A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
OA
OEP
OEPL
OF
OK
OO
OR
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

oep

voorz, bijw

1. Op, bovenop. [>Gr. hupo]

G[d] oep aa dk zitte, dn ziede nog vdder! = Ga boven op het dak zitten, dan kan je nog verder kijken!

 

2. Aanduiding van vergelijking of van een manier waarop iets gebeurt.

Oep e leppeke = op een loopje, in draf, gehaast, vlug.

 

3. Uitputting van de voorraad, als er niets meer is overgebleven.

De kte zn oep! = Er zijn geen speelkaarten meer om uit te delen.

'k Zaa aa een bees geeve, m ze zn oep... = Ik zou je een snoepje geven, maar er zijn er geen meer.

Oep s oep! = Als er niets meer is overgebleven, kan er ook niets meer worden uitgedeeld.

 

oepbaave

ww, verv: baaf oep - baade[n] oep - oepgebaat

1. Letterlijk: opbouwen, rechtzetten.

Toen da Menijr de Nayer gesteurreve[n] s, mme ze v zen gedankenis e stanblt oepgebaat. = Na de dood van mijnheer De Nayer heeft men te zijner nagedachtenis een standbeeld gebouwd.

 

2. Ook in de zin van bijvoegen, bijtellen.

Gistere wre m'n 't wippe, m[r] oemda de klnste meesplde mochte ni oepbaave. = Gisteren hebben we het kaartspelletje wippen gespeeld, en omdat onze jongste zoon meespeelde hadden we afgesproken dat opbouwen niet mocht.

 

Zie ook: wippe (voor de spelregels)

 

oepbeere / oepbeure

ww, verv: beer oep - beerde[n] oep - oepgebeerd of beur oep - beurde[n] oep - oepgebeurd

1. (Iemand) opmonteren, opgewekter worden of maken.

Da mens zit zoo in de pit da'k ze zn gn oepbeere. = Die vrouw is heel erg depressief en ik heb ze een beetje opgemonterd (door een bezoekje).

 

oepblinke

ww, verv: blink oep - blinkte[n] oep / bloenk oep - oepgebloenke

1. Oppoetsen, poetsen tot het glanst. Wordt ook gebruikt om meer specifiek schoenen poetsen aan te duiden.

'k m me gelze srvies oepgebloenke, want e zondag komme men schoonaavers oep bezuuk. = Ik heb het glasservies een extra poetsbeurt gegeven, want volgende zondag komen mijn schoonouders op visite.

'k Weet nog goe as ek in 't leeger was, da'k er alle dge v zerregde da'k men schoene[n] oepbloenk, om gijn straf te krijge. = Ik herinner me nog heel goed dat ik in het leger er voor zorgde om dagelijks mijn schoenen te poetsen, om te vermijden dat ik daarvoor een afstraffing zou krijgen.

 

 

oepboeme

ww, verv: boem oep - boemde[n] oep - oepgeboemd

1. Opboenen, doen glanzen.

Die[j] eur kasse zn altij goe[d] oepgeboemd. = Haar kasten zijn altijd goed geboend, ze glanzen van de boenwas.

Z's altij[d] eere plansjee n't oepboeme. = Ze is voortdurend haar parketvloer aan het boenen.

 

oep de mette zitte

ww, verv: zit oep de mette - zat oep de mette - ej oep de mette gezeete

1. Gedragen worden op de rug of op de schouders van iemand anders. Gebeurt vaak om kleine kinderen boven een mensenmassa te laten meegenieten van n of ander spektakel.

"Sg Sjaarel, ons Mrieke[n] s n't zge da ze ni veel zie tusse[n] al die mnse[n] ie. Mag die ni bij aa oep de mette zitte?" = "Zeg Karel, klein Marietje klaagt dat ze niet veel kan zien tussen deze mensenmassa. Mag ze niet op je schouders zitten?"

 

Zie ook: plattemettezitte

 

oepdoeke

ww, verv: doek oep - doekte[n] oep - oepgedoekt

1. Opdoeken, tenietdoen.

E[n] aa zoo veel gepoeft da ze zen zk mme[n] oepgedoekt. = Hij had zoveel schulden, dat men zijn zaak heeft gesloten.

 

oepdoen(d)er

zn (nen), mv: oepdoen(d)ers - verklw: oepdoen(d)erke (een)

1. Iemand die graag en makkelijk geld uitgeeft, vaak ten onrechte of nutteloos, iemand die geld verkwist.

Ve zoone[n] oepdoender moette gn wrreke! = Voor iemand die zo makkelijk geld verkwist, moet je uit werken gaan!

 

oepeleppeke / oeperappeke

bijw

1. Snel, vlug, overhaast.

Toen a'k nog in de zk ston, dee'k veu de noen oepeleppeke de snte n de bank. = Toen ik de winkel uitbaatte, ging ik voor de middag snel naar de bank om de ontvangsten weg te brengen.

Oeperappeke nog wa bookes gerijt mke[n] n me kunne wg! = Nog vluggen even een paar boterhammen smeren (en beleggen) en we kunnen vertrekken!

 

 

oeper

zn (`t), mv: oepers

1. Opper, hooiopper.

Achter `t oeper schrijve. = Niet openlijk wenen over iets waar men verdriet over heeft, zich verbergen als men weent.

 

oepellep

zn (de), geen mv, geen verklw

1. Hulp, steun, vooral in noodsituaties of als men zelf geen uitweg meer zit. Iemand die een handje toesteekt om iets tot een goed einde te brengen, hulp die als gevolg heeft dat iets op een goede manier kan worden beindigd.

M[j] al die mizeere van d'ooverstrooming in Rojsbroek was ek kontnt da'k van ie[r] n d wad oepellep kreeg. = Door al die tegenslag ten gevolve van de overstromingsramp in Ruisbroek, was ik echt blij dat er hier en daar hulp werd aangeboden.

 

2. Het woord wordt even goed gebruikt om net het tegenovergestelde aan te duiden, namelijk dat de hulp die men gekregen heeft er net voor gezorgd heeft dat iets niet is afgewerkt. Dit kan al dan niet door de ontkenning te vermelden, maar ook door die opzettelijk weg te laten zodat het een eerder sarcastische uitdrukking wordt.

M[j] aa oepellep zal ek ook ni vr komme! = Met jouw steun zal ik het zeker niet veel verder brengen!

 

oepfleere / oepfleure

ww, verv: fleer oep - fleerde[n] oep - oepgefleerd / fleur oep - fleurde[n] oep - oepgefleurd

1. (Iemand) opmonteren, opgewekter worden of maken.

Ze fleerde[n] ijlem oep azze'k eur zaa dasse de lotto gewonne[n] aa. = Ze monterde helemaal op toen ik haar zei dat ze de Lotto gewonnen had.

 

 

oepfrtte

ww, verv: frt oep - frtte[n] oep - oepgefrt

1. Opeten, opvreten (meestal gulzig).

N dat'em zen petatte[n] aa oepgefrt, ejt'em nog een talloor pap of drij geete. = Nadat hij zijn aardappelen had verorberd, heeft hij nog drie borden pap gegeten.

 

2. Zich ergeren.

Z'n kas oepfrtte! = Zich ergeren over iets, zenuwachtig zijn over iets.

 

oepfrtter

zn (nen), mv: oepfrtters - verklw: oepfrtterke (een)

1. Profiteur, iemand die probeert zo veel mogelijk naar zich toe te halen.

 

2. Figuurlijk: iemand die zich nodeloos zorgen maakt.

Z'n kas oepfrtte = zich ergeren.

 

oepfrtter van't goevrnemnt

zn (nen), mv: oepfrtters van 't goevrnemnt

1. Beroepsmilitair, ambtenaar, persoon in dienst van het openbaar ambt.

J s! As oepfrtter van 't goevrnemnt wtte gij oep veurant oeveel pengsjoen da ge g trkke. = Ja zeg! Als ambtenaar weet jij vooraf hoeveel uitkering je zal krijgen als je op rust bent.

 

 

 

oepgeblze

ww, deelwoord

1. Het gevoel hebben opgeblazen te zijn, winderig gevoel in de ingewanden.

'k m een oepgeblze gevoel in menen bojk. = Ik heb een gezwollen gevoel in de buik!

 

oepgedroenge

ww, deelwoord

1. Met een rood en opgezet of opgezwollen gelaat.

E[j] aa zooveel geete[n] n gedroenke dat em d naa m[j] een oepgedroenge gezicht zit - sebiet oemploft em! = Hij had zo veel gegeten en gedronken dat hij er met een rood en opgezwollen gelaat bij zat - het lijkt of het alle momenten kan ontploffen!

 

Opmerking: niet te verwarren met iets wat opgedrongen werd.

 

oepgepakt van de kaa

uitdrukking

1. Het heel koud hebben, verkleumd zijn van de kou.

M kind toch! Oe ziede gij d'er naaj ojt? Ge ziet ijlem blaat! Ge zet oepgepakt van de kaa! Zt aa agaa nffe de stoof dn zal ekik een goej zjat wrrem soep le. = Maar meisje toch! Hoe zie jij eruit? Je bent helemaal blauw! Je bent helemaal verkleumd! Zet je maar naast de kachel en ik haal je een warme kom soep.

 

 

oepjacht

zn (een), mv: opejachte - verklw: oepjachtsje (een)

1. Plotse stuwing van het bloed, waardoor men het warm krijgt en gaat zweten. Dit is niet altijd een gevolg van fysische inspanning, en komt vaker voor gedurende de menopauze.

Toen da'z in eur oovergangsjre was, aa ze veel last van oepjachte. = In haar menopauze had ze vaak last van een hinderlijk warm gevoel en zweten.

 

Zie ook: vaperreke

 

oepklffere

ww, verv: klffer oep - klfferde(n) oep - oepgeklfferd

1. Opklauteren, opklimmen, naar boven klimmen, beklimmen. Ook: naar boven wandelen.

Me zn oep de sitadl van Dinant geklfferd, n van d konde de Ms schoon zien ligge. = We zijn naar boven gewandeld op de citadel van Dinant, en van daarboven had je een mooi uitzicht op de Maas.

 

oepklij

ww, verv: klij oep - klijde[n] oep - oepgeklijd

1. Zich mooi uitdossen, extra aandacht besteden aan de kleding, zich opdoffen.

'k Aa mij spsjl goed oepgeklijd oem n proklamsse van onze klaane te gn. 't Was toch ze lste jr, n da mokte ni dikkels mee. = Ik had me extra opgedoft om naar de bekendmaking van de uitslag der examens van onze zoon te gaan. Het was tenslotte zijn laatste leerjaar, en dat gebeurt maar zelden in een mensenleven.

 

Zie ook: oeptalloore

 

 

Laatste wijziging 26-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl