A  B
BA
BE
BEL
BI
BL
BO
BOK
BR
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

bibbejoteek

zn (de), mv: bibbejoteeke - verklw: bibbejotŽkske (een)

1. Bibliotheek.

ZŽdde gij ooŽk in de bibbejoteek? = Ben jij ook lid van de bibliotheek?

Zie ook: boekerij.

 

bibbereŁze

zn (de), mv: -

1. Schudden, bibberen, de daver op het lijf hebben.

Watter naa gebeurt, da weet ek ni, m‚‚ 'k Žm al iŽjl den dag de bibbereŁze oep me lijf. = Ik weet niet wat er met me aan de hand is, maar ik heb al de hele dag de daver op het lijf.

 

biŽj

ww, verv: biŽj - bÔjde - gebooŽ

1. Bieden, een bod doen.

'k ňm oep dad oÔjs gebooŽ. = Ik heb op dat (te verkopen) huis een bod uitgebracht.

 

biŽjn

zn (een), mv: biŽjne - verklw: biŽjntsje (een)

1. Been, zowel voor de aanduiding van het gebeente als de ledematen.

Zw‚‚r biŽjne[n] Žmme. = Vermoeide benen hebben.

 

2. Ook figuurlijk.

'k ňm et ‚‚n men biŽjn. = Ik heb het te pakken, men heeft me bij de lurven.

Z'eÔj g'et ‚‚n eur biŽjn. = Ze is zwanger, ze is in verwachting.

 

 

biŽjst

zn (een), mv: biŽjste - verklw: biŽjsje (een)

1. Beest, dier.

DiŽj zene'n of zit vol mŽ biŽjste: kiekes, kornijne, vŤrrekes, nen ont Ťn twiŽj katte... = In zijn tuin zitten veel dieren: kippen, konijnen, varkens, een hond, twee katten...

 

2. Ook figuurlijk.

Da's een biŽjst van ne vŤnt! »n zŽgge da diŽj zooŽ veel gŽlt eÔj! = Dat is een gierige man! En hij is nochtans rijk!

De biŽjst oÔjtange! = Gierig zijn. Maar ook: baldadig zijn, dingen doen die eigenlijk niet passen in de maatschappij.

 

biŽjstendoktoor

zn (nen), mv: biŽjstendoktoors - biŽjstendoktorreke (een)

1. Dierenarts, veterinair.

Ons koeje zŤn ziek, Ťn 'k paas da me beÔjter den biŽjstendoktoor Žs l‚‚te komme. = Onze koeien zien er ziek uit; volgens mij is het aangewezen om de dierenarts te laten komen.

 

biŽjstentoeker

zn (nen), mv: biŽjstentekers - biŽjstentoekerke (een)

1. Dierenbeul, iemand die makkelijk dieren mishandelt of slaat (= toekt).

¬‚n aa zaa'l nog mene gaatvis ni geeve, want iederiŽjn wŽt da gij nen biŽjstentoeker zŤ. = Aan jou zou ik zelfs mijn goudvis niet toevertrouwen, want het gerucht doet de ronde dat je een dierenbeul bent.

 

biŽjt

zn (een/nen), mv: biŽjte - biŽjteke (een)

1. Letterlijk: biet, plant van de soort Beta vulgaris, in verschillende variŽteiten om de wortelknol geteeld. Ook de wortelknol zelf wordt hiermee aangeduid. [Lat. Beta]

In de zoomer ‚‚le de boere tot n‚‚ de klok van twŤllef de biŽjte binne. = In de zomer oogsten de boeren vaak tot na middernacht de bieten.

 

2. Dikke neus bij mannen.

DiŽj[n] eÔjt er nogal nen biŽjt oepst‚‚n, sŽch! = Hij heeft een dikke neus!

 

3. Slaag, klappen, pak rammel. [>Eng. beat]

'k Zal aa sebiet Žs goe wa biŽjte geeve! = Ik zal je seffens een flink pak slaag geven.

 

biŽjt krijge

ww, verv: kijg biŽjt - kreeg biŽjt - biŽjt gekreege

1. Slaag krijgen. [>Eng. to beat]

DiŽj va mij aa wŽral gedroenke. En dŤn Žs et altij 't zŽllefste lieke: dŤn krijg ekik biŽjt. = Mijn man heeft weeral gedronken! En dan ik me weer aan het zelfde verwachten: slaag krijgen!

 

 

bieke

zn (een), = verklw, mv: biekes

1. Bij.

'k ZŤn gestooke deur een bieke. = Een bij heeft me gestoken.

Doed aa devooŽre gelŽk as de biekes. = Wees ijverig als de bijen.

 

2. Meisje.

E knap bieke. = Een mooi meisje.

Amaj! wa[d] en bieke! = Kijk daar eens, wat een ongelooflijk mooi meisje!

 

3. Knikker, waarmee men meestal wint.

G'Žt gewonne, m‚‚ men biekes krŤgde ni. = Jij hebt gewonnen, maar mijn beste knikkers krijg je niet.

biekenaat

zn ('t), mv: -

1. Beukenhout.

Eele meebele zŤn van biekenaat. = Ze hebben meubelen van beukenhout.

Ieke-Bieke-Berkenaat... = Aftelrijmpje (eiken-, beuken-, berkenhout...)

 

biekenotsje / buukenotsje

zn (een), = verklw, mv: biekenotsjes / buukenotsjes

1. Beukennootje.

In de dreef van 't Of ter Bolle l‚‚ge[n] er altij veel biekenotsjes. = In de dreef van het Hof ter Bollen lagen er veel beukenootjes.

 

bietekwiet

zn (nen), mv: bietekwiete - bietekwitsje (een)

1. Domoor, goedgelovig persoon.

Gij sen bietekwiet. = Onnozele hals!

 

 

biggel

zn (nen), mv: biggels - verklw: biggeltsje (een)

1. Bikkel, loden gietsel waarmee men bikkelt. Oorspronkelijk was het een beentje uit de hiel van een schaap [>Lat. os tarsine tibiale], waarmee het bikkelspel gespeeld werd. [>Nl. bikkel]

VŽ vijf frang biggele astemblief! = Voor 5 frank biggels, als't u blieft (bij het kopen van de loden vormpjes).

 

biggele

ww, verv: biggel - biggelde - gebiggeld

1. Spel met vijf bikkels, die eerst worden uitgestrooid op de grond, en dan volgens bepaalde spelregels terug worden opgenomen. Hierbij moet men heel vaardig zijn en allerlei trukjes doen.

GelŽk as diŽj kan biggele, da kan'ekik ni. = Hij kan met de bikkels spelen als niemand anders.

 

bÔjeemel

zn (nen), mv: bÔjeemels - verklw: bÔjeemeltsje (een)

1. Bohemer of zigeuner.

BÔjeemels komme[n] oÔjt Ongarij. = Bohemers komen uit Hongarije.

 

2. Wordt ook in negatieve zin gebruikt om een onverzorgd of onderkomen persoon aan te duiden:

Ge ziet er wŽral oÔjt gelŽk nen bÔjeemel! = Maar ook voor personen die min of meer leven als nomaden.

Die leÔjve naa[j] Žcht as bÔjeemels. = Die mensen trekken van hier naar daar en hebben geen vaste woonplaats.

 

bijiŽjnfroemele

ww, verv: froemel bijiŽn - froemelde bijiŽjn - bijiŽjngefroemeld

1. Bij elkaar persen, samenknijpen, samenschrapen, bijeengrabbelen, alles bij elkaar pakken, samenpersen.

A ge da papier bijiŽnfroemelt, g‚‚t er miŽjr in de voÔjlbak. = Als je dat papier samendrukt, krijg je een grotere hoeveelheid in de vuilnisbak.

 

 

bijlŽgge

ww, verv: lŽg bij - laa bij - bijgeleÔj

1. Bijleggen, bijpassen, geld toegeven.

Komde ni toe? Wacht... 'k zal bijlŽgge. = Heb je niet voldoende (geld)? Wacht even, dan pas ik bij.

 

2. Bijleggen, teoegeven, een ruzie beŽindigen.

N‚‚ miŽjr as dŤttech j‚‚r ambras, Žmme ze't veŁ[r] iŽjns Ťn veu goe bijgeleÔj! Da's plŽzant! = Na meer dan 30 jaar ruzie, hebben ze het voorgoed bijgelegd! Dat is mooi!

 

3. Ook figuurlijk.

A ge die grunte ni meugt, dŤn lŽgd'er aave kop bij! = Als je die groenten niet lekker vindt, dan schuif je je bord maar opzij, en eet je niet!

 

bijwijle

bijw

1. Soms, nu en dan, af en toe.

Bijwijle kan da maske vrindelek zijn, m‚‚ miŽjstal Žs't een Žcht sŤrpŤnt! = Af en toe is dat meisje heel lief, maar meestal is ze bars en onvriendelijk!

 

bikke

ww, verv: bik - bikte - gebikt

1. Eten, schransen.

N‚‚dat'em iŽjl den dag Ťt gewŤrrekt aa, zat'em ijndelek goe te bikke. »n't smokte persies. = Na een hele dag hard gewerkt te hebben, zat hij eindelijk te eten. En hij vond het blijkbaar lekker.

 

billemanne

zn (de), mv - verklw: billemannekes (mv)

1. Buitengewoon dikke billen van een rund.

D‚‚ zal nogal vliŽjs afkomme, mŽ zooŽn billemanne. = Dat is een dier dat zů vet is dat er heel veel vlees aan zit.

 

2. Deze uitdrukking wordt ook gebruikt om billen van formaat aan te duiden bij vrouwen: Amaj, die[j] eÔj nogal billemanne!

 

 

binder / bunder

zn (nen), mv: binders / bunders - verklw: bindertsje / bundertsje (een)

1. Rekel, kwajongen, deugniet, schelm, snotneus, schalks persoon. [Nl. binder = rover]

In Bl‚‚svŽld st‚‚[g] et kapŽlleke van de viŽjtien bunders, Ťn d‚‚ zŽgge ze van da z'e livvevraabŽld Žmme gepikt Ťn in de vijvers van 't Broek Žmme gesmeete. = In Blaasveld staat de kapel van de veertien binders, waarvan beweerd wordt dat ze er een beeld van de madonna uit hebben gestolen en dat in ťťn van de vijvers van het Broek hebben geworpen.

 

binnespeele

ww, verv: speel binne - spŽlde binne - binnegespŽld

1. Naar binnen werken, opeten, meestal op gulzige wijze.

DiŽj mŤns aa zooŽne grooŽte[n] oenger dat em drij gebrŰŰ kiekes n‚‚ binnegespŽld eÔj. = Die man was zo uitgehongerd dat hij drie gebraden kippen heeft opgegeten.

 

2. Bij het kaartspel betekent het dat men het vooropgezette aantal slagen niet gehaald heeft.

Naa aa me ze goe bij[j] eule pitsje: ze ginge[n] aavendans m‚‚ m'Žmme ze d'er binnegespŽld! =  Nu hadden we ze goed te pakken: ze gingen voor 'abondance' maar we hebben ervoor gezorgd dat ze het benodigde aantal slagen niet hebben gehaald.

 

binnesteboÔjte

bijw

1. De binnenste kant aan de buitenzijde gedraaid, omgekeerd.

A ge mij naa ni rap zŽgt oe da da ier iniŽjn zit, dŤn zal ek den boel Žs binnesteboÔjte kiŽjre. = Als je me niet vlug vertelt hoe de vork aan de steel zit, dan onderzoek ik alles tot in het kleinste detail zodat alles naar boven komt.

 

binst

voorz.

1. Tijdens, gedurende, binnen een bepaalde periode.

Binst da'k ik n‚‚ de mŽllekboer was geg‚‚n, aa z'iŽjl 't bŽd ooverooŽp getrokke! = Op de tijd dat ik naar de melkboer was gelopen, hadden ze het bed helemaal overhoop gehaald.

 

 

bisj

zn (nen), mv: - verklw: bisjke (een)

1. Vlees (zoals het wordt genoemd door kinderen).

Moete noch wa bisjke? = Moet je nog een beetje vlees hebben (tegen kinderen)?

Ne kiekenbisj. = Kippenvel, sarcastisch gebruikt om een mager of zwak uitziend persoon aan te duiden.

 

biskeere

ww, verv: biskeer - biskeerde - gebiskeerd

1. Alles afbreken wat iemand zegt. [>Fr. bisquer]

Die doe naa ni[j] anders as mij biskeere. = Die (vrouw) doet niets anders dan mij afbreken.

 

bitskoem(b)er

zn (nen), mv: bitskoem(b)ers / bitskoem(b)ers

1. Lomperik of domoor. [>Eng. beach-comber]

Gij sen bitskoemer! = Onnozelaar!

 

bittere

zn (den), mv: -

1. Koffiebitter, cichorei. Surrogaat of smaakverbeterend middel voor koffie. Gewonnen uit de wortel van cichoreum intybus.

IŽjst e leÔjpeltsje bittere Ťn dŤn pas de kaffee. = Eerst een lepeltje cichorei en dan pas koffie.

 

 

 

Laatste wijziging 01-06-2008 - Toevoegen afbeelding
18-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl