A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
MAA
MAN
ME
MES
MI
MO
MOL
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

msk

zn (de), mv: msks

1. Stortplaats, mestvaalt voor huisvuil en afval. [>Nl. mest + >Nl. kade]

De vojlkaar rt van ie n de msk. = De vuilniswagen rijdt van hier naar de mestvaalt.

 

msnat

bijv nw, tvgl: -

1. Doorweekt, door en door nat. Mogelijk is dit woord afgeleid van het feit dat sommige soorten stalmest heel erg vochtig zijn.

'k Was me ne prreplie vergeete mee te neeme, m'k kon cht ni wachte. Toen a'k deu die vlg geloope[n] aa, was ek msnat! = Ik vergat mijn paraplumee te nemen, maar ik kon echt niet langer wachten (om verder te lopen). Nadat ik door de regenvlaag gelopen was, was ik helemaal doorweekt.

 

mssink

zn (de), mv: mssinge - verklw: mssinkske (e)

1. Mesthoop of composthoop, gewoonlijk van stalmest en andere plantaardige afval.

Smt al die[j] ooverschotsjes m[r] oep de mssink. = Werp al die (keuken)restjes maar op de mesthoop.

 

mt

zn (de), mv: mtte - verklw: mtteke (e)

1. Markt, marktplaats, meestal een plein waar de handelsmarkt gehouden wordt.

De mt van Willebroek ijt Lewie de Najerplets. = De naam van de markt in Willebroek is Louis de Naeyerplaats.

 

2. Het gebeuren van de handelsmarkt zelf, het feit dat een markt wordt gehouden (geen meervoud dan).

's Goensjtachs s't mt oep de mt. = 's Woensdags wordt er markt gehouden op het marktplein.

 

 

mtbees

zn (een), mv: mtbeeze - verklw: mtbeezeke (e)

1. Snoepje dat meegebracht wordt van de markt.

Ons klaan s da[d] al zoo goe gewoon da'k lleke wejk veu[r] eur een mtbees meebring van de mt. = Ons dochtertje is het al gewoon dat ik elke week voor haar een snoepje meebreng van de markt.

 

 

mtsersr

zn (e), geen mv.

1. Letterlijk: haar van een metser. Aanduiding van de mate van afwijking. Omdat het in de bouwwereld met grovere materialen gaat bij het optrekken van een woning, is de afwijking eerder aan de grote kant.

Gij g naa toch ni zijvere oemda da[d] ier e mtsersr schilt, zeker? Allee... vier sntimeter mijr of minder, d g me naa ni[j] oover diskutteere... = Je gaat nu toch geen moeilijkheden maken omdat het een mtsersr scheelt? Kom zeg... 4 cm meer of minder, daar hoeft volgens mij niet over geredetwist worden...

 

mtte

ww, verv: mt - mtte - gemt

1. Naar de markt gaan, met de bedoeling inkopen te doen.

'k Was n 't mtte n 'k zn mene gebier teegegekoome. = Ik deed inkopen op de markt toen ik mijn buur ontmoette.

Gde mee mtte? = Ga je mee inkopen doen op de markt?

 

mtteke de zker

eigennaam

1. Sint Medardus (8 juni). Het bijgeloof leert dat, als het op deze dag regent, het nog zes weken doorgaat met regenen.

't Ej gerejgend m Mtteke de Zker, n naa ange m'er v nog zs wejke[n] n vast. = Het heeft geregend op Sint Medardus, wat betekent dat het nog zes weken zal regenen.

 

mttekoo

zn (ne), mv: mttekoos

1. Stommerik, domoor, iemand die iets fout doet of onhandig is uit onwetendheid, flierefluiter. [>Nl. marteko = een aap, wordt dan gebruikt om iemand aan te duiden die heel lelijk is]

Moete da naa wee lte valle, mttekoo? = Waarom laat je dat vallen, onhandige kluns?

Die mttekoos weete van niks. = Aan die domoren werd niets verteld.

 

mttenandere

bijw

1. In diezelfde tijd, onder de hand, op hetzelfde ogenblik, tegelijkertijd, meteen, onmiddellijk, gelijktijdig.

Men soep was oovergekokt, n 'k was da nog m zjest n't oepkesse toen as mttenandere de petatte[n] ooverkokte! = De soep was net overgekookt, en ik was het fornuis aan het reinigen toen op datzelfde ogenblik de aardappelen overkookten.

'k Was zjest n't vertlle teege[n] ons Marjt oe da ons Franske m ze velooke gevalle was, as em mttenandere binnekwam. = Ik vertelde net aan Mariette hoe kleine Frans gevallen was met de fiets, als hij op hetzelfde moment binnenkwam.

 

 

meug

zn (de), mv: -

1. Zin, trek, verlangen.

Ieder zene meug. = Ieder zijn zin.

Da's ni mijne meug. = Daar hou ik niet van.

 

meuge

ww, verv: mag - mocht - gemeuge

1. Mogen.

Da mochte ni doen, znne! = Dat mocht je niet doen hoor.

 

2. Graag hebben, lekker vinden.

Ze meuge gij witloof. = Ze houden niet van witlof, ze lusten geen witlof.

 

melder

zn (ne), mv: melders - verklw: melderke (e)

1. Molenaar, de man die maalt.

G bij de melder s e pak bloem le! = Ga bij de molenaar eens een zak meel halen.

 

2. Kever, meikever. [Lat. Melolontha vulgaris, Melolontha melolontha]

Oopelek komt er naa van't jr wee gijn plg melders oep de petatte zitte. = Hopelijk komt er dit jaar geen plaag van meikevers op het aardappelveld.

 

 

merre

zn (een), mv: merres

1. Merrie, vrouwelijk paard.

Dijn boer ej zen merre wggedn. = Die boer heeft zijn merrie verkocht.

 

2. Wordt ook denigrerend over een vrouw gezegd.

Zie die dikke merre d naa loope. = Zie dat dikke meisje daar.

 

Zie ook: protmerre

 

merreg

bijv nw, tvgl: merreg - merreger - merregst

1. Gaar, klaar, mals.

De petatte zn merreg. = De aardappelen zijn gaar.

 

2. Ook figuurlijk: genoeg, voldoende, aan het einde van zijn Latijn.

'k Zn merreg! = Voor mij volstaat het, ik kan niet meer, de maat is vol.

N die wandeling van nen alleven dag, waz'ek ijlem merreg. = Na die lange wandeltocht van een halve dag, was ik op het einde van mijn krachten.

Imant merreg slge. = Iemand murw slaan. Iemand zo veel slaag geven dat de persoon niet meer reageert.

 

 

mette

zn (ne), mv: mettes - verklw: metteke (e)

1. Jonge koe, kalf. vaars.

Een waa vol mettes. = Een wei vol vaarzen.

 

2. Ook figuurlijk. Iemand die vaak nogal lui is, maar eigenlijk wel van goede wil.

Dij joenge kan er missching niks n doen, mr ijgelek s da toch nen dikke mette[n] ! = Die jongen kan er misschien niets aan veranderen, maar eigenlijk is hij toch een dik kalf, vind je niet?

Platte mette drge. = Op de rug zitten, zoals een ruiter op een paar.

 

mette / mettekee

zn (ne), mv: mettekees

1. Iemand die vaak nogal lui is, maar eigenlijk wel van goede wil.

E zaa wl wille, dij mettekee, m ge wert er zoo muug van! = Hij is wel van goede wil, maar eerder aan de luie kant.

 

mettekesknieje

zn (-), =meerv

1. Letterlijk: de knien van een jonge koe, van een vaars. Wordt vooral bedoeld om lelijk gevormde knien aan te duiden, of als de benen niet mooi recht zijn waardoor de knien naar binnengekeerd staan, x-benen.

As maskes groot werre, mme ze dikkels mettekesknieje. M ge moet aa ni ongerist mke, znne, want da groejt erojt. = Meisjes die opgroeien hebben vaker x-benen. Maar je hoeft je echt geen zorgen te maken, want in hun verdere ontwikkeling verdwijnt dat.

 

Zie ook: osseknieje

 

mettekestanne

zn (-), =meerv

1. Letterlijk: de tanden van een jonge koe, van een vaars. Gebruikt voor melktanden, de tanden van het eerste gebit.

Oe mijr da ge snosselt, oe rapper da g'aa mettekestanne kwijt zelt zijn. = Des te meer je snoept, des te vlugger ga je je melktanden kwijtraken.

 

 

mezze

ww, verv: mes - mezde - gemest

1. Treuzelen, aarzelen.

Zit ni zoo te mezze[n] n doe vets! = Zit daar niet te treuzelen maar doe voort.

 

2. Flauw doen, zaniken, zagen.

Lestert manneke! Of da che naa g beginnen mezze of ni... ge zeul'et toch moete doen! = Luister eens goed, kereltje! Of dat je nu begint te zaniken of niet... je zal het werkje toch moeten opknappen.

 

mezzele

ww, verv: mezzel - mezzelde - gemezzeld

1. Morsen, kruimeltjes morsen.

Ons kozntsjes mme wee zitte mezzele[n] n tfel. = Onze neefjes hebben kruimeltjes gemorst tijdens de maaltijd.

Aat aa booke boove tfel, want ge zd oep de grond n't mezzele! = Hou je boterham boven de tafel, wan je bent kruimeltjes aan't morsen op de grond!

 

mezzels

zn (de), =mv, verklw: mezzeltsjes

1. Gemorste broodkruimels.

Ijl de mat lag vol mezzels n 't verjrdagsfijsje van ons Treezeke. = Het tapijt lag vol broodkruimels na het verjaardagsfeestje van ons dochtertje Thrse.

Smt die mezzels m[r] in den of - de muskes zlle wl weete wa ze d moete m doen. = Gooi de kruimeltjes maar in de tuin - de mussen weten er wel weg mee.

 

 

Laatste wijziging 22-06-2008 - Toevoegen afbeelding
10-05-2008 - Toevoegen afbeelding
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl