A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
LA
LE
LI
LO
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

lbbere

ww, verv: lbber - lbberde - gelbberd

1. Drinken.

'k m dest en 'k gn wa lbbere. = Ik heb dorst en ga iets drinken.

 

lee

zn (een), mv: lees - verklw: leeke

1. Scharnier.

De lees van eule veurdeur zn afgebrooke. = De scharnieren van hun voordeur zijn gebroken.

 

2. Lendenen.

Ijn m[j] een smalle lee. = Een meisje met smalle lendenen, magere heupen.

 

3. Teken van een slecht voorgevoel (figuurlijk).

Iet in z'n lee[j] mme. = Iets van plan zijn of iets vermoeden.

't Lag in m'n lee! = Ik had het gedacht, ik had het verwacht!

 

leeze

ww, verv: lees - leesde - geleeze

1. Lezen, kennis nemen van de inhoud van iets dat geschreven of gedrukt is.

Zdde gij de gazt n't leeze? Gft ze dn m deu as ge gedn t. = Ben je de krant aan het lezen? Geef ze dan maar aan mij als je ermee klaar bent.

 

2. Een gebed opzeggen.

Nen onzevder leeze, e weesgegroetsje leeze = een Onze-Vader bidden, een Ave Maria bidden.

'k m ijl ze lejve geweete da die ging bejwejge n da die zat te leeze, m z's al ejvegoe gesterreve. = Voor zover ik me kan herinneren ging die vrouw steeds op bedevaart en was ze voortdurend aan het bidden, maar ze is net als iedereen overleden.

 

lze

ww, verv: ls - lsde - gelsd

1. Zuipen, veel drinken. [>Nl. lessen = de dorst lessen]

Wad s't? Nen aate kop? Gistere wee te veel gelsd, misschien? = Wat scheelt er? Een zwaar hoofd / een kater? Gisteren misschien te veel gedronken?

 

 

lfke

zn (e), =verklw, mv: lfkes

1. Lijfje, hemdje.

n injns stont em d in ze lfke. = Plotseling stond hij daar in zijn onderhemdje.

 

Zie ook: onderlfke.

 

lejfdeg

bijv nw, tvgl: lejfdeg - lejfdeger - lejfdegst

1. Levendig, vol leven, beweeglijk.

Een lejfdege weef = een vrouw waarvan de man tijdelijk afwezig is.

Aale Swatsje s e lejfdeg manneke, mr aale[n] nrie s toch wl ijl wa stiller. = Jullie zoontje Franois is een levendig kereltje, maar jullie zoon Henri is veel stiller.

 

2. Levend, in leven zijnde.

't Vriest da't krokt - d'er s gijn lejfdege ziel te zien oep strt. = Het vriest stevig - Er is geen mens op straat te zien.

 

lejning

zn (de/een), mv: lejninge - verklw: lejninkske (e)

1. Leuning, armleuning, zowel aan een meubelstuk (de leuning van een stoel) als de borstwering van bijv. een terras.

Z'mme[n] een lejning in smeetijzer n eule trras lte ztte. = Er werd een smeedijzeren leuning aan hun terras gebouwd.

lejper

zn (ne), mv: lejpers - verklw: lejperke (e)

1. Lepel.

Rijspap tte in den eemel m gaave lejperkes. = In de hemel eet men rijstpap met gouden lepeltjes.

Utsepot kind'eete m ne soeplejper. = Hutsepot kan men eten met een gewone eetlepel.

'k Zn kaffeelejperkes vergeete te lgge. = Ik vergat koffielepeltjes op tafel te leggen.

 

 

lejr / lrreke

zn (et), geen mv

1. Leer, leder, bewerkte dierenhuid.

'k m e nief salon gekocht, n 'k m deze kij toch mr e salon in lejr gepakt. = Ik heb een nieuw bankstel gekocht, en deze keer heb ik voor leren bekleding gekozen.

 

zn (e), geen mv

2. Zeemleer, zeer soepel en zacht leer, m.n. van de vleeskant of binnenzijde van schapen- of geitenhuiden die op een bijzondere wijze, met aluin of (bij geel zeemleer) met traan gelooid worden.

Gft mij m[r] e goe lejr oem de rojte te kesse. Ik moet niks mme van al die[j] ander doekskes da ze naa verkoope. = Geef mij maar een echt zeemleer om de ramen te zemen. Al die andere producten die worden verkocht, moet ik niet.

 

zn (e), =verklw, mv: lrrekes

3. Stukje leer met een bepaalde bestemming, bijv. voor de afdichting in een waterkraan.

Ons krn lkt. 'k Paas dat er e nief lrreke[n] in moet. = De waterkraan lekt. Ik vermoed dat het leertje vervangen moet worden.

 

lejreman

zn (ne), mv: lejremanne - verklw: lejremanneke (e)

1. Pannenkoek die gemaakt wordt van bloem en water zonder meer, en daardoor minder lekker smaakt.

Sins dat ons Fransin krppekes mokt eet ek ik trug koekebakke. Vruuger mokte ze lejremanne, m zllefs m veul sojker wre ze nog ni goe. = Sinds mijn vrouw Francine flensjes maakt, eet ik terug pannekoeken. Vroeger maakte ze pannekoeken van bloem en water, en zelfs met veel suiker smaakten die me niet.

 

lejvend

bijv nw, tvgl: -

1. In leven, levend.

Oe da dij lejvend ojt da vrak s gekomme, da wt allijn onzelivvenijr. = Hoe hij dat auto-ongeval overleefd heeft, weet allen Onze Lieve Heer.

't s nog mr llef uure, n de'r s al gijn lejvende ziel nemij oep strt. = Het is nog maar pas elf uur, en je ziet al niemand meer op straat.

 

 

lk

voegwrd

1. Zoals, gelijk.

Lk as gij m de mnse kunt babbele... da kan ekik ni, znne. = Zoals jij met de mensen kunt praten... dat is een gave die ik niet heb, hoor.

Zie ook: gelk.

 

lktmelippeke

uitroep

1. Gebruikt om aan te duiden dat iets lekker is.

't s van lktmelippeke! = Het is heel lekker!

 

lmme

zn (de/ne), mv: lmmes - verklw: lmmeke (e)

1. Lam, schaap.

Een waa m lmmekes. = Een weide met schaapjes.

 

2. Toenaam voor een wielrenner uit Ruisbroek.

 

lmmenaat

zn (ne), mv: - verklw: lmmenatsje (e)

1. Limonade.

Lmmenaat lbbere = limonade drinken.

 

 

lrreke

zn (e), =verklw, mv: lrrekes

 

Zie: lejr / lrreke.

 

lt

zn (een), mv: ltte - verklw: ltteke (e)

1. Iets wat lang van vorm is, waarschijnlijk afgeleid van het woord "lat".

Gde braaf zen? Dn krgde strak e ltteke sjokkelat. = Ga je braaf zijn? Dan krijg je straks een "latje" chocolade.

 

2. Muntzijde, andere kant van een munt dan die waar de afbeelding van het "hoofd" staat.

Veu da de foetbal begingt, smt den arbitter ne frang oemoog, oem te zien wie datter mag beginge. Mr ijst moete de speelers natuurlijk kieze ve kop of lt. = Bij het begin van een voetbalwedstrijd werpt de scheidsrechter een muntstuk op, om te bepalen wie de aftrap mag geven. Uiteraard moeten beide partijen eerst kiezen voor kruis of munt.

 

ltte

ww, verv. lt - ltte - gelt

1. Opletten, alert blijven, uitkijken, observeren.

Stde d wee te ltte? = sta je daar weer op de loer?

Naa moet s goe ltte wa da'k aa gn zgge! = nu moet je eens goed opletten naar wat ik je te vertellen heb.

 

ltterbus

zn (de/een), mv: ltterbusse - verklw: ltterbuske (e)

1. Brievenbus. Ook het klepje dat meestal in de deur zit, om brieven of de krant door te steken. [>Fr. bote lettres]

Die manne die rklmbladsjes ronddrge, steeke de gaztsjes noot ijlem in de ltterbus. As't dn rejgent s alles nat, zllefs de gank. = De mensen die reclameblaadjes bedelen, steken de gazetjes nooit helemaal in de brievenbus. Als het dan regent is alles nat, zelfs de hal.

 

lttere

ww, verv: ltter - ltterde - geltterd

1. Met het klepje van de brievenbus heen en weer bewegen, zodat er een klepperend geluid ontstaat. Dit gebeurde vaak als er geen bel(knopje) was, of als het belknopje te hoog stond.

Dij klaane moest altij lttere oem zen bomma te lte weete dat'em er was, want e kon ni[j] n 't blknoppeke. = Dat jongetje moest altijd met het klepje van de brievenbus geluid maken om zijn oma te laten weten dat hij binnenwilde, want hij kon niet bij het belknopje.

 

 

lebbe

zn (ne), mv: lebbes - verklw: lebbeke (e)

1. Goedschiks iemand, iemand die het goed meent. [>Nl. lobbes]

Dij goeje lebbe g da wl doen ver ons. = Die goeie lobbes zal dat wel doen voor ons..

Da's goe da die zoonen braave leubbe[n] in ojs ej. = Ze mag blij zijn dat ze een goede echtgenoot heeft.

 

2. Volkse naam voor het mannelijk geslachstdeel.

'k Zal mene lebbe s lte zien wa weer da't bojte[n] s. = Ik ga buiten even plassen.

 

lepeke

zn (e), =verklw

1. Loopje, draf.

Moet da naa[j] allem oep e leppeke gebeure? Pakt toch aave[n] tijd! = Moet dat nu allemaal zo snel gebeuren? Neem toch de tijd!

 

ler / leroog

zn (een), mv: lerre / lerooge

1. Oogontsteking.

'k m een leroog van de kaave wint. = Ik heb een oogontsteking door in de koude wind te lopen.

 

2. Lodderoog, oog dat groter is of lijkt dan normaal, vaak ten gevolge van te weinig slaap, een te lange nacht uitgaan,...

De zakke van zen lerooge[n] ange bekan tot oep de gront. = Hij heeft zakken onder zijn ogen; ze hangen bijna tot op de grond.

 

lezze

zn (een), mv: lezzes - verklw: lezzeke (e)

1. Loods, gesloten gebouwtje. [>Nl. loods]

En ej zenen ottoo in de lezze gezet. = Hij heeft zijn auto in een loods geparkeerd.

 

2. Meer specifiek een droogloods voor klei in de steenbakkerijen van Rupelstreek.

In de pitte van Boom ston'et vruuger vol lezzes. = In de kleiputten in Boom stonden er vroeger veel droogloodsen.

 

3. Afdak van een loods.

Z'mme een lezze ngebaat n eulen ojs. = Ze hebben een afdak gebouwd aan hun huis.

 

 

Laatste wijziging 30-05-2013 - Toevoegingen
15-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl