A  B
 C  D
DA
DE
DEU
DI
DO
DR
DU
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

dobbelflup

zn (een), mv: dobbelfluppe - verklw: dobbelfluppeke (een)

1. Perensoort, Beurre de Merode, vrij grote handpeer.

Zjelej van dobbelfluppe. = Jam van kweeperen.

 

dobbelwitsjes

zn (de), =mv, =verklw

1. Snoepgoed, bestaande uit twee deegdruppels op een stuk oliepapier, die werden gebakken. In die vorm werden de dobbelwitsjes dan op de kermis verkocht.

Zie ook: krrebitsjes.

 

dodde

zn (een), mv: doddes - verklw: doddeke (een)

1. Dot, kleine samenhangende hoeveelheid van een donzige, wollige of vezelige stof.

Een doddeke blaasel = een klein pakje vezes, in linnen verpakt, dat doordrenkt is met blaa(t)sel.

Zie ook: blaa(t)sel.

 

doddele

ww, verv: doddel - doddelde - gedoddeld

1. Stotteren, een spraakgebrek vertonen dat zich uit in snelle herhaling van beginklanken.

Ik m altij moejte oem ni beginne te lache as Zjnke d st te doddele. M da vntsje kan de'r ijgelek ook niks n doen! = Ik moet me altijd bedwingen om niet te lachen, als klein Jantje staat te stotteren. Maar dat kereltje doet het tenslotte niet met opzet!

 

doddelejr / doddels

zn (nen/een), mv: doddelejrs / doddelsse - verklw: doddelrreke / doddelske (een)

1. Stotteraar, iemand die stottert.

dde gij Asjilleke den doddelejr vandg al gezien? 'k Wer cht oengerust! = Heb jij Achiel de stotteraar vandaag al gezien? Ik maak me echt zorgen!

 

 

doef

bijv nw, tvgl: doef - doefer - doefst

1. Benauwd.

't s doef weer. = Het is benauwd (weer).

 

2. Dof, vaal van kleur, verkleurd.

Amaj da klijke[n] s doef - ejt dad'in de zon gange? = Die jurk is verkleurd - heeft ze in de zon gehangen?

 

zn (nen), mv: doefe - verklw: doefke (een)

3. Zware slag of klop, ook figuurlijk.

Amaj, wa nen bluts - da moet ne serjeuzen doef gewst zijn! = Dat is een diepe deuk - het moet een flinke aanrijding geweest zijn!

 

doefe

ww, verv: doef - doefte - gedoeft

1. Slaan, kloppen, hoorbaar op iets of iemand slaan.

Ik stn ier al een uur oep de deer te doefe! Wroem komde gij ni rapper oopedoen? = Ik sta al heel lang aan de deur te kloppen! Waarom doe je niet vlugger open?

 

doeje

ww (onpers.), verv: doejt - doejde - gedoejt

1. Dooien, smelten van ijs.

A't begint te doeje zal't rap Pse zijn. = Als de dooi is ingetreden nadert Pasen.

 

zn (nen), mv: doo - verklw: -

2. Dode, lijk.

Ik kreeg et bekan n men t asse zaa da'k dijn doeje moest g groete!  = Ik schrok me bijna dood toen ze me zei dat ik dat lijke moest gaan groeten!

Zie ook: doo.

 

 

doemele

ww, verv: doemel - doemelde - gedoemeld

1. Zachtjes inslapen, soezen. [>Nl. dommelen]

'k Aa goe geete van de noen: soep, petatte m vlijs n grunte, pap... Dus naa s't tijd oem in mij stoeleke in 't zonneke te gn zitte doemele. = Deze middag heb ik lekker gegeten: soep, aardappelen en vlees en groenten, vla... Dus is het nu de hoogste tijd om me in mijn stoel in het zonnetje gaan te zitten soezen.

 

2. Binnensmonds en onverstaanbaar praten, mompelen. Vaak gebeurt dit uit onvrede met iets wat is gebeurd.

't s persies wral ni n[r] aa goesjting, want wroem stde d[r] anders wral te doemele? - 'k verstn er in alle geval gijn knejt van! = En en ander is blijkbaar niet verlopen zoals je het had gewenst, want waarom sta je daar anders weeral te mompelen? Ik begrijp in alle geval geen snars van wat je zegt.

 

doemp

zn (nen/den), mv: -

1. Damp, stoom, rook.

Pas oep da g'aa ni verbrandt n den doemp van de soepkoem! = Let op dat je je niet verbrandt in de stoom van de soepkom!

 

doempgeeve

ww, verv: geef doemp - gaf doemp - doempgegeeve

1. Iets snel iets doen, rennen, vlug zijn (mogelijk afgeleid van stomen of  briesen).

A me da nog allem moete doen teege vandenvet, dn zlle me nogal doemp moete geeve! = Als we dat allemaal klaar willen hebben tegen vanavond, dan zullen we nog van katoen moeten geven.

 

doen

ww, verv. doen - dee - gedn

1. Doen.

E kost er niks n doen = het was zijn schuld niet.

Doede gij da naa oem mij te plge? = doe je dat nu (opzettelijk) om mij te plagen?

Neeje, 'k dee da ni oemsprs = neen, ik deed dat niet opzettelijk.

 

does

zn (nen), mv: doeze - verklw: doezeke (een)

1. Nors en stug iemand; iemand die kort van stof is. Wrokkig persoon, iemand die voortdurend op wrok zint, rancuneus type.

Da's nen does van ne vnt. = Dat is een norse man.

Lgt dijn does m gijn orreke[n] in de wg, want vruug of lt zt'em et aa beteld. = Leg die rancuneuze man maar niets in de weg, want ooit zet hij het je betaald.

 

dojge

zn (de), = mv

1. Letterlijk: duig, metalen verstevigingsring van een houten ton.

Aate tonne m twij dojge. = Houten tonnen met twee metalen duigen.

 

2. Figuurlijk.

Alles was zoo goe gereegeld, n toch 't wral in dojge gevalle! = Alles was zo goed afgesproken, en toch gaat het niet door, toch valt het weeral in duigen.

 

dojkele

ww, verv: dojkel - dojkelde - gedojkeld

1. Een koprol maken, duikelen.

Zie ze d naa in 't gs ligge dojkele... = Zie ze in het grasveld koprollen maken...

 

2. Ook figuurlijk: samen met iemand iets doen.

n dn vonne ze ni bejter as inijns m mekandere[n] in bd te dojkele. = Uiteindelijk zijn ze dan met elkaar naar bed gegaan.

 

dojkelejr

zn (nen), mv: dojkelejrs - verklw: dojkelrreke (een)

1. Buiteling, rol over het hoofd, koprol.

'k m de klaane dojkelejrs lijre mke. = Ik heb het kind buitelingen leren maken.

 

2. Verlaagde doorgang van een riool onder een straat of een ander kunstwerk.

De Vliet ej nen dojkelejr onder de vt deu . = De Vliet (riviertje) maakt een doorgang onder het kanaal, zodat ze daarna in de Rupel kan uitmonden.

 

 

dojtekliever

zn (nen), mv: dojteklievers - verklw: dojteklieverke (een)

1. Duitenkliever, gierig persoon (een duit is een koperen munt, onderdeel van een stuiver).

'k Ging vrge of dattem gijn kt waa koope, m[r] e zaa van ni, den dojtekliever! = Ik vroeg hem of hij een (steun)kaart wou kopen, maar hij zegde nee, de gierigaard!

 

dojvekeef

zn (een), mv: dojvekeeve - verklw: dojvekfke (een)

1. Rieten "korf", keef, die gebruikt wordt om duiven te vervoeren van de ene plek naar de andere. Er zijn verschillende formaten: van de hele kleine voor 2 tot 3 duiven, tot de hele grote die worden gebruikt om de duiven naar de losplaats te brengen voor de duivenwedstrijd.

Zen dojve wre gevalle, n oemdat'em paasde prijs t"mme, nam em ze mee n 't dojvelokl in een dojvekfke. = Zijn duiven waren aangekomen op de til, en omdat hij dacht dat ze prijs gevlogen hadden nam hij ze mee naar het duivenlokaal.

Zie ook: keef.

 

dojvekot

zn (een), mv: dojvekoote - verklw: dojvekotsje (een)

1. Duivenhok, duiventil.

Onze grootev kan  uure[n] n uure[n] oep zen dojvekot zitte, zonder da g'em zie.  = Onze opa kan urenlang in het duivenhok doorbrengen, zonder dat je iets van hem merkt.

 

2. Ook figuurlijk, bijv. om aan te duiden dat op een plaats veel drukte is.

Dij zen kmer, da's een cht dojvekot. Den ijne n den andere lept d binne[n] n bojte. = Zijn verblijf is als een duiventil: men komt en gaat er naar eigen goeddunken.

 

 

dol

zn (nen), mv: dolle - verklw: dolleke (een)

1. Bromvlieg, dikke vlieg.

Pas oep! D zit nen dol oep aave kop. Zal'ek'em der'afslge? = Let op! Er zit een bromvlieg op je hoofd. Zal ik hem er afmeppen?

 

dominoo

zn (-), geen mv

1. Gezelschapsspel, bestaande uit zwarte rechthoekige blokjes. Het blokje heeft twee helften, en op ieder ervan 1 tot 6 witte puntjes of het vakje is leeg. Men moet de toebedeelde stenen kwijtraken, door bij elkaar passende waarden tegen mekaar te leggen. De persoon die als eerste alle stenen weggespeeld heeft, is de winnaar.

Dominoo s al een ijl aat splleke. 't s ni moejelek, en ddeu kunne klaan kindere[n] ook meespeele. = Domino is een oud gezelschapsspel. Het is makkelijk waardoor ook kinderen kunnen meespelen.

 

zn (nen), mv: dominoos - verklw: dominooke (een)

2. Dominee, predikant bij de protestantse kerk.

's Zondachs moet oep dij mns ni rejkene, want da's nen dominoo n dn moet dij n de krrek. = Op zondag moet je op die man niet rekenen, want hij is dominee en heeft dan kerkdienst.

 

donderstijn

zn (nen), mv: donderstijne - verklw: donderstijntsje (een)

1. Eigenlijk de aanduiding van een bolbliksem, blikseminslag.

As't onweert moete't plakotsje van veu't moozegat doen, zoodaaneg da de donderstijne bojte kunne. = Als het onweert moet het bordje weggehaald worden van voor het moozegat, zodat blikseminslagen langs daar afgeleid worden.

 

 

doo

zn (nen), mv: doos - verklw: dooke (een)

1. Onnozel iemand, onnozelaar.

Da's naa toch cht w nen doo!  = Dat is een sullige jongen.

 

doo

ww, verv: doo - doode - gedoot

1. Dooien.

Zie da ge ni deu 't ijs zakt want 't s al n 't doo. = Let op dat je niet door het ijs zakt, want de dooi is al ingetreden.

 

zn (nen), mv: doo - verklw: -

2. Dode, lijk.

D was e zwr aksednt gebeurd - d was zllefs nen doo bij. = Er is een zwaar ongeval gebeurd - iemand werd zelfs gedood.

Bij da[d] aksednt wre drij doo. = Bij dat ongeval vielen drie doden.

Zie ook:doeje.

 

dootmuug

bijv nw, tvgl: -

1. Doodmoe, doodop, heel erg moe, uitgeput, helemaal ten einde kracht, meestal na een zware inspanning.

'k Zn naa al dootmuug az'ek oor wat er allem moet gebeure, n 'k m nog niks gedn! = Ik ben al doodop als ik hoor wat we allemaal nog moeten doen, en eigenlijk heb ik nog niets uitgevoerd!

 

dootsbeeleke

zn (een), =verklw, mv: dootsbeelekes

1. Bidprentje, kaartje met afbeelding en tekst ter nagedachtenis van een overledene. Het wordt gegeven aan de personen die de uitvaart bijwonen, of ook toegestuurd aan iedereen die zijn medeleven kenbaar maakt op andere manier.

Oep zen dootsbeeleke ston ne fotoo, n da was em naa ijlem s! = Op het bidprentje bij zijn begrafenis stond een treffende foto.

Zie ook: detsbeeleke.

 

 

doolf

zn (nen), mv: dooloove - verklw: doolfke (een)

1. Doolhof, labyrint.

In de zjollezjie van Plankendl mme ze nen doolf gemokt me[j] allem ogskes. = In de zoo van Plankendaal heeft men een labyrint gemaakt, bestaande uit haagjes.

 

2. Figuurlijk: plek waar men moeilijk de juiste weg of de juiste manier vindt om verder te gaan.

Gelooft me of gelooft me ni, m[r] a'kik al die papiere moet invulle, dn s da nog rreger veu mij, as deu nen doolf loope. = Geloof me of geloof me niet, maar als ik door al die administratie moet, dan vind ik dat veel erger dan de juiste weg te zoeken in een doolhof.

 

dop

zn (den), mv:-

1. Stempelcontrole.

E mendag moete'k n den dop. = Maandag moet ik gaan stempelen.  Vroeger gebeurde dit dagelijks, maar nu moet men slechts 2 maal per maand zijn dopkt laten afstempelen.

 

2. Lokaal of plaats waar men zijn stempel als uitkeringsgerechtigde moet halen.

D stont een ijl root mnse[n] n den dop. = Er stond een hele rij voor het stempellokaal.

 

zn (den), mv: doppe - verklw: doppeke

3. Tol, speeltuig uit de oude tijd.

Ne gsseldop = een draaitol die met de zweep geslagen werd en op die manier aan het draaien werd gehouden.

 

dopkt

zn (een), mv: dopkte - verklw: dopkotsje (een)

1. Stempelkaart, kaart die men als uitkeringsgerechtigde moet laten afstempelen.

Ge moet aa dopkt altij bij[j]mme. = Je moet steeds je stempelkaart op zak hebben.

 

 

doppe

ww, verv: dop - dopte - gedopt

1. Stempelen, geen werk hebben en van een uitkering genieten.

W[r] s den tijd da'm alle dge moeste gn doppe? = Het is al lang geleden dat we dagelijks onze stempel moesten halen.

 

2. Soppen of dompelen, bijv. een stuk brood in de koffie of in de soep.

Ma'k ik mij spkkeloske[n] in de kaffee doppe? = Mag ik mijn speculaasje in de koffie soppen?

 

3. Spel met de draaitol - een tol heet in het Willebroeks nen dop.

Klaan kindere kund'uure beezeg aave deu m[j] eule te doppe. = Kleinere kinderen kan je zoet houden door met de draaitol te spelen.

 

dopper

zn (nen), mv: doppers - verklw: dopperke/doppertsje (een)

1. Stempelaar, uitkeringsgerechtigde.

In Bllege komme d'er alle mende doppers bij. = In Belgi zijn er elke maand steeds meer uitkeringsgerechtigden.

 

dopping

zn (een), mv: doppinge - verklw: doppingske (een)

1. Iemand kopje-onder duwen bij het zwemmen.

A'k aa tenostekij zien in de zwmdok, meude gerust zen da'k aa een goej dopping geef! n 'k paas dat er wl mijr zelle zijn! Naa wtte't! = Als ik je de volgende keer in het zwembad ontmoet, kan je ervan op aan dat ik je eens goed ga onderduwen! Hou er maar rekening mee dat het meer dan eens zal gebeuren! Je bent verwittigd!

 

 

Laatste wijziging 30-05-2013 - Toevoegingen
01-06-2008 - Toevoegen afbeelding
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl