A  B
AA
AAN
AAP
AB
AF
AG
AM
AR
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

n

zn, mv: ne - verklw: ontsje

1. Haan.

M[j] ijne[n] n dde mijr as genoeg, want anders ligge die toch m teegenijn oep te kr! = Als je n haan koopt, heb je meer dan voldoende. Anders kraaien ze toch maar tegen elkaar op!

Zie ook: ontsje.

 

naave

ww, verv: aat n - aade[n] n - ngaave

1. Een buitenechtelijke relatie, aanhouden met iemand.

De Zjf aat n m die rosse van achter 't oekske.  
= Jozef heeft een buitenechtelijke relatie met de roodharige die achter de hoek woont.

 

2. Arresteren, staan houden, bekeuren.

Z'mme de Zjf ngaave[n] oemadt'em deu't root licht s gereej. = Men heeft Jozef een boete gegeven omdat hij niet stopte voor het rode licht.

 

naaver / naatster

zn (nen/een), mv: anaavers/naatsters - verklw: naaverke/naatsterke (een)

1. Man resp. vrouw die een buitenechtelijke relatie heeft.

Mr allee, ijl Willebroek wt toch datta naaver n naatster s. = Ach kom, iedereen in Willebroek weet immers dat zij een buitenechtelijke relatie met elkaar hebben.

 

naaverij

zn (een), mv: -

1. Het feit van buitenechtelijke relaties te hebben.

Van al die naaverij en oerderij kan d'er niks goe komme. = Door al die buitenechtelijke relaties en ontrouw, ontstaan er veel moeilijkheden.

 

 

 

ndoempe

onpers ww, verv: doempt n - doempte[n] n - ngedoempt

1. Bewasemen.

't Was e gat in de nacht gewerre as me bij ons mte vertrokke; dn moeste me nog wachte[n] oem te vertrkke want de rojte van de vajtuur wren ngedoempt. = De nacht was al ver gevorderd toen we bij onze vrienden vertrokken; daarenboven moesten we nog even geduld hebben, want de autoruiten waren bewasemd.

As ek men bad genoomen m, moet ek dern men r altij in de slopkmer gn kamme, want dn s de spiegel in de badkmer ngedoempt. = Nadat ik in bad geweest ben, moet ik mijn haar in de slaapkamer gaan kammen, want de spiegel in de badkamer is dan bewasemd.

 

ndr

ww, verv: dr n - drde[n] n - ngedrd

1. Vastdraaien, toeschroeven, toedraaien tot het sluit.

't Krontsje stond te lkke - dmee znne'k et gn ndr n't lkke was gedn. = De kraan lekte - daarom heb ik het verder toegedraaid en het lekken hield op.

Zie da ge dijn tierfn goed ndrt, want anders lej da schap derkt van de muur. = Zorg ervoor dat je die ringschroef goed vastdraait om te voorkomen dat het rek van de muur naar benede valt.

 

nduffele

ww, verv: duffel n - duffelde[n] n - ngeduffeld

1. Goed aankleden, meestal warm aankleden. [>Nl. induffelen]

Duffel[d] aa m goe[d] n veu da ge bojte g. = Kleed je maar goed aan, vooraleer je naar buiten gaat.

 

ngedn

volt deelw

1. Ontroerd, vol van emoties.

'k m gistere nog s n dij fillem van Sissi gezien, n 'k was er toch wral van ngedn, znne. = Ik heb gisteren de film Sissi nog eens bekeken, en ik was toch weeral ontroerd.

 

2. Gemolesteerd, lastig gevallen, aangerand.

Veu rapper te zijn waa z'agaa langs Kloddemansvltwg gn, n d wier ze deu ne krel ngedn. = Om vlugger te zijn wou ze een kortere weg nemen langs de Kloddemansveldweg, en daar werd ze door een kerel aangerand.

 

 

ngeete gerke

uitdrukking

1. Voldoende gegeten hebben, verzadigd zijn.

N zoo'n lange wandeling aa'k nogal s oenger, znne. M n twij talloore soep n een ijl kieke m fritte begon ek al goe ngeete te gerke. = Na die lange wandeling had ik grote honger. Na twee borden soep en een hele kip met frietjes te hebben verorberd, was ik stilaan verzadigd.

 

ngestsseld

volt deelw

1. Aangesukkeld.

D komt z'ngestsseld znne! = Daar komt ze aangesukkeld!

 

ngeveeze

volt deelw

1. Aangeschoten, toestand van beginnende dronkenschap, roes waarin men niet helemaal meer helder is.

E was al goed ngeveeze as em in't Volksojs binnekwam, n Liza zaa derkt:"Van mij krgde gij gijn pinte nemij!" = Hij was blijkbaar al goed aangeschoten toen hij het Volkshuis binnenkwam, en Liza zei onmiddellijk:"Van mij krijg jij geen pintjes bier meer!"

 

2. Bijgedraaid, bijgestuurd, doordat iemand je eens goed de les gelezen heeft.

N dat em die doos gelze gebrooken aa, mme'k em s goed ngeveeze. 'k Paas dat'em ze lske gelijrd ej. = Toen hij een hele doos glazen gebroken had, heb ik hem een flinke uitbrander gegeven. Ik denk dat hij de boodschap begrepen heeft.

 

njre

ww, verv: jr n - jrde[n] n - ngejrt

1. Aanaarden, ophogen of bedekken met aarde of grond. Gebeurt bijv. bij aardappelen, waar grond wordt opgehoogd om de vruchten onder de grond te houden, of bij prei, om de groente wit te houden. [>Nl. aanaarden]

'k Zn mene slder gn njre[n] oemdat'em wit zaa blijve. = Ik heb mijn selder aangeaard opdat hij mooi bleek zou blijven.

 

 

nl

onpers ww, verv: lt n - lde[n] n - ngeld

1. Vuil worden doordat stof of andere vuile materie zich neerzet op een voorwerp. Lange tijd niet gewassen of gereinigd. Vooral gebruikt om aan te geven dat een voorwerp niet vaak gebruikt en evenmin vaak onderhouden wordt.

Die gelze stn al zeeker zs jr in de kas zonder da'k ze gebrekt m. Ze zn ijlem ngel n droem zal ek ze tenostewejk s afwasse. =  Die glazen staan minstens zes jaar in de kast, zonder ze ooit te gebruiken. Ze zijn beslagen en daarom zal ik ze volgende week in de vaat wassen.

 

nschaare

ww. verv. schaar n - schaarden n - ngeschaard

1. Aanklampen, iemand aanspreken met de bedoeling om een gunst te vragen.

Dij van ons zit naa al bekan twij jr zonder wrrek, me beginne da te voelen. Wtte gij naa nimant da'k ik kan nschaare oem ier of dr s e goe woordsje te doen? = Mijn echtgenoot is nu al bijna twee jaar werkloos, en we merken het goed (aan de inkomsten). Ken jij toevallig iemand die ik kan aanspreken om voor hem hier of daar eens een goed woordje te doen?

 

nslge

ww, verv: slg n - sloeg n - ngeslge

1. Salueren, met de vingers tegen de rand van een kepie tikken om te groeten, groeten op voorgeschreven wijze, vnl. in een militaire omgeving.

In't leeger was'em kopperl n dmee moest'em veur al d'ooger nslge. = Tijdens zijn legerdienst was hij korporaal, en daardoor moest hij voor alle oversten salueren.

 

2. In beslag nemen, beslag leggen op.

Ge wt da ge gijn drugs meugt mme; dn moet ook ni kw zen a'ze die[j] nslge. = Je weet dat je geen drugs in bezit mag hebben; dan moet je zeker niet kwaad zijn als ze die in beslag nemen.

 

3. In de smaak vallen, succes hebben, lukken, aanslaan, aanstaan.

Veu de winter mme me nief rooze gezt, n ze zn persies allem ngeslge. = Voor de winter hebben we nieuwe rozen geplant, en het lijkt of ze allemaal geworteld zijn.

 

4. Bedampen, bewasemen, beslaan, met een waas of condenslaag overtrokken worden

Den ottoo aa bojten in de kaa gestn, n toen da m'instapte sloege de rojte[n] n. = De auto stond buiten in de koude, en toen we instapten bewasemden de ruiten.

 

 

nsmoore

ww, verv: smoor n - smoorden n - gesmoord

1. Een sigaret aansteken aan de hete punt van een andere brandende sigaret.

'k Zn men stkskes vergeete! Ma'k ik naa mijn sigart s nsmooren n die van aa? = Ik ben mijn lucifers vergeten! Mag ik mijn sigaret aansteken aan die van jou?

 

nspanne

ww, verv: span n - spande[n] n - ngespanne

1. Optrekken, omgaan met, goeie vriend zijn, goed overeenkomen, opschieten met iemand.

Verlee jr a m'in Spanje wre, mme m'ngespanne m[j] koppel ojt Boom. Da was zoo plzant da me die mnse naa nog altij zien. = Toen we vorig jaar met verlof in Spanje waren, hebben we een echtpaar ontmoet waarmee het goed klikt. Het was zelfs zo goed meegevallen dat we nog regelmatig samenkomen.

 

ntijne

ww, verv: tijn n - tijnde[n] n - ngetijnd  -  Vnl. het deelwoord wordt gebruikt

Zie: tijne.

 

nstssele

ww, verv: stssel n - stsselde[n] n - ngestsseld  -  Vnl. het deelwoord wordt gebruikt

1. Dichterbij komen, naderen, komen aansloffen (traag) maar ook zich haasten, op een sukkeldrafje komen aanlopen. Wordt voornamelijk als voltooid deelwoord gebruikt.

Ik ston al zeeker e kottier te wachte ve m[j] eur n de mt te gn, n dn kwam z'ngestsseld! = Ik stond al meer dan een kwartier te wachten om met haar naar de markt te, toen ze eindelijk kwam aangesloft.

D komt em ngestsseld, znne!  
= Daar kom hij aan gestapt.

 

 

ntrkker

zn (nen), mv: ntrkkers - verklw: ntrkkerke

1. Schoenlepel, voorwerp van metaal of plastic in de vorm van een lepel, dat het aantrekken van de schoenen vergemakkelijkt.

'k m al dikkels gezej da ge nen ntrkker moet gebrojke! Ge gd aa schoene vanachter nog kapot trappe. = Ik heb je al vaak de raad gegeven om een schoenlepel te gebruiken! Je zal je schoenen aan de achterzijde helemaal stuk maken.

 

ntrok

zn (den), mv: -

1. Populair, gewild, gevraagd. Vooral in de uitdrukking ntrok mme.

Die manne van Fejf  from Deef mmen altij veel ntrok gat bij de vraave - m da wre dn ook knappe gaste. = De jongens van Five from Dave (Willebroekse popgroep) waren heel populair bij de dames - het waren dan ook mooie mannen.

 

nvrge

ww, verv: vrg n - vroeg n - ngevrgd

1. De vraag stellen aan een mogelijke partner om een relatie te beginnen. Vooral in gebruik bij pubers die 'verkering' vragen.

'k m 't verleej wejk e zterdag ngevrgd m Simonneke n naa z'me afgesprooke oem de kommende woensdag n de sinnema te gn. = Vorige zaterdag heb ik verkering gevraagd aan Simone en (als gevolg daarvan) hebben we afgesproken om volgende woensdag naar de bioscoop te gaan.

Mijne vrind st zoo zot as iet van die blonde van oep de mt, mr e derref et ni nvrge. = Mijn vriend zijn hoofd slaat op hol door dat blondje die aan het marktplein woont, maar hij durft haar niet om verkering te vragen.

 

 

Laatste wijziging 18-10-2009 - Toevoegen geluiden
31-05-2008 - Toevoegen afbeelding
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl