A  B
 C  D
DA
DE
DEU
DI
DO
DR
DU
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

drge

ww, verv: drg - droege - gedrge

1. Letterlijk: dragen, iets van een zeker gewicht optillen en elders naartoe brengen.

Manneke... kunde gij naa veu mij die wasmanne[n] s n den dn drge? Z's te zwr veu mij. = Jongen... kan jij die wasmand voor mij naar de binnenplaats dragen? Het is te zwaar voor mij.

 

2. Figuurlijk: etteren.

Ge moet s n den doktoor gn, znne, want die wonde[n] s n't drge. = Je kan best toch bij de dokter op consultatie gaan, hoor, want deze wonde is aan het etteren.

 

drasj

zn (den), geen meervoud

1. Koffiedik.

Smtte gij den drasj in de vojlbak, of oep de mssink? = Werp je het koffiedik in de vuilbak of op de composthoop?

De bes van de kaffeepot s gescheurd, paaz'ek, want d lej drasj in men zjat. = Ik denk dat de filterzak van de koffiepot gescheurd is, want er lift koffiediek in mijn tas.

 

zn (den/nen), mv: drasje - verklw: drasjke (een)

2. Regenbui, vlaag. [>Belgisch Fr. drache]

't Ej ne goejen drasj gedn, n mene was ing nog bojte! = Er is een flinke regenbui gevallen, en mijn wasgoed hing buiten te drogen!

De nasjenlen drasj = als er een regenbui valt op 21 juli - de Belgische nationale feestdag - wordt deze regenbui zo wel genoemd.

 

drasje

onpers ww, verv: drasjt - drasjte - gedrasjt

1. Regenen. [>Belgisch Fr. drache]

't s weer s goed n 't drasje - Ier in Bllege kunde naa toch noot ni bojte kommen, ! = Het regent weeral maar eens goed - In Belgi kan je haast nooit buitenkomen, hoor!

 

 

drngel

zn (den), geen mv.

1. Draadafsluiting (bv. van een duivenhok, of een konijnenhok).

 

drs

zn (den), mv: - verklw: drske (een)

1. Regenbui, vlaag.

't Ej wee nen drs gedn! = Er was weer een hevige regenbui.

 

2. Ook figuurlijk.

De vliegenden drs = diarree.

 

drsse

ww, verv: drs - drste - gedrst

1. Spatten of spetteren met water.

Ge moet mekandere naa ni nat drsse. = Je hoeft mekaar niet nat te spatten.

 

2. Figuurlijk. Zich haasten, snel gaan of lopen. [>Fr. se dresser]

D komt ze wral ngedrst... = Daar komt ze weeral gehaast aangelopen...

M[j] eur zeeve joeng ej ze noot gijnen tijt. Zie m[r] s oe da ze d wral komt n gedrst! = Doordat ze zeven kinderen heeft, heeft ze amper tijd. Kijk maar, hoe snel ze weeral komt aangelopen.

 

3. Figuurlijk: vernederen, iemand nadeel berokkenen.

'k m em s goe me gedacht gezej, n natierlek was'em in ze gat gedrst! = Ik heb hem even goed van antwoord gediend, en uiteraard voelde hij zich benadeeld!

 

 

drij

telw (de), mv: drijs - verklw: drijke (een), ddde

1. Drie.

Die[j] mme drij joeng. = Ze hebben drie kinderen.

 

droemedris

zn (nen), mv: droemedrisse - verklw: droemedriske (een)

1. Dromedaris (dier). [>Lat. Camelus bactrianus]

In de woestijn zn veel keemels en droemrisse. = In de woestijn heb je veel kamelen en dromedarissen.

 

2. Kameel, kemel (dier). [>Lat. Camelus bactrianus]

Nen droemedris m twij bilte[n] s ne keemel. = Een dromedaris met twee bulten is een kameel.

 

3. Onnozelaar.

Gij z toch m ne droemedris, zlle! = Jij bent toch maar een onnozelaar.

 

drdeur

zn (een), mv: drdeure - verklw: drderreke (een)

1. Letterlijk: draaideur, deur bestaande uit meerdere vleugels die in een cilindervormige constructie draait en op die manier toegang verleent zonder dat er tocht ontstaat.

Oep d'ksposiesse moeste in de mijste palijze binnegn deu een drdeur, n ddeu stonne de mnse dikkels in lange roote[n] n te schojve. = Op de tentoonstelling moest je de paleizen vaak langs een draaideur binnengaan, waardoor er dikwijls lange rijen wachtenden stonden.

 

2. Figuurlijk: willekeurig, onstandvast, onberekenbaar, onvoorspelbaar.

Gebruikt in de uitdrukking zoo zot as een drdeur =  geen blijf met zichzelf weten van vreugde, van ongeduldigheid of van gelijk welke emotie.

 

 

drloos

bijv nw, tvgl: drloos - drloozer - mijst drloos

1. Draaierig, een draaierig gevoel in het hoofd hebbend.

A ge drloos z, dn dde last van drnisse. = Als je drloos bent, dan heb je een draaierig gevoel.

'k Aa twij slppille genoome. M'k moest oepstn oem n't gemak te gn n oemda'k drloos was zn ek gevalle. = Ik had twee slaappillen ingenomen. Maar ik moest naar het toilet en omdat ik een beetje draaierig was ben ik gevallen.

 

drlooze

zn (nen), mv: drlooze

1. Iemand die niet kan aarden, die er niet in slaagt om zich op zijn gemak te voelen.

Da manneke[n] s een ment geleej ojt de Kongoo gekomme, m e lept ie rond gelk nen drlooze. = Die arme kerel is een maand geleden uit Afrika naar hier gereisd, maar het is duidelijk dat hij zich hier niet goed voelt.

 

2. Wordt ook gezegd van iemand die zich raar of wezenloos gedraagt.

Sins dat'em oep den Amonjak in dijn brand ej gezeete, zie[d] sves dikkels as nen drlooze rondloope. = Sinds hij slachtoffer was van die brand op de Amoniak fabriek, zie je hem 's avonds al eens vaker als een wezenloos iemand ronddolen.

 

drnis

zn (een), mv: drnisse

1. Evenwichtsstoornissen, duizeling. Wordt meestal in het meervoud gebruikt.

'k m wee drnisse! = Ik heb een draaierig gevoel.

 

drupnees / drupneus

zn (nen), mv: drupneeze/drupneuze - verklw: drupnske/drupneuzeke (een)

1. Druipneus, lopende neus.

Gft s rappekes ne zakkensdoek want 'k m nen drupneus. = Geef me eens gauw een zakdoek, want ik heb een druipneus.

 

 

Laatste wijziging 10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl