A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
OA
OEP
OEPL
OF
OK
OO
OR
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

ordeuver

zn (nen), mv: ordeuvers - verklw: ordeuverke (een)

1. Koude schotel. [>Fr. hors-d'oeuvre]

In de viswinkel bij Slineke kund'ordeuverkes koope ve fftech frang. = In de viswinkel bij Celina heeft men koude schotels vanaf 50 frank.

 

 

osseklop

zn (nen), mv: ossekloppe

1. Enorme flater.

'k m nog tijken gedn, m z`ej'get toch gezej... da was nogal nen osseklop znne! = Ik gaf haar teken om te zwijgen maar ze heeft het toch gezegd... dat was een grote flater!

 

osseknieje / osseknies

zn (-), = mv

1. Letterlijk: de knien van een os. Wordt meestal bedoeld om lelijk gevormde knien aan te duiden, of als de benen niet mooi recht en evenwijdig zijn waardoor de knien naar binnengekeerd staan, iemand met kromme benen.

Vinde gij naa[j] cht ni da die osseknieje[n] ej? = Vind je nu echt niet dat ze kromme benen heeft?

 

Zie ook: mettekesknieje.

 

ossesjt

zn (nen), mv: ossesjte - verklw: ossesjtsje (een)

1. Ossenstaart.

Vrgt n den bijnaaver m nen ossesjt v de soep. = Vraag aan de slager maar een ossestaart voor de soep.

Ossesjtesoep = ossestaartsoep.

 

 

osteg

bijv nw, tvgl: osteg - osteger - ostegst

1. Haastig, gehaast.

E was nogal osteg, want e moest den trijn van allefier mme. = Hij was nogal gehaast, omdat hij de trein van halfvier wilde halen.

Z naa s ni zoo osteg! M posjnse komd'er ook! = Wees nu eens niet zo gehaast! Met een beetje geduld kom je er ook wel, hoor!

 

 

ostecht

zn (nen), mv: ostechte - verklw: ostechotsje (een)

1. Iemand die gehaast is, die ergens vlug wil zijn, die iets snel voor mekaar wil hebben. Vaak iemand die geen moeite wil doen om de nodige tijd voor iets uit te trekken, ongeduldig persoon. [>Nl. haastigaard]

Ik doecht da da nog e pr dge tijd aa, m m nen ostecht gelk as gij, snap ek da't wa rapper zal moete gerijd zijn. = Ik dacht nog wel enkele dagen respijt te hebben, maar doordat jij zo ongeduldig bent begrijp ik dat het vlugger zal moeten klaar zijn.

 

2. Iemand die ondoordacht en impulsief handelt.

Gij sen ostecht! G'ot bejter ijst s goe ngepaast veu da ge aa snte zoo mr n die krel ot gegeeve... = Je bent weer veel te snel geweest! Je had beter eerst goed nagedacht, vooraleer je geld aan die kerel te geven...

Paast na goe n veu da g'antwoort gft in plets van den ostecht ojt t'ange n dn gebojsd te zen. = Denk nu eerst even goed na vooraleer te antwoorden, in plaats van snel te willen zijn en dan een onvoldoende te krijgen.

 

otsejgendaa

uitroep

1. God zegen u! Wordt gewoonlijk gezegd als iemand niest, net als "gezondheid".

Otsegendaa! M[j] ondertduuzent frang, n d'lleft veu mij! = God zegene je! Met honderdduizend frank, en de helft voor mij!

 

Zie ook: gotsejgendaa, tsejgendaa.

 

 

otsterdkke

uitroep

1. Vloek.Bastaardvloek.

Otsterdkke, gij se leegenejr! = Potverdorie, jij bent een leugenaar.

 

otsterdoemme

uitroep

1. Vloek. Bastaardvloek.

'k Zal aa oetsterdoemme sebiet s vastpakke znne! = Ik zal je porverdorie seffens eens goed door mekaar rammelen.

 

ottookesbotsing

zn (d'), mv: -

1. Botsautootjes (kermisattractie).

En ej[j] al zen snten oepgedn oep d'ottookesbotsing. = Hij heeft al zijn zakgeld uitgegeven aan de botsautootjes.

 

ottoostraade

zn (d'/een), mv: ottoostraades

1. Snelweg. [>It. autostrada]

In de zoomer stn de mnse dikkels stil oep d'ottostraade a ze n de zij gn. = In de zomer staan de toeristen vaak in file op de snelweg, als ze op weg zijn naar de kust.

 

 

Laatste wijziging 27-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl