A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
TA
TE
TES
TI
TO
TR
TS
 U  V
 W  X
 Y  Z

tsejgendaa

uitroep

1. Wordt gezegd als iemand niest: God zegene u!

 

Zie ook: gotsejgendaa, otsejgendaa.

 

 

tsjoeke(n)trijn

zn (nen), mv: tsjoeke(n)trijne - verklw: tsjoeke(n)trntsje (een)

1. Trein. Klanknabootsend woord voor een trein, dat wordt gebruikt door kinderen.

G[d] agaa wa m[j] aa tsjoeketrntsje speele, n lt me gerust. = Ga vlug met je treintje spelen en stoor me niet meer.

 

tussedentwij / tissedentwij

bijw

1. Tussendoor, ondertussen, tussen twee andere bezigheden of activiteiten in.

'k Zn n de mt gewst, n n de viswinkel. n tussedentwij nog agaa petatte gn koope. = Ik ben naar de markt gegaan, en naar de viswinkel. En tussen deze twee boodschappen heb ik ook nog vlug aardappelen gekocht.

 

tutterejot / tutterijot

zn (den), mv: -

1. Jodiumtinctuur. Wordt ook wel abusievelijk gebruikt om mercurochroom aan te duiden. [>Fr. teinture d'iode]

A'ch aa zijr gedn t, moette wa tutterejot oep 't bloet doen. = Als je je gekwetst hebt, kan je een beetje jodiumtinctuur op de wonde aanbrengen.

As't roefke deraf g doede'r m wat tutterejot oep. = Als het roofje van de wonde valt, doe je er best jodiumtinctuur op.

 

Zie ook: tntuurdijot

 

tutte(r)frut

zn (nen), mv: tutte(r)frutte - verklw: tutte(r)frutteke (een)

1. Kauwgom. [>It. tutti frutti = merknaam, smaak]

Nen bak m tutterfrutte v ne frang 't stuk. = Een kauwgomautomaat, die werkt met munten van n frank.

 

 

 

tuu

zn (nen), mv: tuus - verklw: tuuke (een)

1. Fopspeen, tutter, tut.

Sch! Gft dij klaane zenen tuu s! 'k Zn dij ze geblt muug, znne! = Zeg! Geef de baby zijn fopspeen! Ik ben dat gehuil echt meer dan zat!

As em zen tuuke nog m zag, begost em al te lache. = Zelfs als hij zijn fopspeen alleen maar zag, begon hij al te lachen.

 

2. Auto, zo genoemd naar het geluid dat ontstaat bij het claxoneren. Het wordt wordt vooral gebruikt als men met kinderen spreekt.

Allee znne... me gn m den tuu raa. Da vinde gij plzant, ? = Kom op... we gaan met de auto rijden. Dat vind je wel leuk, niet?

 

3. Glas bier van het Deense merk Tuborg.

Roza...? Krij'k ik nog een tuuke? n gft die mannen ier ook iet. = Roza... krijg ik nog een glas Tuborg? En laat de jongens hier ook iets drinken (op mijn kosten).

 

 

tuup

zn (nen), mv: tuube - verklw: tuubeke (een)

1. Tube die een bepaald crme-achtig, vetachtig of matig vloeibaar product bevat. [>Fr. tube = buis, pijp, tube]

Nen tuup tantpastaa = en tube tandpasta.

Nen tuup smejrvt = een tube smeervet.

Nen tuup tomattektsjup = een tube tomatenketchup.

Nen tuup mostt = een tube mosterd.

 

2. Smalle rubberband die meestal gebruikt wordt bij rennersfietsen. [>Fr. tube = buis, pijp, tube]

Ne platten tuup mme = platte band hebben, het resultaat als alle lucht is weggelopen uit een fietsband.

n oemdat em ne platten tuup aa, s em te lt binnegekomme, n naa mag em morrege nemij meedoen. = Omdat ie lek reed, is hij te laat over de streep gereden, met als gevolg dat hij morgen niet meer mag deelnemen.

 

 

twllef

telw, twllefste (den)

1. Twaalf.

Gij ontaat van twllef uure tot oog noen. = Jij hebt een slecht geheugen, jij kan niets lang onthouden. Oog noen = klokslag twaalf uur 's middags.

D zn twllef meunde[n] in e jr... = Er zijn twaalf maanden in het jaar...

 

twllefde / twllefste

telw, (den)

1. Twaalfde.

... n de twllefste[n] ijt dcmber. = ... en de twaalfde heet december.

 

 

twllefenalf - twllevenalfke

zn (een), =verklw, mv: twllevenallefkes

1. Rond de jaren vijftig werd hiermee een muntstuk van 25 centiem bedoeld.

Ik m den tijd nog geweete dat'er twllevenallefkes wre m[j] e gatsje[n] in 't midde. = Ik herinner me de tijd dat er muntstukken waren van 25 centiem met een gaatje in.

 

twnst

bijw

1. Ondertussen, terwijl, op hetzelfde ogenblik.

Twnst a'k ie m[j] aa zat te lameere, mme ze menen ottoo gepikt. = Terwijl ik met je zat te praten, heeft men mijn auto gestolen.

Gde gij twnst ook bij ons maa binne, oem te vrge of da z'iet noodeg ej? = Ga jij ineens ook bij mijn moeder langs, om te vragen of ze iets nodig heeft?

 

Zie ook: swnst

 

 

twij

telw, twjde (den)

1. Twee.

Komd allijn of komde m twij? = Kom je alleen of met z'n tween?

 

twjde

telw, (den)

1. Tweede.

Den twjde[n] s goe, m den ijst[n] s bejter. = De tweede (plaats) is goed maar de eerste is beter.

 

twijschrap

zn (-), geen mv

1. Grofgesneden pruimtabak.

'k Gn een allef pont twijschrap le bij de Loei. = Ik haal me 250 gram grofgesneden pruimtabak bij de Loei (tabakszaak).

 

 

 

Laatste wijziging 12-07-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl