A  B
 C  D
DA
DE
DEU
DI
DO
DR
DU
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

ddde

zn(den), mv: dddes - verklw: dddeke (een)

1. Derde.

E was den ddde[n] in 't school. = Hij was de derde van de klas.

 

deeg(e)nit(te)rij / deug(e)nit(te)rij

zn (de), mv: -

1. Deugnieterij, schelmerij, guitenstreek, gewoonlijk onschuldig bedoeld.

't s naa[j] al goe m[j] aa deegnitrij! Me weet da g'er z! = Hou nu maar op met al die schelmenstreken! We hebben begrepen dat je er bent!

 

2. Wordt echter ook gebruikt om opzettelijke daden die nadelige gevolgen hebben aan te geven, misdaad.

Naa vermoore ze zllefs al aa mnskes veu ondert frank! W g'me toch n toe, m[j] al die deugenitrij? = Er worden zelfs al ouderlingen vermoord om honderd frank in te pikken! Waar moet het toch heen met al die misdaden?

 

deem / dejm

zn (nen), mv: deeme / dejme - verklw: deemeke / dejmeke (een)

1. Speen van een koe.

Een koej ej 4 deeme. = Een koe heeft 4 spenen.

 

2. Ook figuurlijk.

Naa[j] ejt'em wral gewonne m't kte! Da's nogal nen dejm, znne... = Nu heeft hij weeral gewonnen bij het kaarten! Dat is nogal een gelukzak, hoor...

 

deer / deur

zn (een), mv: deere / deure - verklw: drreke / derreke (een)

1. Deur.

Over een allef deer gescheete! = Uitdrukking die onverschilligheid uitdrukt.

Veu de deur stn. = Voor een gesloten deur staan

 

deezeke

zn (een), = verklw, mv: deezekes

1. Figuurlijk: aanduiding van een heel braaf persoon, van iemand die eigenlijk weinig durft. Meestal zijn dit niet de leukste soort van mensen.

Van da vntsje[n] m ek'ik gijne schrik, want dat s e veel te braaf deezeke. = Over dat kereltje ben ik niet zo ongerust, omdat hij toch bijna niets durft.

 

eigennaam

2. Jezus, wordt meestal gebruikt tegenover kinderen als ze niet gehoorzamen.

A ge ni braaf z zal Dezeke kijve! = Als je niet braaf bent zal Jezus boos op je zijn.

 

 

dggere

ww, verv: dgger - dggerde - gedggerd

1. Niet stil kunnen staan, altijd maar rondlopen, ter plaatse staan trappelen.

Stt d ni zoo te dggere! = Sta nu eindelijk eens stil!

 

dggerejr

zn (nen), mv: dggerejrs - dggerrreke (een)

1. Iemand die niet stil kan staan, iemand die zenuwachtig is.

Kunde gij naa ni stil zitte, sen dggerejr? = Kan je niet stilzitten?

 

dejke

zn (den), mv: dejkes

1. Deken, kerkelijk ambt. [>Lat. decanus] [>Nl. deken]

A't er ni genoeg kinnekes geboore werre, dn stuurt de pastoor den dejke rond. = Als er te weinig geboortes zijn, stuurt de pastoor de deken op toer (om te zien wat er aan de hand is).

 

dejrlek

bijv nw, tvgl: -

1. Meelijwekkend, er niet goed uitziend, allesbehalve gezond. [>Nl. deerlijk]

Da kind zag er cht dejrlek ojt, m j... z'aa die klaan wl vier iere bojte veu de deur lte stn! = Dat meisje zag er helemaal niet goed uit, maar ja ... haar ouders hadden haar meer dan vier uur buiten voor de deur laten wachten!

 

 

dkkorrsse

zn (een), mv: dkkorrsses - verklw: dkkorrsseke (een)

1. Letterlijk: medaille, decoratie.

d' Aatstrijders van den twjde wejreldoorlog mmen oep de lste tejrfijst allem een dkkorrsse gekreege. = De oudstrijders / veteranen van WO II hebben op hun laatste feest allemaal een medaille gekregen.

 

2. Figuurlijk: grote wonde, blauw oog, vogelklad op de kleren,

Me wren e zondag een trraske gn doen, n oep de goot zat een dojf. Ge kunt al paaze dad onze Swa wral prijs aa! Die dojf ej gekakt oep ze kostuum. Een aa persies een dkkorrsse. = Vorige zondag hebben we op een terrasje iets gedronken, en in de dakgoot zat een duif. Je kan al vermoeden dat mijn echtegenoot Franois geen geluk had! Die duif liet iets vallen, recht op zijn pak. Hij had precies een medaille gekregen!

Zie ook: madelle.

 

dkschijter

zn (nen), mv: dkschijters - verklw: dkschijterke (een)

1. Duif. Letterlijk: dakschijter.

'k Aa nog m zjeste nief panne gelej, of men dk zat al derkt vol dkschijters. = Ik had nog maar net pannen vernieuwd, of mijn dak zat onmiddellijk vol duiven.

 

2. Speelduif die niet snel genoeg op het hok terugkeert om prijzen te winnen. Af en toe zelfs figuurlijk gebruikt om een persoon aan te duiden waarmee niet veel aan te vangen is of die makkelijk bang is.

Van de zeeve dojve die'k m lte meevliege[n] oep Kvrn, zn der twij oep tijd gevalle, m die[j] ander vijf... dkschijters, j! = Van de zeven wedstrijdduiven die ik liet deelnemen vanuit Quivrain, zijn er twee binnen de tijd aangekomen, maar die andere vijf... waardeloos!

Wa zdde gij naa v nen dkschijter? Gij derreft nog ni[j] oover de grcht springe! = Wat ben jij nu voor een angsthaas? Je durft zelfs niet over de gracht springen!

 

 

demiszn

zn (nen), mv: demiszns - verklw: demisznke (een)

1. Lichte overjas of regenjas die vooral in tussenseizoenen gedragen wordt. [>Fr. demi-saison]

M de jremt meud aave pardessuu ojt de kas le, m tot dn zlde't m[j] aaven demiszn moete doen. = Met de jaarmarkt mag de overjas uit de kast worden gehaald, maar tot dan zal je het moeten stellen met de jas voor de tussenseizoenen.

 

dmpech

bijv nw

1. Kortademig, vaak ten gevolge van een inspanning.

Ons meeke aa veel te rap n de mt geloope, n ze was dmpech a'ze trugkwam. = Onze oma was veel te snel naar de markt gelopen, en ze was kortademig als ze terugkeerde.

 

dn

bijw

1. Dan, op dat ogenblik, op dat moment, toen.

Wtte noch da'k ik aa dn gezej[d] m dache moest zwijge? = Weet je nog dat ik toen heb aangeraden om te zwijgen?

n dn kwam er e vrreke mne lange snojt, n 't vertlselke was ojt! = En toen kwam er een varkentje met een lange snuit, en het verhaaltje was uit!

Naa n dn zt ek mij toch fkes nee oem e zjatteke kaffee te drinke. = Nu en dan zet ik me eventjes, en drink een tas koffie.

 

dn

zn (den), mv: -

1. Binnenhof, binnenplaats, koer (waar vroeger de koetsen en de wagens stopten).

Zt den otoo m[r] oep den dn. = Parkeer de auto maar op de binnenplaats.

 

 

 

dnke

ww, verv: dnk - docht - gedocht

1. Denken, over iets nadenken. Hoewel men in het Willebroekse dialect in dit geval eerder zal "paaze".

Dnkte gij naa cht da'k ik aa in't zak zaa ztte? = Geloof je echt dat ik je zou bedriegen?

'k m er nog s goed oover gedocht, n 'k paas da'k aa die snte m zal lijne. = Ik heb er nog eens goed over nagedacht, en ben tot de conclusie gekomen dat ik je het geld ga lenen.

Dad odde ni gedocht, ! = dat had je niet gedacht, zeker! Dat had je niet kunnen vermoeden.

 

2. Ook in de uitdrukking "dn docht ek da ...". Deze wordt bijvoorbeeld gebruikt als iemand al z vaak iets heeft herhaald, dat het begint te vervelen. Van deze verveling geeft men dan uiting om het vertelde en de verteller als n en hetzelfde te beschouwen. Stel dat iemand het er de hele tijd over heeft hoe goed hij wel kan naaien, dan zou zo een antwoord kunnen zijn: As ek aa ve den ijste kij zag, docht ek da g'e nmasjien wordt!

Of als iemand het heel de tijd maar weer heeft over het nieuwe TV-toestel dat ze gekocht heeft: As ek aa den ijste kij zag, docht ek da ge nen teevee wordt!

 

derbinnespeele

ww, verv: speel derbinne - splde derbinne - derbinnegespld

1. Wordt gezegd als men bij het kaarten de tegenpartij laat verliezen, door hen minder slagen te laten verwerven dan vereist voor het spel.

E waa veu de zoovlste kij aavendans gn, m 'k m em gemakkelijk der kunne binnespeele. = Hij wou bij het wiezen weer maar eens abondance spelen, maar het was niet moeilijk om ervoor te zorgen dat hij onvoldoende slagen behaalde.

Zie ook: onderdeuspeele.

 

deroepkomme

ww, verv. kom deroep - kwam deroep - deroepgekomme

1. Zich herinneren, te binnen schieten.

'k Kost er ni[j] oep komme = het schoot me niet te binnen.

 

derondergn

ww, verv: gn deronder - ging deronder - derondergegn

1. Bij het kaartstpel opzettelijk een lage kaart werpen terwijl men hogere in de hand heeft, met de bedoeling de tegenpartij te misleiden.

Ge moet de kt m tlle! Dn odde gezien da'k derondergegn was, n dn odde'r ni binnegezeete! = Je moet de gespeelde kaarten maar onthouden! Dan had je gemerkt dat ik een lage kaart gespeeld had, en dan had je alle slagen kunnen halen!

Zie ook: deronderspeele.

 

deronderspeele

ww, verv: speel deronder - splde deronder - derondergespld

1. Bij het kaartstpel opzettelijk een lage kaart werpen terwijl men hogere in de hand heeft, met de bedoeling de tegenpartij te misleiden.

d'Ander aa ni gezien da'k derondersplde, n toen as em m zen dam kwam verschote ze da kik den ijr nog aa. = De tegenspelers hadden niet gemerkt dat ik opzettelijk een lage kaart speelde, en toen ze de dame op tafel wierpen, schorkken ze toen ze zagen dat ik de koning nog had.

Zie ook: derondergn.

 

 

drrem

zn (nen), mv: drreme - verklw: drremke (een)

1. Darm, ingewand. [>Nl. darm]

'k m zijr in men drreme!  = Ik heb buikpijn!

De weste van Staaf Ooft zn ijl goe oemda dij nog altij chte vrrekesdrreme gebrekt. = De worsten die Gustaaf Hoofd maakt zijn heel lekker, omdat die nog altijd natuurlijke varkensdarmen gebruikt.

 

2. Slang, lange en dunne flexibele buis, bijv. een waterslang.

'k Gn sebiet den of sproeje - 'k m de wterdrrem al gerijd gelej. = Ik ga seffens de tuin sproeien, en heb de waterslang al klaar gelegd.

Ver eule fftegste zjubbelee mme de pompiers van den berreger 100 meter nief drreme gekreege. = Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan heeft de brandweer van de burgemeester 100 m nieuwe pompslangen ten geschenke gekregen

 

dssng

zn (nen), mv: dssngs - verklw: dssngske (een)

1. Patroon, motief, meestal op stof of papier. [>Fr. dessin]

M'mme gebange n t's e papirreke m e schoon dssngske. = We hebben behangen en het patroon is heel mooi.

 

dstach

zn, mv: -

1. Dinsdag, de tweede dag van de week.

't Dstachs n de vftinde[n] ogustus s't altij koers. = De dinsdag na 15 augustus wordt er koers gereden ter gelegenheid van de kermis.

 

dstere

ww, verv: dster - dsterde - gedsterd

1. Pletten, prakken.

Gedsterde petatte. = Geprakte of tot moes geplette aardappelen.

 

2. Niet stil kunnen staan van ongeduld, treuzelen omdat men nog iets wil zeggen maar eigenlijk niet goed durft beginnen. Figuurlijk.

Wa stde d naa te dstere? = Is er nog iets, heb je nog iets te zeggen, wil je nog iets kwijt? Waarom treuzel je dan?

 

 

dttech

telw (de), dttechste

1. Dertig.

Afbetle oep dttech dge. = Terugbetalen met een krediettijd van dertig dagen.

 

dttechste

telw, (den)

1. Dertigste.

Den dttechste[n] dag van de ment. = De dertigste dag in de maand.

 

dttien

telw (de), dttinde

1. Dertien.

Dttien bringt oengeluk. = Dertien brengt ongeluk.

 

dttinde

telw (den)

1. Dertiende.

Vrijdag den dttinde s ne geluksdach. = Vrijdag de dertiende is een dag die geluk brengt.

 

 

Laatste wijziging 30-05-2013 - Toevoegingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl