A  B
AA
AAN
AAP
AB
AF
AG
AM
AR
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

afang

zn (den), geen mv.

1. Overhangend deel van een dak, luifel.

't Begost te kattespaave - dn zmme mr onder den afang gn stn. = Het begon hard te regenen - we zijn dan maar onder het afdak gaan staan.

 

afanger

zn (nen), mv: afangers - verklw: afangerke (een)

1. Afhangende plant.

Nen afanger oep 't schap da fin'ekik schoon. = Een afhangende plant op een rek vind ik mooi.

 

2. Mv.: hangborsten.

Die[j] ej nogal afangers! = Die dame heeft grote en hangende borsten.

 

afbij

ww, verv: bij af - b af - afgeb

1. Afdingen, minder bieden dan de gevraagde prijs, marchanderen, loven en bieden.

Me zn e zterdag n de voogelemt gewst - 'k m d e schoo posturreke gekocht m 'k m ijst wl moete[n] afbij veu da't ze gld wt was. = We zijn zaterdag naar de Vogeltjesmarkt geweest - Ik zag daar een mooi beeldje staan, maar ik heb wel afgedongen op de prijs voor ik het wilde kopen.

 

afblotte

onpers. ww, verv: blot af - blotte[n] af - afgeblot

1. Afschilferen van verf.

't Wert oogen tijd da g'aa rme[n] s vrreft, want ze zn n't afblotte. = Het is hoog tijd dat je de ramen schildert, want de verf schilfert af.

 

 

afdk

zn (een), mv: afdkke - verklw: afdkske (een)

1. Afdak, afhellend dak, tegen een muur of gebouw aangebracht boven een open ruimte om die tegen de neerslag te beschutten.

Zt agaa de klaan plantsje onder 't afdk veu dat den gel z'abimeert! = Zet vlug de jonge plantjes onder het afdak, voor ze beschadigd worden door de hagel!

 

afdr

ww, verv: dr af - drde[n] af - afgedrd

1. Letterlijk: afdraaien. Wordt echter meestal in de figuurlijke zin gebruikt, met de betekenis: zich moeite getroosten, veel moeite doen.

Wa stde d naa wee aave nikkel af te dr? dde't naa nog altij ni gelijrd? = Wat sta je daar nu weer zoveel moeite te doen? Heb je het nu nog altijd niet begrepen?

 

affejre

zn (een), mv: affejres

1. Zaak, nering, handel. [>Fr. affaire]

Die[j] mme[n] een affejre in bier n likeure. = Ze hebben een bier- en likeurhandel.

 

2. Figuurlijk: zaken.

Da's naa[j] iet wa da'k ni[j] n aave neus gn ange, s! Dr dde gij naa[j] ijgelek gijn affejre mee! = Dat is nu iets wat ik je niet ga uitleggen, hoor!. Daar heb je eigenlijk niets mee te maken, dat zijn jouw zaken niet.

'k m gijn affejre m[j] aa! = Ik wil met jou niets te maken hebben!

 

affesseere

ww, verv: affesseer - affesseerde - gaffesseert

1. Vorderen, vooruitgaan. [>Fr. avancer]

Me zn goe gaffesseert. = We zijn goed vooruit gekomen, we hebben goede vorderingen gemaakt.

 

 

affesseersteek

zn (den), geen mv

1. Doorgehaalde draad bij naaldwerken, die bij elke steek een redelijk grote afstand overbrugt. Daardoor gaat het naaien snel vooruit. Kan eventueel ook gebruikt worden om de delen van een naaiwerk tijdelijk in mekaar te naaien (driegen).

k' Zal da klijke m nen affesseersteek inijn ztte, dn kund'et sebiet al s passe. = Ik zal die jurk snel naaien, dan kan je ze seffens al passen.

 

 

affrontelek

bijv nw, tvgl: affrontelek - affronteleke - affrontelekst

1. Beledigend, pijnlijk getroffen in zijn eergevoel, heel onaangenaam, vervelend, penibel, hachelijk. [>Fr. affront]

Iederijn ston d in zen sondochse klijre n ik aa mene veschoot n - da was affrontelek, s! = Iedereen had zijn mooiste pak aan en ik stond daar in mijn werkkledij - dat was pijnlijk, hoor!

 

afgank

zn (den), mv: -

1. Diarree, stoelgang. [>Nl. afgang]

E[j] ej[t] den afgank. = Hij heeft diarree.

 

afgank mme (den)

zegswijze, verv:'k m den afgank - 'k aa den afgank - 'k m den afgank gat

1. Last hebben van diarree.

Toen az'ek de grip in den bojk aa, m ek den afgank gat. = Toen ik buikgriep had, had ik last van diarree.

 

afgebakkevt

zn ('t), mv: -

1. Gestold vet dat men overhoudt als men spekt bakt - nu ja ... vroeger toch! Dit vet wordt nadien gebruikt om op de boterham te smeren. Vanwege het zout in het spek en eventueel toegevoegde kruiden bij het bakken, smaakt het hartelijk op de boterham.

Een dikke snee broot m[j] een goej smejr afgebakkevt n een zjat ijte kaffee, s al wa'kik noodeg m oem den dag te beginne! = Een dikke boterham met gebakken spekvet en een tas hete koffie... daar heb ik voldoende aan om de dag aan te kunnen!

 

 

afjge

ww, verv: jg af - joeg af - afgejgd

1. Afjagen, grote druk zetten op iemand of op zichzelf, grotehaast maken.

De zk was oope tot twllef uure n dn waa'k nog n de jremt gn - 'k m mij moete[n] afjge oem nog iet van de bijste te zien. = Onze handel was geopend tot de middag en toch wou ik nog naar de jaarmarkt - 'k Moest me haasten om nog iets van de dieren (op de jaarmarkt) te zien.

Imant afjge = iemand tot het uiterste drijven om snel iets klaar te hebben. Kan ook op zichzelf slaan.

'k m me[n] ijge nogal moete[n] afjge oem oep tijd n 't buskotteke te stn. n dn m[r] ssakke = Ik heb me vreselijk moeten haasten om op tijd aan de bushalte te staan. En dan maar hijgen...

 

Zie ook: afstaave.

afjger

zn (nen), mv: afjgers - verklw: afjgertsje (een)

1. Iemand die zich haast, die zichzelf een veel te grote druk oplegt om de dingen voortijdig klaar te hebben, slavendrijver (figuurlijk).

Me zitte nog ni goe n tfel n naa[j] dde gij aa soep al ojt - gij sen afjger! = We zitten nog maar net aan tafel, en jij hebt je soep al op - Je bent veel te gehaast!

Twij menuute geleej s em komme vrge of da'k dijn brief waa tippe, n naa st die[n] ie toch al trug oem te vrge of da[d] et al klejr s... Den afjger! = Twee minuutjes geleden vroeg hij me om een brief uit te tikken, en komt hij al vragen of de brief klaar is... De slavendrijver!

Zie ook: afstaaver.

 

afkappe

ww, verv: kap af - kapte[n] af - afgekapt

1. Een tukje doen, een korte periode slapen tussen andere bezigheden door, een uiltje knappen.

N da de manne den toer aa gedn n geete[n] aa, kapte z'eele[n] een allef urreke[n] af in de zeetel. = Nadat de gasten de bestelronde achter de rug hadden en gegeten hadden, knapten ze een uiltje gedurende een half uurtje.

 

2. Iemand neerhalen, bekritiseren, afbreken.

Da's na altij 't zllefste! Bij[j] aa kan ek niks goe doen! Gij moet mij naa altijd afkappe! =  Het is altijd hetzelfde liedje! Voor jou kan ik niets goed doen! Jij moet me altijd afbreken!

 

3. Afhakken.

'k Zaa nog liever men ant afkappe as iet te pikke of iet mee te neeme da'k ni kan betle! = Ik zou me nog liever de hand afhakken dan iets te stelen of mee te nemen wat ik niet kan betalen!

 

 

afkffe

ww, verv: kf af - kfte[n] af - afgekft

1. Afblaffen, toesnauwen, te keer gaan tegen iemand.

Wa'd m ekik aa naa misdn da ge mij zoo moet afkffe? = Waaraan heb ik het verdiend dat je me zo afblaft?

 

2. Van hier naar daar lopen, zodanig veel te doen hebben dat men van de ene naar de andere activiteit moet lopen. Vaak gebeurt dit op een ongecordineerde manier, waardoor men zich eigenlijk nutteloos verplaatst.

'k Aa vandg nog ijl veul dinges te doen da'k mij ijl den dag moest afkffe, m in den n was't dn toch allem gedn. = Vandaag had ik heel veel op mijn agenda staan, zodat ik me van hier naar daar moest haasten. Maar als puntje bij paaltje kwam was alles tijdig klaar.

 

afkrapsel

zn (-), geen mv

1. Uitschot, gemeen volk.

Sins da dad afkrapsel ie nejve mijn deur went, kan ek men ojs nemij loslte. = Sinds die gemene mensen hiernaast wonen, mag ik de woning niet meer ongesloten laten.

 

2. Iemand zonder de nodige kwalificaties.

n gij t dad afkrapsel ngenoome ve zoo sekuur wrrek? Naa wtte toch goe genoeg da dij zen anne verkijrt stn, ! = En jij hebt die ongekwalificeerde persoon in dienst genomen om dat preciese werkje uit te voeren? Je weet nochtans heel goed dat hij vreselijk onhandig is!

 

aflterke

zn (een), =verklw, mv: aflterkes

1. Een reeds afgelegd en veel gedragen kledingstuk, dat meestal niet meer past.

Ik m kompasse m die mnsen die nr ie komme oemda ze paaze dad et ie bejtere s. n dn mme ze ni genoeg snten oem iet te koope... 'k`m gisteren n die van ie nejve agaa nog wat aflterkes ver eur klaan manne wggebrocht. = Ik heb medelijden met migranten die naar Belgi komen omdat ze denken dat het hier beter is. Dan verdienen ze vaak te weinig om ook maar iets te kunnen kopen... Gisteren heb ik nog wat gedragen kleren naar de buurvrouw gebracht voor haar kinderen.

Zie ook: aflggerke.

 

 

aflange

ww, verv: lang af - langde[n] af - afgelangd

1. Delen, splitsen. Bij het kaartspel zal degene die de kaarten verdeelt, het kaartspel schudden. Om minder voorspelbare situaties te voorzien is het dan gebruikelijk dat iemand het geschudde pakje kaarten deelt: een hoopje bovenaan afnemen en onderaan bijvoegen.

'k m de kte geschud n naa moete gij z'aflange. Da zn de rggelemnte! = Ik heb de kaarten gemengd en nu moet jij het stapeltje splitsen. Zo schrijven de reglementen het voor!

 

aflappe

ww, verv: lap af - lapte[n] af - afgelapt

1. Zich uit een benarde situatie praten, nogal makkelijk een goede reden kunnen verzinnen.

Gij kun et nogal aflappe, zlle! = Jij kan er een goede verklaring voor geven, jij kan je er handig uitpraten.

 

aflestere

ww, verv: lester af - lesterde[n] af - afgelesterd

1. Afluisteren, stiekem luisteren naar anderen zonder dat die het beseffen.

Naa zaa'k aa s iet moete vertlle, m'k moet er zeeker van zijn da z'ons ni kunne[n] aflestere. = Ik zou je iets moeten vertellen (toevertrouwen), op voorwaarde dat men ons niet afluistert.

 

2. Ausculteren, wat de arts doet met de stethoscoop. Voornamelijk bij aandoeningen van de luchtwegen en de longen.

'k Voelde mij ni goe n 'k m den doktoor lte komme. E[n] ej mij afgelesterd n de rst van de wejk tojs geschreeve. = Ik voelde me niet lekker en heb gevraagd of de dokter langs wou komen. Hij heeft me geausculteerd en als gevolg daarvan me de rest van de week thuis ziek voorgeschreven.

 

aflbbere

ww, verv: lbber af - lbberde[n] af - afgelbberd

1. Van iemand iets winnen bij een spel.

Van imant iet aflbbere. = Iets van iemand winnen.

 

2. Iemand zodanig bepraten dat men iets - met veel moeite - toch gedaan krijgt.

Komde wee[r] iet aflbbere? = Probeer je weer iets van me gedaan te krijgen.

 

 

aflggerke

zn (een), =verklw, mv: aflggerkes

1. Een reeds afgelegd en veel gedragen kledingstuk, dat meestal niet meer past.

'k m noch een aflggerke v aave klijne. = Ik heb nog een afgedragen kledingstuk voor jouw zoontje.

Zie ook: aflterke.

 

aflojze

ww, verv: lojs af - lojsde[n] af - afgelojsd

1. Iets weten los te krijgen, aftruggelen (op een goede manier), bedelen.

Zie m da's aa cnte ni aflojze. = Let maar op dat men jouw geld niet weet los te krijgen.

 

afr

ww, verv: r af - rde[n] af - afger

1. Afraden, ontraden.

z' mme[n] m pertang afger oem n dijn avvekt te gn. = Men heeft hem nochtans afgeraden om bij die advokaat te rade te gaan.

 

afsien

ww, verv: zien af - zag af - afgezien

1. Pijn hebben, lijden.

'k Aa ne kaa oep me wter en 'k m t afgezien. = Ik had een blaasontsteking en ik heb er veel last van gehad, ik heb veel pijn gehad.

 

2. Spieken, afkijken bij een proefwerk.

Iederijn die[j] afsie vliegt bojte. = Iedereen die spiekt wordt aan de deur gezet.

 

 

afsjikke

ww, verv: sjik af - sjikten af - afgesjikt

1. Pijn verbijten.

'k Was vandenacht in den doenkere n beneej gegn n 'k stoempte m men scheen teege da smeedijzere tfeltsje! Zijr da da dee! Mr oem nimant ni wakker te mken m ek de zijr mr stillekes afgesjikt. = Vorige nacht was ik zonder licht aan te doen naar beneden gegaan, en ik stootte met mijn scheenbeen tegen een smeedijzeren tafeltje! Dat deed verschrikkelijk pijn! Maar om niemand wakker te makken heb ik de pijn maar in alle stilte verbeten.

 

afslge

ww, verv: slg af - sloeg af - afgeslge

1. Van richting veranderen, inslaan.

Ijst moete zeeker nog twij kilomeeter deuraa, dn slgde rchtsaf, n dn zd'er! = Je moet nog minstens 2 kilometer verder rijden, dan sla je recht in, en dan ben je er!

A g' aflsgt moete goed oep tijd pinke! = Als je van richting verandert, moet je dat tijdig aangeven met je knipperlicht!

 

2. Iemand een pak slaag geven.

'k Paas da da kreltsje ni gejre gezien weurt, want da's naa[j] zeeker twllef kijre da z'em mme[n] afgeslge. = Ik vermoed dat men die jongen niet graag heeft, want hij heeft al minstens twaalf keer een pak slaag gekregen.

 

afsmokske

zn (een), = verklw, mv: -

1. Voedsel of hapje met een hartige, eerder zoute of pikante smaak.

's ves veu den teevee kunne ze mij plzier doen me[j] een goej pint n e stukske vlijs of kejs m]j] een afsmokske. = Als ik 's avonds voor de TV zit, kan men me plezieren met een lekker glas bier en een hartig hapje.

 

 

afsmosse

ww, verv: smos af - smosten af - afgesmost

1. Iemand overdreven veel zoenen.

Kom ie da'k aa s goed afsmos... Ne mns verjrt mr ijne kijr oep e jr! = Kom hier dat ik je een zoen geef... Men verjaart tenslotte maar n keer per jaar.

Zie ook: aflbbere.

 

afspeele

ww, verv: speel af - splde[n] af - afgespld

1. Onaneren, masturberen (bij de man) = zen flojt afspeele.

 

afspeete

ww, verv: speet af - sptte[n] af - afgespeete

1. Bij het maken van kleren, worden deze met spelden op lengte gemaakt, voor ze definitief genaaid worden.

'k Moet n de njs ve me klijt te gn lte[n] afspeete. = Ik moet naar de naaister om mijn kleed aan te passen en op maat te laten maken.

 

afstaave

ww, verv: staaf af - staafde[n] af - afgestaafd

1. Afjagen, grote druk zetten op iemand, opjagen, opjutten, nerveus en prikkelbaar maken. Kan uiteraard ook op zichzelf van toepassing zijn.

'k m mij nogal moete[n] afstaave oem oep tijd oep de bank te zijn. = Ik heb me ontzettend moeten haasten om tijdig in het bankkantoor aan te komen.

Zie ook: afjge.

 

 

afstaaver

zn (nen), mv: afstaavers - verklw: afstaaverke (een)

1. Iemand die anderen afjaagt of onder grote druk zet, die anderen opjaagt of opjut, en hen daardoor nerveus en prikkelbaar maakt.

Mijnen bs da's naa nen chte[n] afstaaver, s! Dij zaa wille da alles inijns gerijd s. = Mijn baas is echt een voorbeel van iemand die mensen onder druk zet! Hij zou niet liever hebben dat alles tegelijk klaar is.

Zie ook: afjger.

 

afstssele

ww, verv: stssel af - stsselde[n] af - afgestsseld

1. Rondhossen, haastig verschillende dingen achter mekaar doen, waarbij men zich van het ene punt naar het andere begeeft, rondrennen.

De was, de strijk, 't stof afdoen, kommisjes doen, de joeng n't school oeple... 'k m vandg wral ijl wa[d] afgestsseld! = Wassen, strijken, stoffen, boodschappen doen, de kinderen ophalen aan de schooluitgang... vandaag heb ik weer heel wat rondgelopen!

 

afstraa

ww, verv: straa af - straade[n] af / stree[j] af - afgestraad / afgestreej

1. Bestrijden, in woord of geschrift weerleggen, ontkennen, tegenspreken.

Ge moet ni[j] afstraa da ge die rojt t ingetrapt m't sjotte, want Mlanie s mij alles komme vertlle... Attekee znne! = Je moet me niet voorliegen en proberen te ontkennen dat je bij het voetballen een raam hebt stukgemaakt, want Melanie heeft me alles verteld... Let op, hoor!

 

aftaare

ww, verv: taar af - taarde[n] af - afgetaard

1. Tornen, losmaken van naaisel, bijv. naden.

Ze moest eur klijt verlnge, n dmee ej ze't ijst moete[n] aftaare. = Voordat ze haar jurk kon verlengen, moest ze eerst de naden los tornen.

 

 

aftrkke

ww, verv: trk af - trok af - afgetrokke

1. Verwijderen van dat waarbij of waarop iets zich bevindt, ontkurken, opentrekken.

'k Aa e zondach dinst oep de foetbal. Ons ploeg ej gewonne, n 'k m moeten ellepe in de kantin m flskes aftrkke. = Zondag had ik dienst bij de voetbalwedstrijd. Ons team heeft gewonnen, en ik moest helpen in de kantine met flesjes openen.

 

2. Verwijderen van dat waarbij of waarop iets zich bevindt, afhalen, de lakens en dekens van het bed halen.

Veu da'k 's vrijdachs beging te kesse, zal ek altij ijst et bd aftrkke, want da mokt veel stof. = Vooraleer  te beginnen poetsen op vrijdag, haal ik altijd eerst het bed af, want daar maak je veel stof mee.

 

3. Overtollig water verwijderen, vooral gebruikt bij het poetsen van de vloer met water met een vloertrekker.

'k Zal et aa nog s ojtlgge, Matilleke: goe schroebe met brojn zijp, afgiete, n dn de vloer aftrkke n oepneeme m[j] een oepneemvod. = Ik leg het je nog eens uit, Mathilde: (de vloer) goed schrobben met water waarin bruine zeep is opgelost, met water afspoelen, en dat met een vloertrekker verwijderen, en dan navegen met een dweil.

 

4. Aftrekken, in mindering brengen, de rekenkundige bewerking om een verschil te maken.

Die soep m ek noot ni gat, dus wilde die s van de rejkening aftrkke! = Soep heb ik niet gekregen, dus zou je die niet mogen aanrekenen!

Oeptlle kan ons Zjneke al, mr aftrkken mme ze nog ni gelijrd. = Optellen kan kleine Eugeen al, maar aftrekken hebben ze op school nog niet geleerd.

 

5. Kleur verwijderen, vuil verwijderen. Bij kleur kan dit gebeuren met chemische produkten, terwijl licht ook een ophelderend effect kan hebben.

As de joengene een zjiensbroek koope lgge ze die dikkels ne nacht in wter m zjavl, oem z'af te trkke. = Als jongeren een jeansbroek gekocht hebben, dompelen ze die vaak een nacht lang in water met bleekwater om de kleur op te lichten.

Ons Pjreke ej gewoonlek doenkerder r, m achter de vakanse in Spanje s zen r ijlem afgetrokke van de zon. = Kleine Pieter zijn haar is normaal donkerder getint, maar na het verlof in Spanje is zijn haar lichter geworden onder invloed van de zon.

 

 

aftrkker

zn (nen), mv: aftrkkers - verklw: aftrkkerke / aftrkkertsje (een)

1. Toestel waarmee men flessen opent, vooral om kroonkurken te verwijderen. In mindere mate ook gebruikt om kurken te verwijderen.

Ma'k den aftrkker s mme? 'k m dest m 'k krijg da flske ni oope. = Mag ik de flessenopener even? Ik heb dorst maar slaag er niet in om het flesje te openen.

Nen aftrkker s toch gijne kurrekentrkker! 't Ijn dint veu flskes m e stoppeke, n 't ander ver een fls m ne kurrekestop. = Een flessenopener is toch niet hetzelfde als een kurkentrekker! De eerste dient om flessen met een kroonkurk te openen, terwijl de tweede gebruikt wordt om de kurk te verwijderen uit de fles.

 

2. Vloertrekker, werktuig bestaande uit een stok en loodrecht daarop bevestigd, een langwerpig rubberen bovenstuk voor de reiniging van vloeren.

M nen aftrkker kunde ijst de zijp n 't mijste wter van de vloer doen. = Met een vloertrekker kan je eerst de zeepresten en overtollig water wegnemen van de vloer.

n dern slgde mr een oepneemvod rond den aftrkker oem oep te neeme. = En daarna draai je een dweil rond de vloertrekker om de vloer te vegen.

 

afvrrekele

ww, verv: vrrekel af - vrrekelden af - afgevrrekeld

1. Woelen, onrustige bewegen tijdens het slapen.

 

 

afzien

ww, verv: zien af - zag af - afgezien

1. Lijden, pijn hebben, last hebben van pijn.

Naa[j] mme'k al dikkels een valling gat, m deeze kij mme toch cht afgezien, znne! = Ik heb al vaak een verkoudheid gehad, maar deze keer heb ik er echt veel last van gehad.

 

2. Spieken, in het geniep afkijken als men iets niet weet op school bij een test of een examen.

Oemda'k gistere men ls ni[j] aa gelijrd, m ek n Pooleke gevrgd ofda'k mocht afzien, n 't was okee. = Vermits ik gisteren niet had gestudeerd, vroeg ik Paultje of ik mocht spieken, en hij vond het niet erg.

 

3. Besluiten iets niet te doen of er niet aan te beginnen.

M[j] al die lkken in men dk aa ze gezej da'k den ojsbs veu de rchter moest dge, m 'k m d toch m van afgezien, want dn verliesde mijr tijd as da't kan oepbringe. = Vanwege al die lekken in het dak had men me gezegd om de eigenaar te laten vervolgen, maar ik heb besloten om dat toch maar niet te doen. Je verliest meer tijd dan dat het je resultaten opbrengt!

 

afzjakkere

ww, verv: zjakker af - zjakkerde[n] af - afgezjakkerd

1. Afsloven, afjagen, grote druk plaatsen op iemand of op zichzelf, door langdurige inspanning en zorg afmatten. [>Nl. afjakkeren]

M de groote kes moete'k ik mij altij nogal afzjakkere, oemda'k terwijl nog altijd moet gn wrreke. = Tijdens de grote schoonmaak moet ik me nogal afsloven, omdat ik terwijl ook nog een baan heb.

 

 

afzoenk

zn (nen/den), mv: afzoenke - verklw: afzoenkske (een)

1. Diepte, helling naar beneden toe.

Da schurreke lej[d] in nen afzoenk. = Dat schuurtje ligt in een diepte.

 

afzwisse

ww, verv: zwis af - zwiste[n] af - afgezwist

1. Door beweging van vocht en druppels ontdoen, droogzwieren.

N da dij[n] ont in de vt gesproenge was, ejt'em zen ijge nogal afgezwist as er m ojtkwam. = Nadat die hond, die in het kanaal gesprongen was, eruit kwam, heeft hij zich goed drooggezwierd.

 

afzw

ww, verv: zw af - zwde[n] af - afgezwd

1. Afzwaaien, met groot verlof gaan, zijn militaire dienstplicht volbracht hebben.

De mijste soldte die vruuger afzwde, mokte d'er e serjeus fijst van. Soemege wre e pr dge[n] onderwg veu da ze tojs nkwme. = Heel wat soldaten die met groot verlof gingen, vierden dit meer dan uitbundig. Sommigen van hen waren meerdere dagen onderweg, voordat ze eindelijk thuis arriveerden.

 

 

 

Laatste wijziging 10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl