A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
TA
TE
TES
TI
TO
TR
TS
 U  V
 W  X
 Y  Z

ts

zn (een), mv: tsse - verklw: tske (een)

1. Broekzak.

Stkt aa sntekes mr in aa ts. = Steek je wisselgeld maar in je broekzak (dan kan je ze niet verliezen).

Nij, 'k m gij klaa glt want'er s e gotsje[n] in men ts. = Nee ik heb geen wisselgeld bij, want er is een gaatje in mijn broekzak.

 

2. Zak, tas.

d'een ts vr aa kommisjes in te steeke? = Heb je een boodschappentas bij?

 

tesebiet

bijw

1. Daarnet, zoven, niet lang geleden.

Hoe s da naa toch meegelek! 'k m aa tesebiet nog m gezej da g'ijst aa[j] ojswrrek moet mke, veu da ge g speele. n wa zien ek: ge zit naa al oep strt te sjotte! = Hoe is dat nu in godsnaam mogelijk! Ik heb je nog maar juist gezegd dat je eerst je huiswerk af moet maken, vooraleer je mag gaan spelen. En wat merk ik: je bent nu al op straat aan het voetballen!

 

Zie ook: tezjest

 

testrak

bijw

1. Daarstraks, een tijdje geleden.

Wtte nog wa da'k aa testrak gezejd m? d'et ontaave? ... Da ge belejft moet zijn teege de mnse! = Weet je nog wat ik je daarstraks vertelde? Heb je het onthouden? ... Dat je beleefd moet zijn tegen de anderen!

 

 

tt

zn (een), mv: ttte - verklw: ttteke (een)

1. Vrouwenborst.

In de Pleeboj stn vraave m bloote ttte. = In Playboy staan vrouwen met ontblote borsten.

 

 

tts

zn (een), mv: ttse - verklw: ttske (een)

1. Taats, koperen spijker met grote en meestal bolvormige kop. Deze wordt meestal gebruikt in de meubelsektor om tekstiel of leder op hout vast te nagelen.

Ver lleke zitting moet'ek ondertdttech ttse[n] inslage. = Per stoelzitting moet ik 130 taatsen inhameren.

 

ttsje

zn (een), =verklw, mv: ttsjes

1. Tijdje, kort ogenblik.

't Sal nog een ttsje duure. = Het zal nog wel even duren.

 

Zie ook: ttteke

 

tttagr

zn (nen), mv: tttagrs - verklw: tttagrreke (een)

1. Duidt op de afmeting van vrouwenborsten, in dit geval aan de eerder grote kant. Heel waarschijnlijk gevormd door de samenvoeging van het Franse tagre en het dialectwoord voor borsten: ttte.

Ze moet eur klijre spesjl lte mke[n] oemda ze zoone zwre[n] tttagr ej. = Ze kan geen confectiekleding kopen omwille van haar grote borstomvang.

 

Zie ook: schap

 

 

ttte

zn (nen), mv: tttes

1. Rare kerel, gek persoon.

Wa stde d naa te lache, oemnoozelen ttte? = Wat sta je daar te lachen, gekkerd.

 

Zie ook: tppe.

 

 

ttteboem

uitroep

1. Ritme-aanduidend woord (Radetzky-mars).

 

tttegarijl

zn (een), mv: tttegarijle - verklw: tttegarijltsje (een)

1. Een bustehouder, BH.

Aa dag Zjan! Moete gij ons Marjt mme? Die moest n Mank Sinaake, zaa ze... n ook da'k ni moest meegn. Ze zal missching oem e nief tttegarijl zen? = Dag Joanna! Zoek je mijn vrouw Mariette? Die is boodschappen gaan doen naar Mank Sinaake, heeft ze me verteld... En ze zei me ook dat ik niet met haar meemoest. Misschien is ze wel een nieuwe BH gaan kopen?

 

ttteke

zn (een), =verklw, mv: tttekes

1. Tijdje, kort ogenblik.

't Sal nog een ttteke duure. = Het zal nog wel even duren.

'k m dad'een ttteke gedn, m ne mns blft ni zot. = Ik heb dat een tijdje gedaan, maar ik blijf niet zo gek.

 

Zie ook: ttsje

 

tttere

ww, verv: ttter - ttterde - gettterd

1. Voortdurend praten, luid en druk praten zonder stoppen, aan n stuk door praten. [>Nl. tateren]

'k m testrak de mijster teegegekomme, n wtte wa da dij zaa?... Da gij in 't school altij zit te tttere m Zjfke van achter 't oekske! = Daarstraks ben ik je leraar tegen het lijf gelopen, en weet je wat hij me vertelde?... Dat jij in de klas voortdurend zit te praten met kleine Jozef van achter de hoek!

Sabin da's toch een goej vrindin, znne. A me makandere zien dn tttere wlle, totta me trug nr ojs moete. = Sabine is echt wel een goede vriendien van me, hoor. Als wij mekaar ontmoeten, dan praten we aan n stuk door, tot we naar huis moeten.

 

 

ttters

zn (een), mv: tttersse - verklw: ttterske (een)

1. Iemand die nauwelijks kan zwijgen. Wordt ook wel gebruikt om aan te duiden dat iemand moeite heeft een hem/haar toevertrouwd geheim te bewaren.

Zied ojt wa ge zgt as die ttters in de gebuuren s! Veu da g'et wt, ej z'et n ijl Willebroek gn deuverklappe. = Let op je woorden als die tater in de buurt is! Voor je het beseft, heeft ze jouw woorden al aan heel de gemeente verder verteld.

 

Zie ook: tttergat, ttterkont

 

tttergat

zn (een), mv: tttergatte - verklw: tttergatsje (een)

1. Iemand die nauwelijks kan zwijgen. Wordt ook wel gebruikt om aan te duiden dat iemand moeite heeft een hem/haar toevertrouwd geheim te bewaren.

Gij z toch nogal een tttergat, znne! Kunde gij naa gijne menuut aaven bbbel aave? = Jij bent toch nogal een babbelaar, hoor! Kan je echt geen minuut zwijgen?

 

Zie ook: ttters, ttterkont

 

ttterkont

zn (een), mv: ttterkonte - verklw: ttterkontsje (een)

1. Iemand die nauwelijks kan zwijgen. Wordt ook wel gebruikt om aan te duiden dat iemand moeite heeft een hem/haar toevertrouwd geheim te bewaren.

Sch ttterkont, komt s ie van veu zitte da'k aa bejter in d'oog kan aave! = Jij daar veelpraats, kom maar hier vooraan zitten zodat ik beter op je kan letten!

 

Zie ook: ttters, tttergat

 

tttezot

zn (nen), mv: tttezotte- verklw: tttezotteke

1. Vrouwenloper.

Past oep Mrrie, d[r] dde dij[n] tttezot! = Let op Maria, daar komt die vrouwengek aan.

 

 

tesse

ww, verv: tes - teste - getest

1. Voor grof geld spelen, wedden voor geld. [>Nl. tuisen = dobbelen, spelen (verouderd)] [>Dts. tuschen = bedriegen]

'k Zn oemgerust! Onze Pjr ej vandg zen pree gekreege, n e[j] s nog altij ni tojs. 'k Oop m dat em ni gn tessen s in 't Kazjenoo. = Ik ben ongerust! Mijn man Pieter heeft vandaag zijn loon uitbetaald gekregen, en hij is nog steeds niet naar huis gekomen. Ik hoop maar dat hij niet gaan gokken is in (herberg) Casino.

 

tesser

zn (nen), mv: tessers - verklw: tesserke (een)

1. Paardeslachter, handelaar in paardevlees. [>Middelnl. tuiser = paardenhandelaar]

A'k ik klaan was odde veel tessers, m naa eete de mnse rintsvlijs. = Vroeger waren er veel paardeslachters, maar tegenwoordig wordt er meer rundsvlees verbruikt.

 

Zie ook: pjrentesser.

 

tettel

zn (een), mv: tettels - verklw: tetteltsje (een)

1. Tortelduif.

'k m dstrak wral twij tettels in onzen boom zien zitte. = Ik heb daarstraks weer twee tortelduiven in onze boom gezien.

 

Zie ook: tetteldojf

 

tetteldojf

zn (een), mv: tetteldojve - verklw: tetteldefke (een)

1. Tortelduif.

De lsten tijt zit er altij e koppel tetteldojven oep de rand van 't dk. = Tegenwoordig zit er vaak een koppel tortelduiven op de nok van het dak.

 

Zie ook: tettel

 

 

tetter

zn (nen), mv: tetters - verklw: tetterke (een)

1. Fopspeen.

E[j] s al drij jr n e lept nog altij m ne tetter ront. = Ondanks dat hij drie jaar is heeft hij nog steeds een fopspeen in de mond.

 

2. Mond, snater (waarmee men drinkt).

Aat aaven tetter! = Zwijg, hou je mond!

 

tettere

ww, verv: tetter - tetterde - getetterd

1. Op een fopspeen zuigen, aan de borst gevoed worden. [>Fr. tter]

A'che kunt tettere n g't aave rammelejr, dn zdde wl braaf, h? = Als je je fopspeen en je rammelaar hebt ben je zoet, hoor.

 

2. Drinken.

Gij se zatlap! Ge zot bejter wa minder tettere n n aa vraa dnke! = Je bent een dronkaard - je zou beter minder drinken en aan je vrouw denken.

 

 

tetterfls

zn (een), mv: tetterflsse - verklw: tetterflske (een)

1. Melkfles voor een klein kind, voorzien van een speen (nen tetter).

Krgt'em nog een tetterfls of gfd'em al frojtpap? = Wordt hij nog gevoed met de fles, of geef je hem al fruitpap?

 

 

tettewietere

ww, verv: tettewieter - tettewieterde - getettewieterd

1. Drinken.

dde dest? Komt dn m wa lmmenaat tettewietere. = Heb je dorst? Kom dan maar een glas limonade drinken.

 

 

tevtteveul / tevtteveel

uitdrukking

1. Veel te veel, overdadig, overmatig, meer dan eigenlijk nodig.

Van de noen aa ons moe goe gekokt, joeng. 'k m tevtteveul geete! = Deze middag had mijn moeder heel lekker eten klaargemaakt, man. Ik heb veel te veel gegeten!

 

Zie ook: vtteveul / vtteveel

 

tevedenoen(s)

bijw

1. In de loop van deze voormiddag.

Tevedenoen m ek ijst de bdden afgetrokke, gewasse, gedroogd n gestreeke, n tissendeu m ek nog vsse soep gemokt ook. = Deze voormiddag heb ik eerst de bedden verschoond, (het beddengoed) gewassen, gedroogd en gestreken; tussendoor heb ik ook nog verse soep gemaakt.

N den bijnaaver gn ek ik altij tevedenoens. Dn zn ek gerust da'k da nemij kan vergeete. = Naar de beenhouwer ga ik altijd 's voormiddags. Dan hoef ik me geen zorgen te maken over het feit dat ik het zou kunnen vergeten.

 

teveure

bijw

1. Tevoren, op een vroeger tijdstip, vooraf, vooraleer, op voorhand.

Naa gn ek n den bakker, m 'k m teveure al n den droogkes gewst. = Nu ga ik naar de bakker, maar voordien ben ik al naar de stomerij geweest.

 

tevierklaavers

bijw

1. Gehaast, met grote haast, zonder er verder over na te denken. [>Nl. te vierklauwens = ijlings, in galop - verouderd]

Toen  da den dijk van de Vliet in Rojsbroek deugebrooke was, zn veel mnse tevierklaavers m[j] eule[n] mme[n] n aave n boove getrokke. = Toen de Vlietdijk doorbrak in Ruisbroek, zijn de inwoners in alle haast met hun hebben en houden naar de verdieping getrokken.

 

tezjest

bijw

1. Daarnet, zoven, niet lang geleden.

Da verstn ek ik na ni, s! Tezjest wiste pertang ijl goe wa de ge moest doen. Dus dn moette naa ni afkomme da g'et nemijr een wt! = Dat begrijp ik dus niet! Zoven wist je nochtans heel goed wat je moest doen. Daarom moet je nu niet proberen me te vertellen dat je het nu niet meer weet!

 

Zie ook: tesebiet

 

tgeen

aanw vnw

1. Dat ginder, hetgene.

Wllek rokske wilde zgge? Aa... tgeen ginder. = Welke rok bedoel je? OK... die ginder.

Tgeen da'k aa gistere gezej[d] m kunde bejter vergeete. = Dat wat ik je gisteren vertelde, kan je maar beter vergeten.

 

 

Laatste wijziging 12-07-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl