A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
WA
WE
WI
 Y  Z

wddel

zn, (een), mv: wddels - verklw: wddeltsje (e)

1. Soort van draaislotje op deuren.

Heel eenvoudig mechanisme, bestaande uit een stukje hout dat scharnierend staat opgesteld. Het kan worden opgetild, waardoor het van achter een haakje komt zodat het slot vrij is.
Er bestaat ook een metalen uitvoering van dit systeem, dat vaak op tuinpoortjes wordt geplaatst.

n mijn konijnekoote stn wddels oep de deure, n da kunne die bijsjes ni[j] oopekrijge, znne. = De deuren van mijn konijnenhokken worden vergrendeld met wddels en de dieren zullen dat zeker niet kunnen lospeuteren.

 

wdding

zn (een), mv: wddinge

1. Weddenschap.

Moete m's een wdding doen? = Zullen we eens een weddenschap afsluiten?

 

weemele

ww, verv: weemel - weemelde - geweemeld

1. Onrustig heen en weer bewegen, niet stil kunnen zitten.

Zit d zoo ni te weemele! Kunde gij naa gijn twij menuute stilzitte?  = Zit daar niet zo onrustig heen en weer te bewegen! Kan jij nu geen twee minuten stil zitten?

 

2. Wriemelen, door bewegen moeilijk te zien zijn.

'k m koppijn n misschin ook deu de wrremte, m't weemelt allem veu men ooge. = Ik heb hoofdpijn en misschien ook ten gevolge van de hitte, maar ik zie niets scherp.

 

weemelgat

zn (e), mv: weemelgatte - verklw: weemelgatsje (e)

1. Iemand die moeite heeft om rustig te blijven of stilletjes te blijven zitten. Meestal gebruikt voor onrustige kinderen.

Aa dochter dad s cht e weemelgat... Naa ejt die van ijl den achternoen nog gijne sekont stilgezeete! = Jouw dochter is een nerveus meisje... ze heeft gedurende heel de namiddag nog geen seconde stilletjes gezeten!

Zie ook: weemelkont

 

weemelkont

zn (een), mv: weemelkonte - verklw: weemelkontsje (e)

1. Iemand die moeite heeft om rustig te blijven of stilletjes te blijven zitten, ongedurig iemand. Meestal gebruikt voor onrustige volwassenen.

'k Zn dstrak die van ons n de vraavenbont gn wgdoen. Manneke wa d's da d nen oop weemelkonte, sch! = Daarstraks heb ik mijn vrouw naar (de vergadering van) de vrouwenliga gebracht. Man-man toch... wat was dat daar voor een gewemel van jewelste!

Zie ook: weemelgat

 

 

wr

zn, mv: -

1. Weer, bezigheid, bezorgdheid, gedienstigheid.

Die[j] s naa altij ver iederijn in de wr, m[r] n eur ijge dnkt ze ni! = Die vrouw is altijd voor andere bezorgd en bezig, maar aan zichzelf denkt ze niet!

Da mnske[n] ej zllef niks, n toch s die[j] altij veu Jan n alleman in de wr. = Dat vrouwtje bezit zelf niets, en toch staat ze klaar om iedereen te helpen.

 

weerbestel

zn (ne), mv: weerbestels - verklw: weerbesteltsje (e)

1. Haarlok die steeds verkeerd ligt, in de verkeerde richting, tegen de gewone richting van het haar.

Dij klaan kunde derkt rknne[n] n zene weerbestel in zen r. = Dat jongetje herken je onmiddellijk aan die tegendraadse haarlok.

 

weerbots

zn (de), geen mv.

1. Reactie, gevolg van iets, resulterend effect.

A ch'ander mnse altij m blft plge, dn moet'ook teege de weerbots kunne. = Als je anderen altijd maar sart en plaagt, dan moet je ook de gevolgen hiervan kunnen dragen.

 

 

wt

bijw

1. Waard, een bepaalde waarde hebbend.

Da's zeeker duuzent frang wt. = Dat heeft minstens een waarde van duizend frank.

M da's ni feel wt znne. = Dat is niet veel waard hoor.

 

weete

ww, verv: weet - wist - geweete

1. Weten, verstaan, begrijpen, kennen.

Dij wt veul, joeng! Een ej meegedn n de kwis oep den teevee. = Hij weet veel, hoor! Hij heeft deelgenomen aan een kwis op de televisie.

'k m et altij geweete! = Ik heb het altijd vermoed.

Da'k naa wist wa'k ni een wist... = Als ik nu eens wist wat ik (op het ogenblik) niet weet...

Zie ook: wttewatte.

 

weeze

zn, mv: -

1. Weten, begrip.

Ikm er gij weeze van wa'k naa moet doen! = Ik weet echt niet meer wat ik nu moet doen!

 

wg

bijw

1. In de uitdrukking "d'er mee wg zijn" - het door hebben, het begrepen hebben, het gesnapt hebben.

N dattem et zeeve kijren aa ojtgelej, was ek er telangelste mee wg. = Nadat hij het me zeven keer had uitgelegd, had ik het eindelijk begrepen.

'k Zn wl duuzend kijre stilgevalle m den ottoo, m naa zn ek er mee wg oe da g'aa ambrajaajz n aave gaas moet intrappe. = Wel duizend keer is de motor van mijn auto stilgevallen, maar nu heb ik door hoe je het induwen van gas- en koppelingspedaal moet synchroniseren.

 

2. In de uitdrukking "d'er mee wg zijn" - ervandoor gaan, weggaan.

Allee mannekes... ammezeerd aale nog goe, mr ik zn d'er mee wg oemda'k morrege vruug moet oepstn. = Gezelschap... amuseer jullie nog. Ik moet ervandoor, want morgen moet ik er vroeg uit.

't Werd ie stillekesn tijd da m'er m wg zn! = Het wordt stilaan tijd dat we opkrassen.

Mokt da g'er m wg z, joenge! = Stap het af, kerel! Maak dat je wegkomt!

 

wg

zn (ne), mv: wejge - verklw: wgske (e)

1. Weg, pad, straat, ... (in alle soorten en groottes). [>Nl. weg] [>Middelnl. wech]

'k m 't wgske[n] in den of oepgerijfd. = Ik heb het tuinpad gerijfd.

De wg oep zeeve doen. = Een omweg maken.

De wg verlieze. = De weg kwijt raken.

M zene[n] ijge gijne wg kunne. = M zene[n] ijge gijne wg weete.

M zene[n] ijge gijne[n] blijf weete. = Niet meer weten hoe zich te gedragen, vaak als gevolg van stress.

 

wejre

ww, verv: wejr - wejrdee - gewejrd

1. Haasten, zich spoeden, zich weren.

A'ch aa ni wejrt, dn s de bus n Boom wg. = Als je je niet haast, is de bus naar Boom vertrokken.

Aa[j] ondertduuzent frang geeve? 'k Zal mij wejre, sch! = Je honderdduizend frank geven? Dat zie je van hier!

Wejrd'aa! = Haast je! Snel!

 

wejroog

zn (een), mv: wejrooge - verklw: wejroogske (e)

1. Oog waarvan het ooglid ontstoken is, bijv ten gevolge van de kou. [>Nl. verweren]

A'che deu't sleutergat loert kund een wejroog krijge = Als je iemand door het sleutelgat stiekem bekijkt, kan als gevolg hebben dat je een ontstoken ook krijgt (door tocht bijv.)

Zie ook: prutoog.

 

wejrskante

bijw

1. Weerskanten, weerszijden, langs beide kanten.

Vruuger droege z'altijd eulen oorbllekes n wejrskante, m de lsten tijd zn er veel mnse die mr n ijne kant een blleken inmme. Zllefs mannen! = Vroeger droeg men altijd aan beide oren een oorring, maar tegenwoordig zie je meer mensen die maar langs n kant een oorring in hebben. Zelfs mannen!

Da's ni da'k ik aa ni gejre zien, zelle. M't moet naa n dn van wejrskante kommen, ! = Je moet niet denken dat ik je niet graag heb, hoor. Maar de inspanning mag af en toe eens door beide partijen geleverd worden.

 

 

wlle

pers vnw

1. Wij.

Wlle[n] mme gewonne! = Wij hebben gewonnen.

Wlle zn n[r] Ollant gewst, n zlle n[r] Estenrijk. = Wij zijn naar Nederland op vakantie geweest en zij naar Oostenrijk.

 

wps

zn, (een), mv: wpse - verklw: wpske (e)

1. Wesp.

N[r] een wps meegde ni slge, want die steeke derkt. = Je mag niet slaan naar een wesp, dan steken ze vlug.

 

wrrekendogs

bijw

1. Zoals in de week, doordeweeks.

Me zn e zondag gn eete. 't Was dr ijl goe, n ge meugt er oep aa wrrekendogs binne. = Vorige zondag gingen we uit eten. Het was daar heel lekker, en je wordt in je doordeweekse plunje toegelaten.

 

wrremerk

zn (-), geen mv.

1. Soort van kermissnoep - suikergoed, wit en bruin gelaagd, wordt gerokken,

 

 

wt

zn, (een), mv: wtte - verklw: wtteke (e)

1. Wrat.

'k Kan gijn schoene[n] naave, want 'k m wl zs wtte[n] oep me'ne voet. = Nu verdraag ik geen schoenen, want ik heb zeker zes wratten op mijn voet.

 

wtstijn

zn, (ne), mv: wtstijne - verklw: wtstjntsje (e)

1. Wetsteen, steen om metalen voorwerpen te scherpen, te wetten.

'k Zaa die bijl m wtte[n] oep de wtstijn veu da'che ze gebrekt. = Ik raad je aan die bijl eerst te scherpen met een slijpsteen, vooraleer ze te gebruiken.

 

wttewatte?

uitdrukking

1. Weet je wat?

Zie ook: weete.

 

webbe

zn (de), =mv

1. Iets wat hindert, waar men last van heeft, zonder er een fysieke verklaring voor te hebben.

Vnl in de uitdrukking de webbe[n] mme =  ongerust zijn, zich ongemakkelijk of slecht voelen, een ongekend onheil verwachten

 

were

ww, verv: wer - wier - gewere

1. Worden.

'k Wer vandg fftech jr. = Ik word vandaag 50 jaar.

Werde gij gejre gezien? = Ziet men je graag?

Ne mns wert alle dge[n] een dagske[n] aaver. = Iedereen wordt alle dagen een dagje ouder.

 

 

west

zn, (ne), mv: weste - verklw: wesje (e)

1. Worst.

Bijnaaver, gfd s een allef pont wesjes. = Slager, krijg ik 250 gr worsten.

Spinnezzestoemp m weste. = Spinaziepuree met worst.

 

2. Benaming van een onnozel en achterlijk persoon, of van iemand die zich onnozel gedraagt.

Dij[n] oemnoozele west verst ni d'lleft van't schoo weer! = Hij is zo dom dat hij niet in het minst begrijpt van wat er gaande is.

 

wettel

zn, (ne), mv: wettels / wettele - verklw: wetteltsje (e)

1. Wortel van een struik, een boom.

Nen boom oemkappe[n] s niks, m de wettele[n] ojt de gront le, da's wa[d] anders. = Een boom omhakken is makkelijker dan de wortels ervan uit de grond te halen.

 

2. Wortel om te eten, peen.

A'k ik wetteltsjes mk doen'ek er altij arjojn n wa sojker in. = Als ik wortelen klaarmaak, is dat steeds met ui en een beetje suiker.

 

wzzel

zn, (ne), mv: -

1. Van alles door elkaar, een mix, een samenvoegsel.

Wad s me da v ne wzzel! = Wat is me dat voor een warboel.

 

 

Laatste wijziging 24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl