. De warmte-opbrengst is veel beter, en het zal je heel wat goedkoper uitkomen.

 

antrepries

zn (een), mv: antrepriese - verklw: antreprieseke (een)

1. Tussenpauze, onderbreking. [>Fr. entreprise]

'k Sn een pint gn pakke m[d] antrepries. = Ik ben een glas gaan drinken tijdens de pauze.

 

 

antvejgerke

zn (een), = verklw, mv: antvejgerkes

1. Handveger, klein handborsteltje.

Een antvejgerke[n] n een blk. = Stoffer en blik.

 

 

ant(s)vol

zn (een), mv: -

1. Een hele hand vol, de hoeveelheid die in een hand past. Zowel met de bedoeling om veel aan te duiden als om tegenovergesteld net een kleine hoeveelheid aan te duiden.

Een antsvol alleffrankskes = een handvol muntjes van 50 centiemen.

M[j] een ansvol petatte gde ni veel mnse kunnen voejere. = Als je maar een kleine hoeveelheid aardappelen hebt, kan je niet veel mensen eten geven.

 

appelblaatzijgruun

bijv nw, tvgl: -

1. Kleur: turkoois.

De loecht ziet appelblaatzijgruun. = De lucht is turkooizeblauw.

 

appelboezjeeke

zn (een), = verklw, mv: appelboezjeekes

1. Appelbeignet.

E zondag was't kaat weer, n 'k aa goesting ver iet smkelek. Toen docht ek: az'ek naa s appelboezjeekes zaa mke! = Vorige zondag was het koud, en ik kreeg zin in iets lekkers. Toen dacht ik: laat ik maar appelbeignets maken.

 

 

appelflaatte

zn (een), mv: -

1. Lichte flauwte (bv. door gevoel van honger), appelflauwte.

'k Kreeg een appelflaatte. = Ik had plots last van een flauw gevoel.

 

appelwijf

zn (een), mv: appelwijve - verklw: appelwfke (een)

1. Vrouw die graag praat, die graag roddelt.

V da[d] appelwfke moet oeppasse, want die kan twij stijne teegenijn oepztte. = Voor die roddeltante moet je opletten, want het lukt haar zelfs om twee stenen met mekaar ruzie te laten maken.

 

appesjaar / apsjaar

zn (nen), mv: appesjaars/apsjaars - verklw: appesjarreke/apsjarreke (een)

1. Kerel (pejoratief).

Gij z nogal nen appesjaar, znne! = Jij bent nogal een kerel, hoor.

 

aprnse

zn (-), mv: -

1. Aanstalten. [>Fr. apparence]

Aprnse mke[n] oem deu te gn. = Aanstalten maken om te vertrekken.

 

2. Benul, kennis, wetenschap.

Gijn aprnse[n] mme van iet  = geen benul hebben van iets, niet snappen waarover het gaat.

 

 

Laatste wijziging 02-03-2017 - Toevoeging nieuw woord
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl