A  B
AA
AAN
AAP
AB
AF
AG
AM
AR
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

ardije

zn (nen), mv: -

1. Werklustig persoon, vinnig, viriel. [>Fr. hardi]

Dij mns s altij[d] in de wr n n't wrreke - da's toch nen ardije vnt, znne! = Die man is altijd druk doende en aan het werken - een werklustige kerel, hoor!

 

2. Vermetel, stoutmoedig iemand.

M zoonen ardieje vnt in ojs moete ni veul schrik mme.  = Met zo een durfal in de buurt hoef je niet bang te zijn.

 

arjojn

zn (nen), mv: arjone - verklw: arjentsje (een)

1. Ajuin, ui.

'k Moet altij schrijve[n] az'ek arjojne kes. = Ik krijg steeds tranen in de ogen als ik uien schoonmaak.

Arjojn - Aa gat zie brojn! = Als je uien gegeten hebt, moet je vaak naar het toilet.

 

 

arlezje

zn (een), mv: arlezjes - verklw: arlezjeke (een)

1. Horloge, uurwerk, klok. [>Nl. horloge]

Moet aa arlezje ni[j] oepwinne? = Moet je het uurwerk niet opwinden?

 

arr

stopwoord

1. Wordt gewoonlijk gezegd om te bevestigen dat iets klaar is, dat een zaak afgehandeld is. [>Fr. arrte]

Naa ziede mij noot nemij, arr! = Nu kom ik nooit meer langs, dat komt ervan!

 

 

arreuze

zn (d'), mv: -

1. Opwinding, misschien zelfs razernij, ergernis, nervositeit, gespannenheid, miserie.

Van arreuze ej ze ne platoo gelze lte valle. = Door de opwinding heeft ze een dienblad met glazen laten vallen.

Zie ook:rreze.

 

as

voegwoord

1. Als, indien, op voorwaarde dat.

As ons kat een koej was koste'm eur mlleke. = Mocht onze kat een koe zijn, dan zouden we haar kunnen melken. Deze uitdrukking wordt meestal gebruikt om iets totaal onwaarschijnlijk aan te geven.

 

asjetk

zn (nen), mv: asjetkke - verklw: asjetkske (een)

1. Architect.

Oem een ojs te ztte moette nen asjetk mme. = Als je een huis wilt bouwen, moet je een architect hebben.

 

aspzje / aspzze

zn, mv = enk - verklw: aspzjeke / aspzzeke (een)

1. Asperges. [>Lat. asparagus] [Middelnl. spargencruut of spergel]

Dijn boer ijd en ijl aspzzevlt. = Die landbouwer heeft een veld asperges.

Aspzjeloof s schoon in nen bloemekee. = Het blad van de aspergeplant staat mooi in een ruiker bloemen.

 

 

 

asprs

bijw

1. Per express, opzettelijk.

dde da naa asprs gedn? = Heb je dat nu opzettelijk gedaan?

Zie ook: oemasprs.

 

assnseur

zn (nen), mv: assnseurs - verklw: assnserreke (een)

1. Lift. [>Fr. ascenseur]

As ek mijr as drij verdiepe moet gn oep 't wrrek, dn neem ek den assnseur. = Als ik meer dan drie etages moet klimmen in het kantoorgebouw, dan ga ik met de lift.

 

asserant

bijv nw, tvgl: asserant - asseranter - asserantst

1. Astrant, vrijpostig, brutaal.

Zoone[n] asserante vnt mme'k naa nog ni dikkels meegemokt, s! 'k Was blij as em't aftrapte. = Zo een brutale kerel heb ik nog niet vaak ontmoet! Het was een hele opluchting toen hij wegging.

 

asserante

zn (nen / een), mv: asserante - verklw: -

1. Astrant persoon, vrijpostige en brutale man of vrouw.

Gij z nen asserante, znne! = Jij bent een brutale kerel, hoor!

 

 

attekee-zlle

zegswijze

1. Let op hoor!

Attekee-zlle, manneke, of 'k sal'et teege[n] aa moeder zgge. = Let op knaapje, of ik vertel het aan jouw moeder.

 

avans

zn ('t), verklw: avanske (een)

1. Vooruitgang. [>Fr. avance]

't s gijn avans. = Het helpt niet.

 

2. Voorval, meestal een benarde situatie.

'k Aa van de[n] achternoen een avanske veu: 'k m een pint bier oover me klijt gat. = Deze namiddag overkwam me iets onaangenaam: men stootte een glas bier over mijn jurk.

 

avvekt

zn (nen/den), mv: avvekte - verklw: avvekotsje (een)

1. Advokaat, juridisch raadsman, persoon die je bijstaat en verdedigt in een rechtszaak.

Ze gn schij en naa mme ze nen avvekt gepakt. = Ze hebben beslist om te scheiden (uit de echt) en hebben daarom allebei de hulp van een advokaat ingeroepen.

 

2. Eierlikeur.

A'k in Ollant zn, vrge'kik atlij een avvekotsje n de garson. = Als ik Nederland ben, bestel ik meestal een glaasje eierlikeur.

 

azijnzker

zn (nen), mv: azijnzkers - verklw: azijnzkertsje (een)

1. Zuurpruim, iemand die maar met moeite kan lachen, zuur en nors persoon, onvriendelijk mens.

Iederijn was zen ijge goe n't ammezeere, balleve dijn azijnzker - dij zat d m[j] een lip tot oep de grond. = Iedereen vermaakte zich goed, behalve die zuurpruim - hij zat daar met een lang gezicht.

 

 

Laatste wijziging 31-05-2008 - Toevoegen afbeelding
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl