A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
MAA
MAN
ME
MES
MI
MO
MOL
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

mieg / muug

bijv nw, tvgl: mieg / muug - mieger / muuger - miegst / muugst

1. Moe, afgemat.

Men brier was mieg. = Mijn broer was moe.

'k ZŤn zooŽ muug as nen ont. = Ik ben heel erg afgemat, ik ben hondsmoe.

 

miŽj

zn (een), mv: miŽjve - verklw: miŽjke (e)

1. Meeuw.

A't slŤcht weer Žs zitte de miŽjve[n] in't binnelant. = Als het weer minder goed is vliegen de meeuwen landinwaarts.

 

miŽjne

ww, verv: miŽjn - mŤnde - gemiŽjnd

1. Bedoelen, de bedoeling hebben iets te doen (in de zin van het wederroepen van een bedoeling), als extra uitleg van wat men eigenlijk bedoelt.

'k MŤnde te zŽgge... = Ik bedoelde eigenlijk..., ik wou eigenlijk zeggen...

MiŽjnde naa da'ge'r oÔjt trŤkt, of watte? = Bedoel je dat je ons verlaat, of wil je eigenlijk zeggen?

 

2. Menen, bedoelen, zeker zijn, overtuigd zijn.

'k MŤnde da[d] ij da ged‚‚n aa. = Ik was in de overtuiging dat hij dat had gedaan.

 

miŽjning

zn (een), mv: miŽjninge

1. Mening, opvatting, eigen beoordeling.

Me leÔjve in een dŽmokrassie, Ťn dus eÔj[d] iederiŽjn rŤcht oep een ijge miŽjning. = We leven in een demokratische maatschappij, en dus heeft iedereen recht op een eigen mening.

 

 

miŽjstere

ww, verv: miŽjster - miŽjsterde - gemiŽjsterd

1. Onder doktershanden zijn, in behandeling zijn, behandeld worden door iemand met een meesterhand en dus iemand die vakbekwaam is.

Sins da'k zooŽne last aa ‚‚n men m‚‚g, zŤn ek ‚‚n 't miŽjster bij de spŽsjalist, m‚‚'k Žm nog ni veel winst! = Sinds ik zoveel pijn heb aan de maag, ben ik onder doktershanden bij een specialist, Maar veel vooruitgang is er voorlopig nog niet.

 

Zie ook: mismiŽjstere.

 

miŽjsterm‚‚ke

ww, verv: m‚‚k miŽjster - mokte miŽjster - miŽjster gemokt

1. Het hoogste woord voeren, de baas spelen.

Nen diplom Ždde ni geŁlt, m‚‚ w‚‚ da g'altij goed in zŤ gewŽst Žs aa[j] ijge miŽjsterm‚‚ke[n] oover iederiŽjn. = Een diploma heb je niet, maar wat je altijd heel goed kon was de baas spelen over iedereen.

 

miŽjstŤs

zn (een), mv: miŽjstŤsse - verklw: miŽjstŤske (e)

1. Letterlijk: meesteres. [>Eng. mistress?]

De miŽjstŤs gaf etoÔjswŤrrek oep, Ťn me koste n‚‚r oÔjs. = De lerares gaf ons huiswerk, en dan konden we naar huis.

 

2. Figuurlijk: opzichteres, cheffin, ploegleidsters.

Toen a'k miŽjstŤs was bij Kr‚‚nals, aa'k twŤllef maskes onder mij st‚‚n. = Toen ik ploegleidster was bij Craenhals, was ik verantwoordelijk voor 12 meisjes.

 

Zie ook: mistŤs.

 

miekegŤtsje

zn (e), =verklw, mv: miekegŤtsjes

1. Geitje. Vaak wordt deze term gebruikt om tegen een kind over een geitje te spreken.

ňd'in de zjolozjie de miekegŤtsjes gezien? = Heb je in de zoo de geitjes gezien?

 

 

 

miekelangepooŽt

zn (ne), =verklw, mv: miekelangepooŽte

1. Langpootmug, hooiwagen. [Lat. familie Tipulidae]

In't schurreke vanachter in den of zitte[n] iŽjl veul miekelangepooŽte. = In het schuurtje achteraan in de tuin zitten veel langpootmuggen.

 

 

mierezŤŤker

zn (ne), mv: mierezŤŤkers - verklw: mierezŤŤkertsje (e)

1. Mier. [Lat. familie Formicidae]

Ze zŽgge da peÔjper de mierezŤŤkers wŽg aat. = Men beweert dat mieren vluchten als er peper wordt gestrooid.

 

miezjol

zn (een), mv: miezjolle - verklw: miezjolleke (e)

1. Laconische scheldnaam voor een meisje.

D‚‚[r] Ždde'm mŽ zen miezjol. = Daar heb je hem met zijn vriendin.

 

2. Troetelnaam voor een meisje.

M‚‚ me klaa miezjolleke toch. = Och arme kleine lieveling.

Ze meege zŽgge wa'se wille, m‚‚ gij blŤft mij miezjolleke. = Men mag zeggen wat men wil, maar voor mij blijf je het allerliefste meisje.

 

mimbol

zn (ne), mv: mimbolle - verklw: mimbolleke (e)

1. Lekkernij, karamel, ulevel.

Ne zak mimbolle vŽ diej klaane. = Een zakje snoep voor dat jongetje.

 

Zie ook: mumbol.

 

mipsel / mupsel

zn (een), mv: mipsele / mupsele - verklw: mipseltsje / mupseltsje (e)

1. Mispel.

Soemige mŤnse vinne dat mipsele rot moete zŤn veu dache ze meugt eete. = Sommigen menen dat mispels overrijp moeten zijn vooraleer je ze opeet.

 

mipselbooŽm / mupselbooŽm

zn (ne), mv: mipselbooŽme - verklw: mipselbeŁmmeke (e)

1. Mispelboom. [>Lat. Mespulus]

Mipsele groeje[n] ‚‚n ne mipselbooŽm. = Mispels groeien aan een mispelaar.

 

mipseleÔjr / mupseleÔjr

zn (ne), mv: mipseleÔjr - verklw: mipselŤrreke (e)

1. Mispelboom. [>Lat. Mespulus]

Vruuger zogde veel miŽjr mipseleÔjrs as naa. = Vroeger werden er meer mispelaars geplant dan tegenwoordig.

 

misbuus / misbies

zn (e), mv: misbuuze / misbieze

1. Abuis, vergissing, misverstand, misvatting. Waarschijnlijk foutief samengesteld uit misverstand en abuis.

Ik docht zeeker da'k mŽ men abonnemŤnt van den trijn  ooŽk oep den tram mocht in AntwŤrrepe, m‚‚ da was e misbuus. = Ik was ervan overtuigd dat ik met mijn treinabonnement ook de tram kom nemen in Antwerpen, maar dat was duidelijk een misvatting.

Wa zŽgde gij naa? Da ge ni moet bet‚‚len oep den ooverzŽt n‚‚ BooŽm... Naa zŤdde misbuus, zŽnne! = Wat beweer je daar? Dat je gratis gebruik kan maken van het veer naar Boom... Dat is toch wel een misvatting, hoor!

 

miskeŁsse

ww, verv: miskeŁs - miskeŁste - miskeŁst

1. Kwaad aanrichten, dingen doen die eigenlijk niet mogen.

Wa da kŤŤreltsje[n] al miskeŁst eÔj in zje leÔjve, d‚‚ deurref ekik ni[j] ‚‚n paaze! = Wat voor kwaad die kerel al heeft aangericht in zijn leven, daar denk ik liever niet aan.

 

mismiŽjstere

ww, verv: mismiŽjster - mismiŽjsterde - mismiŽjsterd

1. Onvakkundig behandelen op medisch vlak, fouten maken bij de behandeling die vaak zware gevolgen en zelfs de dood als gevolg kunnen hebben.

ZooŽ ziek was em naa[j] ooŽk wee ni, m‚‚ van in't begin eÔj zenen doktoor Žm mismiŽjsterd. = Eigenlijk was hij niet zo ernstig ziek, maar zijn dokter heeft hem van bij het begin fout behandeld.

 

Zie ook: miŽjstere.

 

 

misse

ww, verv: mis - miste - gemist

1. Letterlijk: missen.

Oemda'k mene pŽrreplie vergeete[n] aa, was ek twiŽj menuute te l‚‚ ‚‚n den oek van 't str‚‚t Ťn d‚‚deu aa'k de bus gemist. = Omdat ik mijn paraplu vergeten had, kwam ik twee minuten te laat aan de straathoek en daardoor had ik de bus gemist.

 

2. Ook figuurlijk.

DÔej mist een bŽtsje! = Hij slaat er de bal naast! Hij vangt! Hij is gek!

 

missepot

zn (ne), mv: missepotte - verklw: missepotteke (e)

1. Uitdrukking voor: het gaat fout! Het loopt verkeerd af! Het is vergeefs! En ook voor ruzie!

Toen a'ze de soep ooŽk nog aa l‚‚te[n] ‚‚nbranne, was 't iŽjlem‚‚ missepot. = Toen ze ook de soep liet aanbranden, liep het helemaal verkeerd af.

 

mistŤs

zn (een), mv: mistŤsse - verklw: mistŤske (e)

1. Vrouwelijke ploegbaas. [>Eng. mistress?]

Bij Kr‚‚nals Žmme'k ik altij[d] een goej mistŤs gat. A'k ik iet veur aa, dŤn ielp die mij[j] altij Ťn die ston mij bij mŽ woord Ťn d‚‚d. = Als ik bij Craenhals werkte, had ik een goede ploegbaas. Telkens ik een probleem had, hielp ze mij altijd en stond ze mij bij met raad en daad.

 

Zie ook: miŽjstŤs.

 

miz‚‚npli

zn (ne) - miz‚‚nplis - verklw: miz‚‚nplikke (e)

1. Kapsel dat opgemaakt is bij de kapper, ook gebruikt voor een watergolf, letterlijk "op zijn plaats gelegd". [>FR. mise en plis]

ZjanŽt Žs n‚‚ de kwaffeur gewŽst veŁ ne miz‚‚npli = Jeanette is naar de kapper geweest om haar haren te laten opmaken.

 

mizeere

zn (de), mv: -

1. Miserie, pijnlijke en onaangename toestand, pech, tegenslag.

Die mŤnse[n] Žmme[n] al miŽjr mizeere gekŽnd as wad anders. = Die mensen hebben al meer pech gehad, dan dat ze voorspoed hadden.

 

2. Spelletje bij het wiezen.

A'ge mizeere g‚‚ en en ze zŽtte[n] aa ni binne, dŤn verdinde twŤllef punte. = Als je bij het wiezen "miserie" speelt, verdien je 12 punten.

M‚‚ 't Žs natuurlek nog veel beÔjter oem mizeere[n] oep t‚‚fel te speele. = Maar het is uiteraard nog beter om "miserie op tafel" te spelen. (Daarbij moet men zijn eigen kaarten open op tafel leggen, zodat de andere spelers alle kaarten kunnen zien. Voor hen wordt het makkelijker om de goede kaarten bij te houden, en zo proberen te voorkomen dat de mizeere[n] oep t‚‚fel lukt.)

 

 

Laatste wijziging 19-01-2014 - Toevoegen woord
22-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl