A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
OA
OEP
OEPL
OF
OK
OO
OR
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

oeplte

ww, verv: lt oep - liet oep - oepgelte

1. Oplaten, de kans geven om op te stijgen, doen opstijgen.

ne vlieger oeplte = een (papieren) vlieger laten opstijgen.

de dojve[n] oeplte = speelduiven uit de kooi laten om op te stijgen voor de wedstrijd.

nen ballon oeplte = een (lucht) ballon laten opstijgen.

 

oeplgge

ww, verv: lg oep - laa[j] oep - oepgelej

1. Inleggen, marineren, inmaken, voedsel conserveren door het in een marinade te leggen waardoor dit voedsel langer bewaard kan worden. Bij fruit gebeurt het inleggen meestal in een vloeistof op alcoholbasis, terwijl voor vis vaak azijn gebruikt wordt.

oepgelejde[n] ejrink = haring opgelegd in het zuur.

kzzen oeplgge[n] oep zjeneevel = kersen of krieken inmaken in oplegjenever.

 

2. Extra geld toeleggen, omdat het oorspronkelijk gegeven of afgesproken bedrag niet langer volstaat of omdat de voorwaarden veranderd zijn.

Naa dat aale dochterke ook meeg, moete nog 250 frang oeplgge. n dn z m'er. = Nu dat jullie dochter mee reist, moet je nog 250 frank extra betalen. En klaar is Kees!

 

oeploope

ww, verv: loop oep - liep oep - oepgeloope

1. Uit de hand lopen.

Den ambras tisse die twij gebiere was serjeus n't oeploope. = De ruzie tussen die twee buren liep ernstig uit de hand.

 

2. Toenemen in waarde of in kosten.

Ijst ne nieve poembak, dn ne nieven doesj, dn e nief bad... n de koste m[r] oeploope! = Eerst een nieuwe lavabo, dan een nieuwe douchekuip, daarna een nieuwe badkuip... de kosten werden flink de hoogte ingejaagd.

 

oeploopeg

bijv nw, tvgl: oeploopeg - oeploopeger - oeploopegst

1. Opvliegend, driftig.

Toen a da[d] oeploopeg karakter in 't Folksojs binnekwam, droenke veel mnsen eule pint ojt n ze wre wg. = Toen die driftkop in caf Volkshuis binnenkwam, dronken spontaan heel wat klanten hun glas bier uit en verlieten de zaak.

 

 

oepneemvod

zn (een), mv: oepneemvodde(s) - verklw: oepneemvoddeke (een)

1. Dweil, doek om nat mee van de vloer "op te nemen", opneemdoek.

G naa s een oepneemvod le, want 'k m gestet! = Haal even een dweil, want ik heb gemorst!

 

 

oep ne gegeeve momnt

uitdrukking

1. Op een bepaald ogenblik.

Dij fillem wier altij m spannender n schriknjgender, n oep ne gegeeve momnt koste 'k et nemijr aave, n znne'k  bojte geloope. = De film werd almaar spannender en meer angstaanjagend, tot ik de spanning op een bepaald ogenblik niet meer aankon, en ik de zaal uitgerend ben.

 

oep ne nik n ne gaa

uitdrukking

1. Ras, heel snel, op een fractie van een seconde, op de tijd dat je met het hoofd kan knikken (ne nik ), heel gauw ( ne gaa).

'k Blde n men dochter v te zgge da'k ni kost komme kaffeeklasje oemda'k een goej grip aa, n oep ne nik n ne gaa ston z'n men deur v te vrge[n] of da'k niks van doen aa! Schoon ? = Ik telefoneerde naar mijn dochter om haar te zeggen dat ik niet op de koffie kon komen vanwege een stevige griep, en bijna direct kwam ze langs om te vragen of ze me niet met iets kon helpen! Lief, h?

 

oeppoempe

ww, verv: poempt oep - poempte[n] oep - oepgepoempt

1. Oppompen.

Oemda zen banne platstonne, ej't em zene veloo oepgepoempt. = Zijn banden stonden plat, en dus heeft hij die opgepompt.

 

 

oeproeje

onpers ww, verv: roejt oep - roejde[n] oep - oepgeroejd

1. Oprispen, een oprisping krijgen vanuit de maag.

As men mg m[r] s goe zaa oeproeje, dn zaa'k mij al stukke bejter voele. = Als ik maar eens een oprisping kreeg, als ik maar eens een boertje kon laten, dan zou ik me waarschijnlijk heel wat beter voelen.

 

oeprookele

ww, verv: rookel oep - rookelde[n] oep - oepgerookeld

1. Oprakelen, door rakelen weer doen branden.

De stoof oeprookele = de kachel oprakelen.

 

2. Terug in herinnering brengen, oprakelen, opdiepen.

Ge moet al die[j] aa istoores nemij oeprookele want dat elt toch niks ojt! = Je moet al die oude geschiedenissen niet meer opdiepen, want dat verandert toch niets meer aan wat er gebeurd is.

 

oepschok

bijw

1. Onderweg met feestvieren, aan het uitgaan, op stap.

'k Zn m men vriendin oepschok gewst, en 't was ijl plizant. = Ik ben met mijn vriendin op stap geweest en het was plezierig.

 

oepsernief / oepternief(t) / oepsevs

bijw

1. Opnieuw, herhaal, bis, nog een keer, van voren af aan.

G't da[d] al goe gespld, manne. Naa nog s oepternief, n dn 't goe. 't s toch rppetiesse veur iet, ? = Jullie hebben dat (muziekstuk) al goed uitgevoerd, jongens. Nu nog eens van voren af aan, en dan zal het goed zijn. Het is toch repetitie voor iets, niet?

Da manneke was zen ojswrrek n't mke n e mokte[n] een inkplk. Oemda't ve zen xm was s em n m[r] oepsernief begonne. = Die kerel was zijn huiswerk aan het maken toen hij een inktvlek maakte. Omdat het een proefwerk was, is hij dan opnieuw begonnen.

N da m'ons lste[n] rreke gespld aa, bleeve de mnse m kloppe. M'mme da lste lieke dn nog m[r] s oepsevs gespld. = Na dat we het laatste stukje gespeeld hadden, bleef het publiek maar applaudisseren. We hebben het laatste lied dan nog maar eens opnieuw ten gehore gebracht.

 

 

oepsollefere

ww, verv: sollefer oep - solleferde[n] oep - oepgesolleferd

1. Opsolferen, iemand iets proberen aan te praten, iets proberen te verkopen aan iemand anders.

'k Zn e zterdag n de Voogelemt gewst en 'k m mij deu ne sjarletang twllef zjatte lte[n] oepsollefere die'k eigelek ni noodeg m. = Vorige zaterdag ben ik naar de Vogeltjesmarkt geweest, en een kwakzalver heeft met 12 kopjes aangesmeerd, terwijl ik die helemaal niet nodig heb.

 

oepspeete

ww, verv: speet oep - sptte[n] oep - oepgespeete of oepgespt

1. Opspelden.

Den ijste november mme ze d'invaliede[n] een madeulle opgespt. = Op 1 november heeft men de oorlogsinvaliden een medaille opgespeld.

 

 

oepsteeke

ww, verv: steek oep - stak oep - oepgestooke

1. Opspelden, op iets vast pinnen.

E zondach moest ze n[r] e komunnefijst en z'aa eur sjikke brosj oepgestooke. = Vorige zondag moest ze naar een communiefeest, en ze had een mooie speld op.

 

2. Met spelden iets op een hogere plaats vastmaken.

Zen r oepsteeke = zijn haar met spelden in een bepaalde coupe in vorm brengen.

 

3. Er met iemand anders vandoor gaan, met een andere partner.

Wtte naa m wie da[d] ons Zjulie oepgestooke[n] s? Awl, m Zjnke van Zjfke den bijnaaver. = Wil je nu eens weten met wie Julia (een familielid) er vandoor gegaan is? Wel, met Johan, de zoon van Jozef de slager.

 

4. Voorzeggen, influisteren, bijv. bij een examen.

Wtte 't antwoortni? Moete'k et aa oepsteeke? = Ken je het antwoord niet? Zal ik het je voorzeggen?

 

Zie ook: oepstooke

 

 

oepstooke

ww, verv: stook oep - stokte[n] oep - oepgestokt

1. Opstoken, verbranden.

Z'mme[n] eule papiere ngezien, n alle faktuure die mijr as tien jr aat wre mme z'oepgestokt. = Ze hebben hun archieven nagekeken, en alle fakturen die ouder waren dan tien jaar hebben ze verbrand.

 

2. Opzetten, iemand tegen een ander in het harnas jagen.

Die tang s ons Frieda wee teege[n] onze Zjef n 't oepstooke, s! = Die venijnige vrouw is Frieda weer tegen Jozef in het harnas aan het jagen!

 

Zie ook: stooke

 

3. Voorzeggen, influisteren, bijv. bij een examen.

De klaane[n] aa e rmmeke gelijrt oep't school, m[r] e kost et nog ni goe, want 'k m naa n dn wat moete[n] oepstooke. = Ons zoontje heeft op school een gedichtje geleerd, maar hij kende het nog niet zo goed want ik heb nu en dan moeten voorzeggen.

 

Zie ook: oepsteeke

 

oeptallerlste(s)nipperke

uitdrukking

1. Op het allerlaatste moment, nog net op tijd.

M'aa afgesprooke[n] in de stsse, m me zte[n] al oep den trijn as menijr oeptallerlstenipperke kwam afgestooke! = We hadden afgesproken mekaar in het station op te wachten, maar we waren al in de trein gestapt toen meneer (minachtend!) op het allerlaatste ogenblik kwam opdagen!

 

oeptalloore

ww, verv: talloor oep - talloorde[n] oep - oepgetalloord

1. Opmaken, sier maken, tooien, zich opdoffen, schminken.

Vandenvet moet ek n[r] een traafijst m nen oop schtkonte. 'k Zal me m wa[d] oeptalloore, want anders beginne ze wee achter me gat te babbele. = Vanavond moet ik naar een trouwfeest waar een aantal hovaardige vrouwen zijn. Ik zal me dus maar opdoffen, want anders wordt er weer over mij geroddeld.

 

Zie ook: oepklij

 

oeptts

bijw

1. Tijdig, op tijd, eerder vroeg dan te laat, bijtijds, net op tijd, net binnen de afgesproken tijdslimiet, vooraleer een afgesproken tijdstip of voorwaarde is aangebroken..

Zie m da g'oeptts vertrkt, want ge z persies weer n'treneere. = Zorg maar dat je tijdig vertrekt, want je bent blijkbaar weer aan het treuzelen.

n oemda m'oeptts wren ngekomme, gaf den bs nen toernee. = Omdat we voor de afgesproken tijd waren aangekomen, betaalde de waard ons een rondje.

Zie ook: intts

 

 

oepwsse

ww, verv: wst oep - wste[n] oep - oepgewst

1. Opjutten, opjagen, iemand nerveus en ongeduldig maken.

Ge paast da da[d] aat vraake een braaf mnske[n] s, m die zej van alles oem d'ander mnse[n] oep te wsse! Ge zodde't eur ni ngeeve[n], ? = Men denkt dat dat oude vrouwtje een heel lief persoontje is, maar ze zegt allerlei onwaarheden om andere mensen op te jutten! Dat had je niet van haar gedacht, vermoed ik?

 

oepzitte

onpers ww, verv: zit er oep - zat er oep - oepgezeete

1. Iets aan de hand zijn, iets voorhebben, meestal in de ongunstige zin.

't Zit er boon oep! = Ze hebben ruzie.

Zit'et er wee[r] oep? = Hebben jullie weer ruzie?

 

2. Platvloerse manier om aan te geven dat een man betrekkingen heeft met een vrouw.

Dij[n] ej al oep ijl Willebroek gezeete! = Hij heeft al bijna met alle vrouwen van Willebroek een affaire gehad.

 

oemploffe

ww, verv: oemplof - oemplofte - oemploft

1. Ontploffen, in de lucht vliegen. Ook figuurlijk: uit zijn vel springen.

De brandweer s zjest verbij gereej m volle sirne, n ze zn bij de Kok binnegereej. 'k m oore zgge dat er ne kejtel oemploft s... = De brandweer is net met loeiende sirenes voorbijgereden, en ze draaiden af naar de Cokesfabriek. Ik hoorde net zeggen dat er een ketel ontploft is...

De kes was zjeust gedn, toen ons klaan eur talloor soep oep de grond stoempte. Ik was veu 't oemploffe! = De schoonmaak was net achter de rug toen ons dochtertje haar bord soep van de tafel op de grond stootte. Ik sprong bijna uit mijn vel!

 

 

oer

zn (een), mv: oere - verklw: oereke (een)

1. Hoer, prostitue.

Een oer gelk e pjt. = Iemand die algemeen de naam heeft het met veel mannen aan te leggen, en zich daar helemaal niet voor schaamt.

't Gelik s vr oere[n] n boere. = Men hoeft niet slim te zijn om rijk te worden. Of ook: men moet niet eerlijk zijn om rijk te worden.

 

 

oerekrolleke

zn (een), =verklw, mv: oerekrollekes

1. Haarkrulletje op de slapen of op het voorhoofd. Populair bij actrices in de beginjaren van de film.

'k Weet nog as ek joenk was n as me n de fillem ginge, da Gloorejaa Zwanson altij[d] een oerekrolleke droeg. = Ik herinner me nog uit mijn jeugd, als we naar de bisocoop gingen, dat Gloria Swanson altijd een krulletje op het voorhoofd had.

 

 

oerenboek

zn (nen), mv: oerenboeke - verklw: oerenboekske (een)

1. Hoerenloper, man die vaak een bordeel bezoekt.

'k m d gijn kompasse mee, want da's toch m nen oerenboek. = Ik heb met hem geen medelijden, want het is een hoerenloper.

 

 

Laatste wijziging 26-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl