A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
PA
PAN
PE
PER
PI
PIN
PJ
PL
PO
POO
PR
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

pan

zn (een), mv: panne - veklw: panneke

1. Pan, steelpan, kookgerei om gerechten klaar te maken.

E ruuraareke maak'ek liefst in da geute panneke. = Roereieren bereid ik liefst in dat gietijzeren pannetje.

 

zn (de), mv: -

2. Pech, panne. [>Fr. panne]

M den ottoo in pan stn langs de kant van de wg, s 't ambetantste wa ge kunt veu krijge as g'oep rijs g. = Met autopanne aan de kant van de weg staan is het vervelendste wat kan gebeuren als je op reis bent.

 

pandoere

ww, verv: pandoere - pandoerde - gepandoerd

1. Kaartspel, genoemd naar de Pandoeren, een Kroatisch regiment opgericht in het midden van de 18de eeuw.

Ons vder gt alle wejke pandoere[n] in de Flierboom. = Mijn vader gaat elke week pandoeren in herberg de Vlierboom.

 

2. Slaag uitdelen, een pandoering geven.

'k Zal sebiet s oep aa gezicht komme pandoere! = Als je niet oplet, kom ik seffens op je gezicht slaan!

 

pandoering

zn (een), mv: pandoeringe

1. Een pak slaag een slag, stoot of por.

A'ge ni braaf z krgde sebiet een goej pandoering! = Als je niet braaf bent krijg je seffens een stevig pak slaag.

 

 

pangsjoneere

ww, verv: pangsjoneer - pangsjoneerde - gepangsjoneerd

1. Pensioneren, op rust stellen of op rust gesteld worden.

N dat'em fftech jr t gewrrekt ej, mme z'm naa gepangsjoneerd. = Nadat hij vijftig jaar hard heeft gewerkt, heeft men hem nu op rust gesteld.

 

Zie ook: pngsjoneere.

 

pansemnt

zn (e), mv: pansemnte - verklw: pansemntsje (e)

1. Verband. [>Fr. pansement]

A'ge nog moet wrreke, dn zaa'k toch m e pansemnt oep die wonde doen. = Als je nog moet gaan werken, zou ik de wonde toch maar verbinden.

 

 

 

pap

zn (de), mv: -

1. Bereiding met melk en suiker. Andere ingredinten zoals vanille of chocola geven dan weer de smaak.

N't eete wille'kik een talloor pap! = Aan het einde van het middagmaal / avondmaal, wil ik een bord "pap".

 

2. Ook figuurlijk.

'k Zn da zoo muug as kaa pap! = Ik ben het kotsbeu!

Ni veel in de pap te brokke[n] mme. = Niet veel te zeggen hebben, geen beslissingsrecht hebben, weinig beslissingen kunnen benvloeden, weinig invloed hebben.

 

papjoenk

zn (e), mv: papjoengene - verklw: papjoenkskse (e)

1. Klein kind, kind dat nog met melk gevoed wil worden.

Die zie nogal af m eur papjoenk, znne! = Ze heeft veel kommer met haar papkind.

 

2. Scheldnaam voor een kinderachtig iemand.

Me speele ni m e papjoenkske! = We willen niet spelen met zo'n flauwerd!

 

pappelarapit

zn (de), mv: -

1. Vlug klaar gemaakte pap. Eerst wordt melk opgewarmd. In een bord worden dan n of meer beschuiten gelegd, waarop eventueel suiker wordt gestrooid. Hierover wordt dan de warme melk gegoten. [>Fr. la rapide]

Wa wrrem mllek, wa sojker n een beschetsje, en g't pappelarapit. = Een beetje warme melk, een beetje suiker en een beschuit, en de pap la rapide is klaar.

 

papschool

zn (de), mv: papschoole - verklw: papschooleke ('t)

1. Kleuterschool, kinderschool. Schooltje waar kinderen zijn die verondersteld worden nog veel melk (= pap) te drinken.

Vanaf zen drij jr mach'em n 't papschooleke. = Vanaf de leeftijd van drie jaar mag hij naar de kleuterschool.

 

 

papzak

zn (ne), mv: papzakke - verklw: papzakske (e)

1. Dik persoon, zwaarlijvig iemand.

Da moette mij naa ook ni zgge, da dij papzak wijneg of ni boezjeert! = Je hoeft me niet te vertellen dat die zwaarlijvige persoon nauwelijks lichaamsbeweging heeft!

 

 

paraa

zn (ne), mv: paraas - verklw: paraake (e)

1. Prei, groente. [>Lat. Allium porrum]

Gijn soep zonder paraa! = Om soep te maken heb je prei nodig.

A'ge paraa wit wil[d] aave, moetem njre. = Als je prei een witte kleur wilt laten houden, moet je aanaarden.

Paraa stoove[n] in booter = prei stoven in boter.

 

 

pardesuu

zn (ne), mv: pardesuus - verklw: pardesuuke (e)

1. Overjas. [>Fr. par-dessus]

M jremt meugd aave nieve pardesuu ndoen. = Vanaf jaarmarkt (de laatste maandag van de maand oktober in Wilebroek) mag je je nieuwe overjas dragen.

 

paree

bijw

1. Klaar, gereed, snel bereid om iets te doen.

'k Moest m[r] ijne kij zgge dat'em meemocht n 't stad, n e was derkt paree! = Ik hoefde hem maar n keer te zeggen dat hij meemocht naar de stad, en hij was direkt klaar!

 

2. Uit zijn bed zijn, op zijn.

't Was nog gijn zeeve[n] uure mr e was al paree. = Het was nog geen zeven uur, maar hij stond al klaar, hij was al op.

 

3. Genezen, terug fit, weer op de been, terug functioneren.

Die vraa lag ijrgistere nog in 't kinderbd, n naa s z'al trug paree. = Die vrouw heeft eergisteren een kind gebaard, en vandaag is ze al terug op de been.

 

partte

zn (=mv), geen verklw

1. Grillen, kuren, slechte luim, norse toestand.

Och...! Diej[n] ej zen partte wee! Ge moet aa da ni ntrkke. Da g vazezlleven oover! = Och, hij heeft zijn kuren weer! Trek het je niet aan, want dat gaat vanzelf voorbij.

 

2. Uiting van ongenoegen of bezwaar, of het met iets oneens zijn.

Moete die naa s oore van eur partte geeve! Allem oemda'k gezejd m da'k ijst langst ons Zjuljaa ging, n pas dern n de sinnemaa. = Moet je horen hoe ze zich druk maakt! Gewoon omdat ik zegde eerst langs mijn zus Julia te gaan, en pas daarna naar de bioskoop.

 

Zie ook: prtte

 

 

parkeere

ww, verv: parkeer - parkeerde - geparkeerd

1. Parkeren, de wagen voor langere tijd ergens laten staan, meestal op een daartoe geigende of speciaal daarvoor ingericht plaats.

Oem te gn winkele[n] in de winkels oep de Mt, ej de gemijnte d n in de Niefstrt spsjl veel parkeerpleutse gemokt. = Om te winkelen in de buurt van de Markt, heeft de Gemeentelijke verkeersdienst daar en in de Nieuwstraat een groot aantal parkeerplaatsen gemaakt.

Oe langer oe mijr mnse trkke[n] eule van een ander niks n, n ze parkeere zoo m[r] oep den trotwaar. Of da'che dn as voetganger deu kunt of ni, d vejge z'eule frak n. = Men geeft hoe langer hoe minder om zijn medemens, en parkeert de auto zomaar op het trottoir. Of voetgangers daardoor in de problemen komen, is voor hen totaal onbelangrijk.

 

Zie ook: stasjeneere.

 

parlevit

zn (ne), mv: -

1. Letterlijk: snel spreken. Weldra, heel snel, op onafzienbare tijd. [>Fr. parler vite]

Ze zaa da's agaa een ordeuverke zaa mke[n] n oep ne parlevit ston er een schoon kaa schotel veur onze neus. = Ze zegde dat ze een hors-d'oeuvre zou bereiden, en al gauw stond er een lekker schotel voor ons klaar.

 

Zie ook: weerlicht.

 

parrusj - prrusj

zn (ne), mv: parrusje / prrusje - verklw: parrusjke / prrusjke (e)

1. Parkiet. [>Fr. perruche]

M de jremt s er altij vogeltentoonstlling in de Witte Sprij. Tot oep strt oorde de prrusjkes kwttere. = Ter gelegenheid van de jaarmarkt wordt er altijd een vogelshow gehouden in (herberg) de Witte Spreeuw. Tot op de straat hoor je het gekwetter van de parkieten.

 

 

partietrkke

ww, verv: trk partie - trok partie - partiegetrokke

1. Partij kiezen, iemand verdedigen.

'k Aa kompasse m da vntsje, n 'kost et ni lte van v[r] m partie te trkke. = Ik had medelijden met dat mannetje en ik kon echt niet nalaten om hem te verdedigen.

Da's toch norml da'ge partie trkt ver aa ijge bloet! = Het is niet meer dan normaal dat je partij kiest voor je eigen bloedverwanten!

 

paruk

zn (de), mv: parukke - verklw: parukske (e)

1. Pruik. [>Fr. peruque]

In de komeede drge zoowl de vnte[n] as de vraave parukke. = In de theaterwereld is het gebruikelijk dat vrouwen n mannen een pruik opzetten.

 

 

pasfit

zn (ne), mv: pasfitte - verklw: pasfitteke (e)

1. Draaizeef met grotere of kleinere gaten om voedsel te pureren. [>Fr. passe-vite]

Petatte[n] n spinezze deu de pasfit en g't spinezzestoemp. = Als je gekookte aardappelen en spinazie door de roerzeef draait, heb je puree met spinazie.

Peekesstoemp kunde deu de pasfit dr, m[r] ik m toch liever dat'er nog wa brokskes in zitte. = Wortelpuree kan je maken met de roerzeef, maar ik vind het lekkerder als er nog stukjes wortel in de puree zitten.

 

 

pasgeeve

onpers ww, verv: gft pas - gaf pas - pasgegeeve

1. Gebeuren op een geschikt moment, lukken, toeval zijn.

Wlle wre[n] oep rijs in Detsland, n wie komme me d teege? Ons Zjrmn! Dat moet toch wille pasgeeve! = We waren op reis in Duitsland, en wie ontmoeten we daar? Germaine! Dat wil toch lukken!

Da zal nog wl s pasgeeve da wlle d'er ijne gn pakke. = Het gebeurt nog wel eens dat we een glas gaan drinken.

 

paspr

zn (ne), mv: pasprs - verklw: pasporreke (e)

1. Paspoort, oorspronkelijk een bewijs van de vergunning om te mogen passeren. Bewijs van toelating om door een land te mogen reizen en er te verblijven, identiteitsbewijs door de regering verstrekt om de houder te legitimeren. Ook wel reispas. [>Fr. passeport]

Me stonne[n] al oep de vliegve, toen a'k inijns doecht da'k mene paspr vergeete was. Mr e stak gelukkig toch in men sakosj! = We waren al op de luchthaven aangekomen, toen ik ineens dacht dat ik mijn paspoort thuis vergeten was. Gelukkig had ik hem toch in mijn handtas gestopt!

 

 

2. In het dialect wordt wel vaker naar de identiteitskaart verwezen, als men het over ne paspr heeft.

'k Was deu't licht gereej[n] n de polis zaa da'k mene paspr moest lte zien want da ze mij een boet ginge geeve. = Ik was door het rode (verkeers)licht gereden en de politieagent zei dat ik mijn identiteitskaart moest tonen, want dat hij me ging beboeten.

 

passant

zn (ne), mv: passante - verklw: passatsje (e)

1. Letterlijk: voorbijganger. Meestal bedoelt men hier iemand mee die langs reist. Het is ook gebruikelijk om hier iemand mee aan te duiden die niet van de streek is, een "vreemdeling"

Ne rijzende passant = iemand die langs reist, een reiziger.

 

 

passe

ww, verv: pas - paste - gepast

1. Aanpassen.

Past da klijt aa? = Heeft dat kleedje de juiste maat voor jou?

Past dij[n] oet s! = Pas die hoed eens, probeer eens of die hoed de juiste maat heeft.

 

2. Goed gepast zijn.

Da past aa naa goe, s! = Dat staat je heel goed! Maar ook: dat komt heel goed uit.

3. In een spel een beurt overslaan, of geen gevolg geven op de vraag van een andere speler.

 

Bij 't prsse meegde passe. = Bij het kaartspel pressen mag je overslaan, afwachten, in plaats van een aantal slagen voorop te zetten.

 

passdde...

bijwoord

1. De voorbije, de laatste, de vorige, de "gepasseerde" ... [>Fr. pass]

passdekij = de vorige keer

passddewejk = vorige week

passddement = de vorige maand

passddejr = het voorbije jaar

 

passemotsje

zn (e), =verklw, mv: -

1. Iets wat net past, juist geschikt, aan het lijf gegoten. [>Ndl. pasmaat]

In de soldekes ing er nog zjest ijn broek, n a'k die[j] ndee was et zjest e passemotsje. = In de uitverkoop hing er maar n broek meer, en toen ik die paste zat ze aan mijn lijf gegoten.

m'mme een nief kas gekocht n ze g zjestekes tusse de deur van de keuke n de deur van de gank. Oover e passemotsje gesprooke... = We hebben een nieuwe kast gekocht en ze past net tussen de keukendeur en de haldeur. Over net gepast gesproken...

 

passez(j)e

zn (de)

1. Verkeer, drukte. [>Fr. passage]

Oep 't Plntsje[n] s altij veel passeze. = Op het van Landeghemplein is het altijd druk, is er altijd veel verkeer.

 

 

patatie n patataa

uitdrukking

1. Van alles door elkaar, verward, met veel overbodige bewijzen, met veel rompslomp...

Toen a ze m veel patatie en patataa euren ojtlg aa gedn, m ek eur s goe gezej w da't naa oep nkomt. = Toen ze tot in het kleinste detail haar historie had verteld, heb ik kort en bondig even alle op een rijtje gezet en duidelijk gemaakt waar het nu eigenlijk op aan komt.

 

pateeke

zn (e), =verklw, mv: pateekes

1. Gebakje, taartje voor n persoon. [>Nl. pasteitje]

'k Zn pateekes gn le n den bakker oep de Mt. = Ik haalde gebakjes bij de bakker op de Markt.

 

2. Avonturier, iemand die van alles durft, kereltje. Ook gebruikt om iemand aan te duiden die kattekwaad heeft uitgehaald.

Da pateeke[n] ej wral een rojt ojtgesjot. = Die rakker heeft weeral een ruit gebroken met het voetballen.

 

patojter

zn (ne), mv: patojters - verklw: patojterke (e)

1. Val.

E[j] s nogal ne patojter gegn! = Hij heeft een zware val gemaakt.

 

2. Klein kindje, liefkozend bedoeld, troetelnaampje. [>Nl. petieter]

Dad rrem schp! Zoo joenk eure vnt verloore, n naa zit ze d m drij klijn patojterkes. = Die arme vrouw! Nog zo jong en al weduwe, en dat met drie kleine kinderen.

 

patojtere

ww, verv: patojter - patojterde - gepatojterd

1. Vallen.

Komt naa[j] s zien - ons klaan s van eure kakstoel gepatojterd! = Kom eens kijken: ons dochtertje is van haar potje gevallen.

 

 

patotter

Zie: patojter.

 

patottere

Zie: patojtere.

 

patsje

zn (e), =verklw, mv: patsjes

1. Oud mannetje. [>Lat. patrinus = peter, peetvader]

Ellept da[d] aat patsje[n] s ooversteeke... = Help die oude man de straat over te steken...

 

Zie ook: matsje.

 

pattesjee

zn (ne), mv: pattesjees - verklw: pattesjeeke (e)

1. Patissier, banketbakker. [>Fr. patissier]

Pateekes mke ze bij de pattesjee. = Gebakjes worden gemaakt door de banketbakker.

 

 

 

Laatste wijziging 27-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl