A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
PA
PAN
PE
PER
PI
PIN
PJ
PL
PO
POO
PR
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

plt

zn (een), mv: plte - verklw: plotsje

1. Nummerplaat van een auto, immatriculatieteken.

E'n ej nen ottoo gekocht, m d'assuranse moet zen plt nog nvrge. = Hij heeft een auto gekocht, maar de verzekering moet zijn nummerplaat nog aanvragen.

 

2. Plaat, plat voorwerp.

Bij Gravr weurre d'er stle plte geleverd, n die mke d dn vanalles van. = Bij Granges Graver worden staalplaten geleverd, en uit dit materiaal maken ze dan allerlei voorwerpen.

 

 

3. Fonoplaat, vinylschijf die muziek bevat.

M[j] al die seedeekes s den tijd van de plte verbij. = Als gevolg van de uitvinding van de CD, worden er minder en minder vinylplaten verkocht.

 

Zie ook: fonnooplt.

 

4. Geld, vermogen. Waarschijnlijk afkomstig uit het muntwezen, waar "plaat" een metalen of edelmetalen schijfje is dat dient om gemunt te worden.

Die[j] mme gijn plt oem een ojs te koope. = Ze hebben geen geld, geen kapitaal om een huis te kopen.

Oem ojt te gn moete plt mme! = Om op stap te gaan moet je geld hebben!

 

pladrrem(s)

bijw

1. Languit, onderuit, plat tegen de grond

Pladrrem oep zene smoel valle. = Volledig onderuitgaan en op zijn gezicht vallen.

 

pladske

zn (e), mv: pladskes - = verklw

1. Letterlijk: kleine pladijs.

Alle vrijdge eete wlle e pladske bij den booteram. = Elke vrijdag eten wij een kleine pladijs bij de boterham.

2. Met het haar plat tegen het voorhoofd gekamd, haarlok die tegen het voorhoofd plakt.

 

Fftech jr geleeje was't moode oem m e pladske rond te loope. = Vijftig jaar geleden was het een modeverschijnsel om met gel een haarlok tegen het voorhoofd te plakken.

 

 

plaffon

zn ('t), mv: plaffons - verklw: plaffonneke

1. Zoldering, plafond. [>Fr. plafond]

Z'mme[n] een ojs gekocht en naa[j] mme z'jst de plaffons geschilderd. = Ze hebben een huis gekocht en nu hebben eerst de plafonds geschilderd.

Da's nen andige: e[n] ej zllef a vals plaffon in lattekes gelej. = Hij is handig: hij heeft zelf een verlaagde zoldering met schrootjes geplaatst.

 

plak

zn (een), mv: plakke - verklw: plakske (e)

1. Wandplaat. [>Fr. plaque]

Ve[r] eule fftechste[n] traaverjrdag aa de gebuure[n] een plak gemokt m "PROFICIAT" oep. = Ter gelegenheid van hun 50ste huwelijksverjaardag hadden de buren een bord gemaakt waarop "PROFICIAT" stond.

 

2. Naambord.

Bij den doktoor angt er een plak m zene nm n de zituure n de deur. = Bij de arts hangt er een naambord met de spreekuren naast de deur.

 

3. Fonoplaat, vinylplaat.

Vruuger ging ekik altij plakskes koope bij Stijnakkers oep de mt. = Vroeger kocht ik singeltjes bij Steenackers op de markt

'k Zal s e schoo plakske[n] oeplgge, s! = Ik zal eens een mooi plaatje draaien.

 

4. Radiografie

Den doktoor waa ve[r] alle zekerijt toch een plak lte neeme van men knie. = De arts wou - om zeker te zijn - toch een radiografie laten maken van mijn kniegewricht.

 

plakkt

zn (e), mv: plakkte - verklw: plakkotsje

1. Plakkaat, affiche, bord waarop men affiches kan bevestigen, reclamebord. [> oud Fr. plackart]

Schoon vinne'k ik da toch ni, znne, al die plakkte langs de kant van de wg! = Ik vind al die reclameborden langs de wegen toch niet mooi, hoor!

Z'aa e groot plakkt gemokt, w da z'oep geschreeve[n] aa:"Profiessejat veur aale fftechste zjubbelee". = Ze hadden een groot bord gemaakt waarop ze geschreven hadden:"Gelukgewenst met jullie 50ste huwelijksverjaardag".

Oep wg n de fijstzl inge d'er allem plakkotsjes m de nme van wie da meedee. = Langs de weg naar de feestzaal hingen overal affiches met de namen van de deelnemers.

 

 

plammedder / plammester

zn (een), mv: plammedders / plammesters - verklw: plammedderke / plammesterke (e)

1. Grote vlek, grote oppervlakte (bv. van een perceel grond).

Een groote plammedder gront. = Een groot perceel grond.

 

2. Wordt ook gezegd over de grootte van een schaafwonde.

E[j] s gevalle m de veloo n e[n] aa een groote plammedder. = Hij is gevallen met de fiets met als gevolg een grote schaafwonde.

'k m die plammester bloet m bedkt m e pansemntsje. = Ik heb die grote schaafwonde maar bedekt met een verband.

 

plankskeschiete

ww, verv: schiet plankske - schoot plankske - plankskegeschoote

1. Spelletje met de knikkers, waarbij een plank tegen een boom of tegen een muur wordt gezet. De ene na de andere knikker laat men dan van de plank rollen. De eigenaar van de eerste knikker die tegen een andere stoot, wint alle reeds gespeelde knikkers.

 

plan(g)sjee

zn (ne), mv: -

1. Houten vloer. [>Fr. plancher] [>Nl. plankier]

Ik vin toch da ne plangsjee wrremer s as ne vloer. = Ik ben er van overtuigd dat een houten vloer warmer aanvoelt dan een stenen vloer.

In dad aat ojs lag nog nen aave plansjee - jest m[r] oepkesse, n 't s klejr oem in te woone. = In dat oude huis ligt een houten vloer - enkel opkuisen en klaar om in het huis in te trekken.

 

2. Ook figuurlijk, met betrekking tot het volledig induwen van het gaspedaal in de auto.

Gft plansjee, want anders komme me te lt! = Geef plankgas, want anders zijn we te laat!

 

pla(n)sjier / plassier

zn (`t), mv: pla(n)sjiere / plassiere

1. Dorpel, drempel, stuk voetpad voor de woning. [>Nl. plankier]

Ze plansjier ksse = de stoep vegen of schuren.

As ieder zen ejge plassier kest, s't strt prooper. = Als iedereen voor eigen deur veegt, is heel de straat proper.

 

 

pla(n)sjierkter

zn (ne), mv: pla(n)sjierkters - verklw: pla(n)sjierkterke (e)

1. Iemand die bij het kaarten in een ervaren gezelschap vaak domme fouten maakt, verkeerd speelt of de signalen van de medespeler meestal fout begrijpt. Dit woord ontstond omdat kinderen eenvoudige spelletjes met de kaart spelen. Als het goed weer was, gebeurde dit vroeger ook vaak buiten, bijv. op de stoep voor het huis. En dat is het pla(n)sjier.

 

 

plat

bijv nw, tvgl: plat - platter - platst

1. Plat, vlak.

A ge n[r] Ollant g, dn wtte pas wa plat wilt zgge. = Als je in Nederland bent, snap je pas echt goed wat "vlak" wil zeggen.

 

2. Heel jong, gezegd van een kind.

Die sleert eur platte joeng ooveral mee. = Ze neemt haar babies overal mee.

Da's nog een cht plat joenk! = Die persoon gedraagt zich als een klein kind.

 

plattekejs

zn (ne/de), mv: plattekejze - verklw: plattekske (e)

1. Verse kaas, witte roomkaas, kwark.

V mij nen alleve kilo plattekejs, mllekboer. = Voor mij een halve kilo verse kaas, melkboer.

 

2. Hiermee wordt ook vaak iemand bedoeld die er meestal bleek uit ziet.

Dij platte kejs ej zeeker de zon nog ni gezien. = Hij is zo bleek dat hij zeker nog niet in de zon heeft gelegen.

 

plattemettezitte

ww, enkel infinitief

1. Gedragen worden op de rug of op de schouders van iemand anders. Gebeurde vaak om kleine kinderen boven een mensenmassa ook te laten meegenieten van n of ander spektakel.

M de jrremt lte m'ons klaan dochterke altij plattemettezitte bij[j] eure paa. M naa da ze zs j s geweure, wert ze toch een btteke zwr. = Met de jaarmarkt laten we ons dochtertje altijd op de schouders van haar papa zitten. Maar ze is nu zes geworden, en ze weegt stilaan te veel.

 

Zie ook: oepdemettezitte.

 

 

plejn

bijv nw, tvgl: plejn - plejner - plejnst

1. Vlak, effen, gaaf, met een vlakke structuur. [>Fr. plein]

M'aa die[j] aa tfel afgeschuurd, n naa was ze wral zoo plejn as iet! = We hadden die oude tafel afgeschuurd, en nu was ze weer helemaal vlak.

E plejn vlleke = een gave huid.

 

plk

zn (de), mv: plkke - verklw: plkske (e)

1. Plek, plaats.

'k Aa da pertang oep die plk gelej! = Ik had het nochtans op die plaats gelegd.

Veu da fotooke gn'ek naa s e schoo plkske zuuke, s. = Voor die foto ga ik nu eens een mooi plaatsje uitzoeken.

 

Zie ook: plets.

 

2. Plak, klap.

A ge mij zoo g blijve trrege, dn krgde sebiet een plk teege[n] aa oore! = Als je me zo blijft plagen, krijg je direct een klap tegen je oren.

 

Plk!
G n de mt!
Kept een koej!
n ne pns!
Ve ne zieke mns!
Kwns-kwns-kwns!

 

Kort grapje waarmee men kleine kinderen even zoet houdt. Daarbij moet het kind de hand met de handpalm naar boven houden. De andere persoon tikt n maal per regeltje zachtjes met vlakke hand op de kinderhand. En bij de laatste regel wordt in de kinderhand gekitteld.

 

plkijzer

zn (e/et), mv: plkijzers - verklw: plkijzertsje (e)

1. Magneet.

Z'aa eur nelle lte valle, m z'aa gelijrd om ee plkijzer te gebrojke oem de nelle van de gront oep te rpe. = Ze liet haar naald op de grond vallen, maar ze wist dat je een magneet kan gebruiken om de naald van de grond op te rapen.

 

Zie ook: trkijzer.

 

 

 

plkke

ww, verv: plk - plkte - geplkt

1. Kleven, plakken.

Ge moet aa beelekes van den Artis nog inplkke. = Je moet de illustraties van de Artis-serie nog in de boeken plakken.

 

2. Ergens blijven hangen, terwijl men elders verwacht wordt.

E blft wee plkke! = Hij blijft weer ergens hangen.

 

3. iemand plkke = iemand laten stikken, iemand laten wachten

 

plkker

zn (ne), mv: plkkers - verklw: plkkertsje (e)

1. Iemand die niet naar huis wil, terwijl dat eigenlijk verwacht wordt.

'k Aa gedocht dat'em al tojs zaa zijn, m da wtte noot m zoone plkker. = Ik had hem al thuis verwacht, maar je weet maar nooit met iemand die zo graag op caf blijft.

 

2. Stukadoor.

Den asjetk aa teege de plkker gezej da de muure t onffe zn. = De architect had de stukadoor ervan verwittigd dat de muren ongelijk zijn.

 

 

plkkerij

zn (de), mv: -

1. Bezetting, stukwerk.

M de plkker aa zen bst gedn, want de plkkerij was ijl gelijk. = Maar de stukadoor had heel goed werk geleverd van de bezetting was heel gelijkmatig.

 

plkkop

zn (ne), mv: plkkoppe - verklw: plkkoppeke (e)

1. Kaalhoofdig persoon. Met " plk " wordt vlak bedoeld.

M ne plkkop moet aa r ni kamme. M g't dn wee wa langer wrrek oem aa gezicht te wasse... = Als je kaal bent moet je je haar niet kammen. Daar staat dan tegenover dat je er iets langer overdoet om je aangezicht te wassen...

 

 

 

plkplester

zn (een), mv: plkplesters - verklw: plkplesterke / plkplestertsje (e)

1. Iemand die "blijft plakken", die blijft hangen, die niet naar huis kan zo lang hij het gezellig heeft, plakker. Komt meestal daardoor te laat thuis, en krijgt dan dit verwijt naar het hoofd geslingerd.

't Was wee plzant zeeker? Ge kost wee ni nr ojs komme[n] ? Gij se plkplester! = Je vond het weer gezellig, zeker? Je kon weer niet naar huis komen, h? Je bent een plakker!

 

plkpoote

zn (de), =mv, verklw: plkpetsjes

1. Platvoeten, misschien zo genoemd naar het geluid dat men hoorde als de persoon met 'plkpoote ' blootsvoets op een tegelvloer liep?

As ek n de zwmdok gn, moet ek altij lache as er van die mnse m plkpoote verbij loope. = Als ik in het zwembad ben, moet ik vaak lachen als er mensen voorbij pletsen.

 

2. Aanduiding van "vuile" (kinder)handen, als gevolg van knutselbezigheden, of direct na het eten voor de handjes gewassen werden.

Sch schattebolleke... zodde ni bejter ijst aa plkpetsjes gn wasse, veu da me beginne te tijkene? Anders angt aa blad derkt vol plkke. = Zeg lieverdje... zou je niet beter eerst je plakkerige handjes wassen, voor we beginnen te tekenen? Zoniet maak je al van bij het begin vlekken op je blad.

 

 

pltsel

zn (enk), geen mv, geen verklw.

1. Smeersel, weke smeerbare massa die op de boterham wordt aangebracht. In de eerste plaats boter, maar ook margarine, reuzel, spekvet.

Moette gij nog wa pltsel mme ver oep den booteram? = Moet jij nog wat smeerboter / smeermargarine?

 

plkpot

zn (ne), mv: plkpotte - verklw: plkpotteke (e)

1. Iemand die alles onmiddellijk vuil maakt, smeerpoets, vuil persoon.

Dij vejgt zen voete ni[j] af, dij komt m ze vojl dinge[n] n tfel, dij wast zen anne ni... t zoone plkpot in ojs! = Hij veegt zijn schoenen niet aan de deurmat, hij komt met vuile werkkleren aan tafel, hij wast z'n handen niet... Erg als je zo een smeerpoets in huis hebt!

 

 

pltte

ww, verv: plt - pltte - geplt

1. Smeren, vnl. gezegd van boterhammen, beboteren.

Moet ek aa bookes pltte? Of gde gij da zllef doen? = Zal ik jouw boterhammen smeren? Of doe je dat liever zelf?

'k m ver aa een booke geplt n d'er kejs oep gedn. = Ik heb voor jou een boterham gesmeerd, en met kaas belegd.

E pltte zenen booteram m zuutelies. = Hij smeerde zijn boterham met reuzel.

pltte

ww, verv: plt - pltte - geplt

1. Pletteren, prakken.

Gepltte petatsjes m saas. = Geprakte aardappelen met saus.

A'ge jtbeeze plt dn krgde jtbeezepap. = Als je aardbeien prakt, krijg je aardbeienmoes.

 

Zie ook: dsteren.

 

plets

zn (een), mv: pletse - verklw: pletske (e)

1. Plaats, plek.

Oep de plets w da naa die villa st, ej vruuger mijn aaversojs gestn. = Op de plaats waar nu een villa staat, stond voordien het huis van mijn ouders.

M sjoeke toch! Natuurlek dde gij e spesjl pletske[n] in mijn t! = Maar liefje toch! Natuurlijk hou ik voor jou een speciaal plaatsje in mijn hart vrij!

 

Zie ook: plk.

 

2. Salon, mooiste plaats, zitkamer.

In eur plets stn twej foteuls n ejne sjngsln. M ze zitte d noot! = In haar salon staan twee fauteuils en n ligstoel. Maar ze komen er niet vaak!

 

 

pletskeszuuker

zn (ne), mv: pletskeszuukers

1. Iemand die via anderen en via onregelmatige weg in een betere en meer renderende betrekking probeert te geraken. Dit gaat nogal vaak langs politieke weg, via vriendjespolitiek.

Naa zn ek nog m twij dge tot jste scheepe verkooze, m mijn bl st nemij stil. Allem pletskeszuukers! 'k m persies inijns tien kijre zoo veel vrinde! = Ik ben nog maar twee dagen tot eerste schepene verkozen, of er wordt voortdurend aangebeld. Allemaal mensen die hopen om langs vriendjespolitiek een job te krijgen! Het lijkt wel of ik plots 10 maal zoveel vrienden heb!

 

 

plodde

zn (een), mv: ploddes - verklw: ploddeke (e)

1. Troeteldier, huisdier dat te veel verwend wordt.

Oe mijr dache da bijst pakt, oe grooter plodde da't zal were. = Hoe vaker je dat dier op de schoot neemt, des te meer het zich verwend zal gaan voelen.

 

2. Vertroeteld of verwend iemand, iemand aan wie te veel aandacht wordt besteed.

Diej klaane[n] s een chte plodde gewerre. = Dat jongetje is echt een oververtroeteld iemand geworden.

 

3. Karakterloos persoon, iemand die zich door anderen laat inmaken.

Zjrmneke s veel te goe[d] n veel te braaf v[j] eure vnt. A g'oover een plodde sprkt, awl da[d] s er ijn. = Germaine is veel te inschikkelijk voor haar echtgenoot. Als je het over een gewillig mens hebt, wel... zij is er n.

 

plodderwaske

zn (e), =verklw, mv: plodderwaskes

1. Wassen van textiel dat met de hand gebeurt. Kan gebeuren omdat er onvoldoende wasgoed is, maar ook als het broos en gevoelig textiel is , textiel dat men beter niet in de wasmachine stopt.

De kes s gedn, et bddegoed s verscheund,... Naa nog e plodderwaske van bloezekes n me kunne'r wral een wejk teege. = De schoonmaak is gebeurd, het bedlinnen werd verschoond,... Nu nog de blouses wassen en we zijn weer klaar tot volgende week.

 

 

ploesj

zn (de), mv: - verklw: ploesjke (e)

1. Pluis. Wordt ook gezegd voor uitrafelingen van stof. [>Fr. pluche]

Oep zoo'n floere zeetels zie[d] alle ploesjkes ligge. = Op zetels die met velours bekleed zijn, zie je alle stofpluisjes onmiddellijk.

 

ploesje

ww, verv: ploesj - ploesjte - geploesjt

1. Pluizen.

Een troj ploesjt gemakkelek. = Een wollen trui pluist vlug.

 

2. Uitrafelen.

Aa[j] mmeke[n] s n't ploesje. = Jouw hemdje rafelt uit.

 

Zie ook: ojtrfele.

 

pln

zn (de), mv: plns - verklw: plnke (e)

1. Smeltzekering, vroeger werkend met looddraad. [>Fr. plomb]

De plns wre gesproenge[n] n naa zte ze zonder licht. = De zekeringen waren gesprongen  en dus hebben ze geen verlichting meer.

 

 

 

Laatste wijziging 28-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl