 Judea
David wordt opgevolgd door de zoon van zijn vrouw Bathseba: koning Salomo, die regeert tot 926 vC. Hij is een
groot diplomaat en de schoonzoon van een Egyptische farao. Toch slaagt hij erin om de Aramese provincies te verliezen.
Met de opbrengst van de handel met Arabië, wordt de stad Jeruzalem verfraaid: men bouwt het paleis en de tempel
voor Jahweh. Bij de bouw helpen ambachtslieden die gestuurd worden door koning Hiram I van de Fenicische havenstad
Tyrus. Hij voert een gecentraliseerd staatsbestuur in, waar belastingen worden geheven. Het land wordt ingedeeld
in 12 provincies, die elk gedurende één maand in het jaar de kosten van de hofhouding moeten dragen.
|