A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
RA
RE
RI
RO
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

rddere

ww, verv: rdder - rdderde - gerdderd

1. Zich uit de slag trekken, zijn plan trekken, schikken, in orde brengen, beredderen.

Da masken ejg et noot brijt gat in eur lejve, n toch ej z'eur altijd allijn weete te rddere. = Dat meisje heeft in haar leven bijna altijd armoe gekend, en toch heeft zich altijd alleen uit de slag kunnen trekken.

 

rddere

ww, verv: rdder - rdderde - gerdderd

1. Rillen of beven, bijv. van schrik, kou of koorts.

Ik ston te rddere van 't verschiete! = Ik stond te beven omdat ik erg geschrokken was.

 

rffezeere

ww, verv: rffezeer - rffezeerde - gerffezeerd

1. Weigeren, niet aanvaarden. Ook bijv als men genoeg gegeten heeft en er wordt toch nog een portie aangeboden. [>Fr. rfuser]

'k Aa gevrgd of da ze nog wa petatte waa, m z'ej gerffezeerd. = Ik vroeg haar of ze nog wat extra aardappelen wilde, maar ze weigerde.

 

rggelateur

zn (ne), mv: rggelateurs - verklw: rggelatereke (e)

1. Hang- of staanklok met een regelbare slinger. [>Fr. rgulateur]

n ne rggelateur s e vske ve n te dr. = Aan de slinger van een staande klok is een regelschroefje.

 

 

rggeloot

zn (een), mv: rggeloote - verklw: rggelotsje (e)

1. Vrucht (pruimensoort), reine-claude. [>Fr. reine-claude] [>Lat. Prunus italica]

Rggeloote zn grien projme. = Reine-claudes zijn groene pruimen.

 

 

 

rgsgwg

bijw

1. Naar rechts, rechtsaf, naar rechts afwijkend.

Ziede d rgsgwg dad ojs m die roo deur? Dr s't. = Zie je daar aan de rechterzijde dat huis met de rode deur? Daar is het.

 

rejl

bijv nw, tvgl: rejl - rlder - rlst

1. Mager, dun, flets, bleek, schriel, teer. [>Nl. ijl, iel]

E rejl vraamns = een magere vrouw.

 

rjaal

bijv nw, tvgl: rjaal - rjaler - rjaalst

1. Vrijgevig, gul, niet nauwrekenend. Ook: niet enggeestig, breed in opvattingen. [>Nl. royaal]

A g'iet noodg t, kunde't bejter inijns n die van ons vrge - die[j] s veel rjaler az ekik. = Als je iets nodig hebt, kan je het beter aan mijn vrouw vragen, want zij is vrijgeviger dan ik.

 

rjaal - rjaale

zn (een - ne), geen mv.

1. Vrijgevig en  gul iemand. Iemand die het niet zo nauw ziet. [>Nl. royaal]

Ons Mit s een rjaal. Die g[d] eer ijge gat nog s wggeeve! = Mijn zuster (tante, ...) Maria is heel gul. Zo erg dat ze haar eigen "achterste" ooit nog wel eens weggeeft.

M de snte van een ander s't plzant de rjaale[n] ojtange! = Met het geld van iemand anders is het makkelijk om gul te zijn.

 

2. Wordt ook figuurlijk gebruikt, om iemand aan te geven die niet eng van geest is, die breeddenkend is. [>Nl. royaal]

Gij z ne rjaale, gij! Oe kan da naa, da gij da zoo m toelet? = Jij bent wel heel ruim van opvatting! Hoe is dat nu mogelijk, dat je dit zonder meer toestaat?

 

rjn

zn (ne), mv: rjns - verklw: rjonneke (e)

1. Spaak van een fietswiel.

E[n] ej ne rjn gebrooke. = Er is een spaak van zijn fiets gebroken.

 

2. Stand of afdeling in een winkel of grootwarenhuis. [>Fr. rayon]

Zjrmn st[d] oep de rjn van de korsees. = Germaine staat aan de afdeling van de corsetten.

 

3. Rayon, soort van kunstzijde (geen mv).

Da's e sjalleke[n] in rjn. = Dat is een sjaal (foulard) in rayon.

 

 

 

rmmeke

zn (e), mv: rmmekes - is verkleinwoord

1. Rijmsel, gedicht(je).

Z naa braaf n zgt veur aave noenkel da rmmeke van Jantsje[n] n de projme nog s oep. = Wees lief en draag voor je nonkel dat gedichtje van Jantje en de pruimen voor.

 

rmmetis

Zie: rammetis.

 

rnnewsse

zn (de), geen mv

1. Ruine, puin, verwoesting, ravage, puinhoop. [>Fr. ruiner]

As't wter in Rojsbroek gezakt was n d'ooverstrooming, koste pas zien waffer een rnnewsse da da d was. = Pas nadat het water was weggetrokken na de overstroming in Ruisbroek, kon je goed zien welke ravage het water had aangericht.

 

rnneweere

ww, verv: rnneweer - rnneweerde - gernneweerd

1. Runeren, stuk maken, vernielen. [>Fr. ruiner]

In plets van braaf te speele rnneweert z'eur poepe[n] altij. = In de plaats van braaf te spelen, maakt ze haar poppen voortdurend stuk.

 

Zie ook: verrnneweere

renuur

zn (een), mv: renuure - verklw: renurreke (e)

1. Groef, gleuf, inkerving, sleuf. [>Fr. rainure]

A'k d naa ijst wa renuuren in mk, dn kan ek er eretsje lte in schojve, n dn m ek inijns e gelze derreke. = Als ik hier nu eerst enkele gleuven in maak, dan kan ik daar een glazen plaatje laten door glijden, en op die manier heb ik ook een glazen deurtje.

 

 

rparsse

zn (een), mv: rparsses - verklw: rparsseke (e)

1. Herstelling. [>Fr. rparation]

'k m mijne[n] ottoo in rparsse moete geeve[n] in de garaazj. = Ik heb mijn auto voor herstellingen naar de garage moeten brengen.

 

rplemnt

zn (e), mv: rplemnte - verklw: rplemntsje (e)

1. Afstraffing, bestraffende woorden, standje.

Na[j] aa ze wee tusse men grunte geloope, m 'k m z's e goe rplemnt gegeeve. = Nu had ze weer in mijn groentetuin rondgelopen, maar ik heb ze een standje gegeven.

 

rppetiesse

zn (de), mv: rppetiesses

1. Herhaling, vnl. met de bedoeling een muziekstuk of een toneelstuk in te studeren. [>Fr. rptition]

Gistere was't de lste rppetiesse n naa s't ve goe. = Gisteren was de laatste herhaling, en vandaag wordt voor publiek opgevoerd.

Goe gespld manne. Rppetiesse! = Goed gemusiceerd, jongens. Terug vanaf het begin!

 

rs

bijw

1. Juist, net. [Nl. ras]

Ze'n r s nog m rs afgedn. = Hij is nog maar net naar de kapper geweest.

 

Zie ook: rzzekes.

 

resevwaar (a)

uitdrukking

1. Gebruikt in de uitdrukking a resevwaar = Tot ziens! [>Fr. au revoir]

 

 

rttekett

uitroep

1. Woord dat wordt gebruikt als men bezwaar heeft tegen iets, protesterend geluid. Het wordt vaak gebruikt in een eerder rumoerige omgeving om eerst de aandacht te trekken.

Rttekett! D moet ekik allem ni van weete! = Nee hoor! Dat interesseert me helemaal niet.

 

reubbekas

zn (een), mv: reubbekasse - verklw: reubbekaske (e)

1. Ribbenkast. Ook gebruikt om de borstkas aan te duiden.

Veu da g'in kaat wter springt, moet ijst aa reubbekas nat mke, want anders kund' een geroktijt krijge. = Vooraleer in koud water te springen (om te zwemmen) moet je eerst je borstkas natmaken, want anders kan je een beroerte krijgen.

 

2. Skelet, geraamte.

Vanachter in de klas van natuurkunde ston een reubbekas. Da was toch m vies, znne! = Achteraan in het natuurkundelokaal stond een skelet. Dat was toch maar eng, hoor!

 

 

reubbene

zn (de), =mv

1. Ribben.

Dij vn was zoo mger da ge zen reubbene zllefs deu zen onderlfke deu kost tlle. = Hij was zo mager dat je zijn ribben kon tellen door zijn onderhemdje.

 
 

recht / rucht

zn (-), mv: -

1. Berucht, gemeen, bekend om de slechte faam. [>Nl. ruchtbaar]

Recht va vollek! = Gemeen volk! Gemene mensen! Slechte, onopgevoede mensen!

 

reukkotsje

zn (e), =verklw, mv: reukkotsjes

1. Reukkaartje, kartonnen kaartje waarop parfum werd aangebracht.

Vruuger aa z'in de parfummerie dikkels reukkotsjes oem de mnse te lte rieke, m naa ztte z'overal sjantjonnekes. = Vroeger had men in de parfumeriezaken parfumkaartjes om de klanten aan te laten ruiken, maar nu zet men overal staaltjes in flesjes.

 

rekvlijs / rkvlijs

zn (et), geen mv

1. Gerookte en lichtgezouten paardenfilet, in dun plakjes gesneden.

V mij een allef pont rekvlijs n ge moet et ni te dun snaa, want 't s v te bakke. = Graag een half pond gerookte paardenfilet, en liefst niet te dunne plakjes want ik ga het bakken.

 

Zie ook: pjrevlijs.

 

 

res

zn (-), mv: -

1. Slaag, rammel.

A ge ni braaf z zalle'k aa sebiet s wa res geeve! = Als je je niet goed gedraagt, krijg je dadelijk een pak slaag.

Dij kadee ej me doen verschiete, m 'k m em dern goe wa res gegeeve. Da zal em ook ni rap vergeete! = Die kerel heeft me erg doen schrikken, en daarom heb ik hem een flink pak rammel gegeven. Dat zal hij zeker niet licht vergeten!

 

resse

ww, verv: res - reste - gerest

1. Wrijven, strelen, aaien. [>Nl. ruisen = wrijven]

Wilde naa[j] s oover mene rug resse, want e jekt. = Wil je me eens over de rug wrijven want het jeukt.

 

ressing

zn (een), mv: ressinge - verklw: ressingske (e)

1. Pak slaag, pak rammel.

A ge ni braaf z zalle'k aa sebiet s een ressing geeve! = Als je je niet goed gedraagt, krijg je dadelijk een pak slaag.

 

retsel

zn (-), mv: -

1. Rode make-up om de wangen een blos, een rode schijn te geven.

Ze voelde[n] eur ni goe n ze zag wa blijkskes, m ze waa toch ojtgn. Oemda[d] eur vder et ni zaa zien, ej ze dn m rap wa retsel oep eur kke gesmejrd. = Ze voelde zich niet lekker en zag een beetje bleek, maar ze wou toch wel op stap. Omdat haar vader het niet zou merken, heeft ze vlug wat rode blos op haar wangen gesmeerd.

 

retsele

ww, verv: retsel - retselde - geretseld

1. Rode make-up aanbrengen, rode glos aanbrengen op de wangen, om de indruk te geven dat men bloost.

A ze 's zterdags ojtg, st z'ijst uure veu de spiegel: eur r, krm, lippestift... n dn eur rap nog wa retsele n ze kan wg! = Als ze op zaterdag uitgaat, staat ze eerst uren voor de spiegel: haar haar verzorgen, verzorgingscrme aanbrengen, lippenstift gebruiken... Dan nog vlug rode glos op de wangen en klaar is Kees!

 

 

rzzekes

bijw

1. Net, juist, als uitgemeten, op `t nippertje. [Nl. ras]

D kunde rzzekes deu m den ottoo. = Daar kan je nog net met de auto door.

E s rzzekes nffe dij muur gereej. = Hij is rakelings langs die muur gereden.

 

Zie ook: rs.

 

rzzenabel

bijv nw, tvgl: rzzenabel - rzzenabeler - rzzenabelst

1. Redelijk, met rede, met begrip of verstand, voor rede vatbaar. [>Fr. raisonnable]

Z naa[j] s e klaan btsje rzzenabel, n dnkt s goe n wa da ge paast dat er kan gebeure! = Wees nu even verstandig, en denk maar even aan wat er allemaal kan gebeuren!

Ik zn d toch van verschoote da da zoone rzzenabelen tip s. = Ik was toch verwonderd dat hij een begripvolle man is.

 

rzzeneere

ww, verv: rzzeneer - rzzeneerde - gerzzeneerd

1. Redeneren, een betoog opstellen, logisch nadenken. [>Fr. raisonner]

A ge naa[j] s goe ndnkt n een btsje rzzeneert, dn zelde wl snappe wa'da'k bedoel. = Als je er eens goed over nadenkt en een beetje logisch redeneert, dan zul je wel begrijpen wat ik bedoel.

 

2. Praten, dialogeren, gedachten en nieuwtjes uitwisselen. [>Fr. raisonner]

Oover wa zitte glle naa wee te rzzeneere? = Over wat zitten jullie nu weer te praten?

 

rzzon

zn (e), mv: -

1. Gesprek, betoog, meestal logisch en beredeneerd opgebouwd, uitleg, verklaring. [>Fr. raisonnement]

Ik aa men bus verspld, n az'ek in de klas kwam, aa de mijster al een ijl rzzon gedn. = Ik was te laat voor de schoolbus, en toen ik in de klas aankwam had de meester al een heel betoog gehouden.

 

 

Laatste wijziging 11-01-2016 - Toevoegingen
29-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl